Op zoek naar nieuwe manieren van financiering van documentaires

IDFA 2011 (7)

Documentaire maken is nog nooit zo sexy geweest. De makers worden vaak de rebellen van de maatschappij genoemd. De schrijvers van vroeger zijn de documentairemakers van nu. Tegelijkertijd is er steeds minder geld voor documentaires beschikbaar. Niet alleen in Nederland, maar over de hele wereld wordt nagedacht over nieuwe financieringsmodellen nu er een economische crisis gaande is en het televisielandschap verandert. Vandaar dat op 24 november op de IDFA een debat was georganiseerd met de beloftevolle titel The future of documentary financing. Aan tafel discussiëren Mikael Opstrup (EDN, Denemarken), Jess Search (Channel 4 British Documentary Film Foundation), Daniel Cross (Eyesteal, Canada), Iikka Vehkalahti (IV Films/ YLE, Finland) en Christian Beetz (Gebrueder Beetz Filmproduktion, Duitsland) over nieuwe subsidies, crowdfunding, bedrijfsfondsen en NGO-financiering.

Jess Search heeft goed nieuws. Britdoc lanceert in samenwerking met Bertha Foundation twee nieuwe fondsen die niet alleen voor Britse makers toegankelijk zijn. Bij het Bertha Britdoc Fund for Journalism kan geld aangevraagd worden: van 5.000 tot 50.000 pond voor lange documentaires van 60 minuten of meer. Hier kunnen filmmakers met een journalistieke achtergrond of een samenwerking van een filmmaker en journalist aanvragen indienen om lange onderzoeksdocumentaires te maken. De film Burma VJ is een mooi voorbeeld van een project dat als het nu geproduceerd zou worden, subsidie zou hebben gekregen. 

Maar daarnaast wordt ook nog het Bertha Britdoc Connect Fund gelanceerd. Hier kunnen filmmakers van over de hele wereld aanvragen indienen voor films waarmee op een of andere manier invloed uitgeoefend wordt op het publiek, men kijkers betrekt bij het onderwerp, mensen tot nadenken aanzet, en organisaties en overheden laat bewegen om in actie te komen. Zoals bij Blood in the Mobile dat het verhaal vertelt over Congolese jongeren die jarenlang zwaar lichamelijk werk verrichten in diepe en gloeiend hete mijnschachten en voor lage lonen coltan winnen voor mobiele telefoons. Deze film sloeg aan bij het grote publiek, met als gevolg dat petities werden getekend en eerlijke IT-producten werden ontwikkeld.

Crowdfunding

Bij financieringsdebatten en gesprekken over de toekomst van documentairefinanciering gaat het de laatste jaren veel over crowdfunding. Zo ook hier op de IDFA. In Noord-Amerika loopt crowdfundingwebsite Kickstarter redelijk. Het Nederlandse equivalent is Cinecrowd of Nieuwspost. Hier worden alleen kleine budgetten aangevraagd, het publiek betaalt en is hierdoor nauw betrokken bij het filmproces. Het is meestal een opstapje om een deel van het filmproces te kunnen betalen. Het gemiddelde bedrag dat bij Kickstarter wordt aangevraagd is 10.000 dollar. Ongeveer 50% van de aanvragen haalt het wel en 50% niet, vertelt Jess Search.

Producent Christian Beetz meent dat crowdfunding een slechte ontwikkeling is. “In alle landen van Europa betalen we veel belasting. Dat die belasting bijna niet meer naar cultuur gaat is een slechte zaak. En als wij nu met z’n allen nieuwe initiatieven gaan ontwikkelen denken de politici en beleidsmakers dat cultuursubsidie straks niet meer nodig zijn. Dat kan niet de bedoeling zijn.”

Het eerder genoemde Blood in the Mobile is ook met crowdfunding gestart. Beetz, die de film coproduceerde: “We kregen van vrienden 1600 euro. Maar daar kan je nog geen film van maken.” Doordat het project  meer was dan een film op zich, namelijk een campagne, een politiek onderwerp, was het publiek in dit geval bijzonder waardevol bij het opbouwen van een gemeenschap die ageert tegen de huidige gang van zaken. “We kregen het binnen no time voor elkaar om een hype op te bouwen. Verschillende omroepen in Europa waren geïnteresseerd om de film uit te zenden. We maakten verschillende minutenversies en Blood in the Mobile werd een enorm succes.”

Andere sponsoring

“Het idee dat één rijk persoon een film volledig financiert vind ik een aantrekkelijk idee”, zegt de Finse Iikka Vehkalahti. Het mecenaat is echter nog niet groot in Europa, in tegenstelling tot Amerika. Dat moet zich nog ontwikkelen. Maar er zijn ook voldoende bedrijfsfondsen, NGO’s en ministeries die kunnen bijdragen aan een film.

NGO’s kunnen ook helpen met sponsoring. Best een goed idee, maar kijken de communicatieafdelingen van het ‘goede doel’ niet continu over je schouder mee of je het verhaal  wel zo gunstig mogelijk vertelt? En kan je nog wel kritisch zijn? Ben je nog wel onafhankelijk  met zo’n NGO achter je?  Jess Search denkt van wel. “Zolang de organisatie die je sponsort maar aansluit bij het verhaal dat je wil vertellen, vallen daar goede afspraken over te maken.”

