Koerswijziging Stimuleringsfonds Pers

“Het faciliteren van innovatie is onze nieuwe taak”

Sterke en snelle veranderingen in de perssector hebben onvermijdelijk effect op de rol en positie van het Stimuleringsfonds voor de Pers. Het feit dat de pers momenteel min of meer genoodzaakt is zichzelf opnieuw uit te vinden, vormde voor het Stimuleringsfonds dan ook aanleiding tot een nieuwe positiebepaling. Wim Verbei sprak er over met René van Zanten, algemeen directeur van het Fonds.

In 2006 stelde het Stimuleringsfonds voor de Pers haar ambities bij: het Fonds wilde niet langer alleen als vangnet opereren voor in nood verkerende journalistieke organisaties, maar ook als springplank voor nieuwe innovatieve persinitiatieven. De in 2010 doorgevoerde Tijdelijke Regeling Persinnovatie gaf aan deze ambitie een nieuwe impuls: in twee jaar tijd kon voor bijna 8 miljoen euro extra aan in totaal 54 innovatieve journalistieke projecten ondersteuning verleend worden.

Behalve een intensive care-functie verkreeg het Fonds aldoende ook een meer ondersteunende en stimulerende rol op het gebied van innoveren. Er volgde een evaluatieronde met de innovatie-experts die waren ingeschakeld bij de uitvoering van de Persinnovatieregeling. Maar ook twee uitgebreide consultatiesessies met de gehele sector. Een en ander resulteerde in het inzicht dat de nieuwe koers van het Fonds, behalve op de traditionele taken, gericht moet zijn op het faciliteren en aanjagen van de zoektocht naar nieuwe rendabele uitgeefmodellen. Voor een deel dient het Fonds zich bijgevolg te ontwikkelen als kenniscentrum en service-gerichte organisatie.

Sneller en directer

In de notitie ‘Positie kiezen’ worden de koerswijzigingen samengevat als aanpassingen in karakter, in werkveld, in werkwijze en in bestuursmodel van het Fonds. De wijziging van het bestuursmodel wordt daarbij tamelijk cryptisch omschreven, namelijk ‘van bestuur naar raad van toezicht’. Wat houdt dat precies in?

René van Zanten: “Nu is het nog zo dat het bureau de besluiten voorbereidt en het bestuur vervolgens ja of nee zegt. In de nieuwe situatie neemt het bureau de besluiten, die daarna worden getoetst door een raad van toezicht. Het komt er op neer dat het bureau een jaarplan en een begroting maakt en de raad van toezicht toetst of we ons daar daadwerkelijk aan houden.”

“Dat levert een snellere en directere manier van werken op. Ik kan me dan ook niet meer verschuilen achter het bestuur. Als er plannen worden afgewezen, kan ik niet meer zeggen: ik vond het wel aardig, maar het bestuur vond het niks. Niet dat we dat zo deden, maar die indruk bestond wellicht wel eens. Bovendien past het oude bestuursmodel niet meer zo bij deze tijd. Je ziet dat ook andere fondsen inmiddels werken met een raad van toezicht, die kijkt of de directie z’n werk goed doet.”

Service en advies

De aanpassing van de werkwijze van het Fonds wordt in de notitie samengevat als ‘van instituut naar