The Good Pitch, waarvan Search een van de oprichters is, brengt filmmakers samen met NGO’s, foundations, filantropen, merken en media die zich richten op actuele sociale vraagstukken – om op deze manier samenwerkingsverbanden en campagnes op te zetten. Search roept filmmakers dan ook op om te komen bij een van de volgende edities en samen te kijken naar coproducties.

Search noemt het voorbeeld van Channel 4,  die onlangs nog een driedelige documentaireserie maakte over overbevissing: Fish Fight. Zij toonden aan dat ongeveer de helft van de gevangen vis door vissers in de Noordzee onnodig dood worden teruggegooid in de zee. Channel 4 heeft hierbij een enorme online campagne opgezet, veel Britten ondertekenden de petitie en hiermee hebben ze veel invloed kunnen uitoefenen op beleidsmakers in Brussel. Zij werkten samen met diverse organisaties, zoals Wereld Natuurfonds, Greenpeace en Bird Life International.

TV of interactief

De Deense Mikael Opstrup haalt ook weer Philippe van Meerbeecks woorden ‘televisie is dood’ aan. Omroepen waren altijd de grootste financier van documentaires. Spannende tijden dus voor documentairemakers en de discussie hierover is nog niet klaar. Want televisie is nog lang niet dood volgens de meeste mensen aan tafel. Maar waar het naartoe gaat met de televisie? Daar lijkt niemand echt een antwoord op te hebben, het populaire massamedium mag nog niet losgelaten worden, dat is duidelijk.

Tegelijkertijd weten het publiek en de gasten dat jonge kijkers geen conventionele televisie-uitzendingen meer kijken op vaste uitzendtijden.  “Die bereiken we niet meer met een lineair verhaal. Dat publiek moeten we zien te benaderen met interactieve extra’s en online projecten”, zegt Beetz. Bij een lange documentaire kan je bijvoorbeeld een educatief programma ontwikkelen, zodat het op scholen aangeboden kan worden. En een website met interactieve apps, waar het programma in korte stukken terug te kijken is.

Volgens Iikka is televisie nog lang niet dood en ligt daar nog wel degelijk toekomst. Maar moeten we wel andere type documentaires voor televisie maken. Niet de auteursfilms, die passen niet binnen de programmering, maar kortere documentaires met een productieproces van 6 maanden, maximaal een jaar. Documentaires met een meer journalistieke insteek, waarvan de kijkers de volgende dag zeggen: “Heb je die documentaire gisteren gezien?” Met andere woorden: buzz creëren. Daar liggen volgens Iikka de kansen voor de documentairemaker anno nu.

Voorbeelden van Nederlandse projecten met alternatieve financiering

De dag dat de wereld verging

Man Bijt Hond-verslaggevers Cas Jansen en Remco Wagenaar besloten het heft in eigen handen te nemen toen ze een idee hadden voor een documentaire. Zij zagen in maart 2011 een poster hangen op Utrecht Centraal waarop stond dat 21 mei  jongstleden de wereld zou vergaan.  “Omdat er weinig tijd zat tussen de ideevorming en ‘de dag des oordeels’ besloten wij op een guerilla-achtige wijze direct van start te gaan. Zonder geld, dat wel. De montage financierden ze door middel van crowdfunding via de website Cinecrowd. Het streefbedrag werd bewust laag gehouden. “3500 euro leek ons wel realistisch om te halen.” De vraag is wel wat er met de film gebeurt als hij af is. Er is nog geen omroep die belangstelling heeft. De makers zijn dan ook nog druk bezig om De Dag dat de Wereld Verging te verkopen.  “Dat is iets wat we hier dan wel weer van geleerd hebben. Omroepen vinden het moeilijk om zo laat in te stappen, want ze kunnen helemaal niets meer over de inhoud zeggen. Het is dus eigenlijk makkelijker om het financieren van een documentaire via de reguliere weg te doen.” Toch is het ze door de snelle actie en crowdfunding wel gelukt om deze film te maken. Ze hadden geen tijd om te wachten op financieringsprocessen van fondsen. “De wereld verging immers bijna.”

De Slavernij Junior

Kinderprogramma De Slavernij Junior van de NTR vond in Unicef een samenwerkingspartner. In de laatste twee afleveringen uit de serie, die aansloot bij de volwassenenserie De Slavernij, wilden zij Nederlandse kinderen bewust maken dat er kinderen werken in derde wereldlanden. NTR-productiecoördinator Hedda Bruesing: “En daarvoor moesten we natuurlijk in het buitenland draaien, maar we hadden daar geen budget voor.” Kinderprogramma’s krijgen van de publieke omroep altijd veel minder geld dan de volwassenenseries. “We hadden dus extern geld nodig. Unicef wilde wel met ons samenwerken en de serie meefinancieren. Dit ging goed omdat we elkaar konden vinden op inhoud.  Bovendien kon Unicef zorgen voor goede ingangen in de landen waar we naartoe wilden. Maar dat betekende wel dat we alleen naar de landen konden gaan waar zij contacten hadden.”

Kinderprogramma’s bij de publieke omroep mogen volgens de Mediawet alleen gecofinancierd worden door ideële organisaties of fondsen. Informatieve en journalistieke producties ook. Culturele programma’s mogen wel door bedrijven worden gesponsord.

Lees ook
Andere artikelen op DNR over de IDFA 2011

Dit artikel is tot stand gekomen dankzij steun van het Mediafonds.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>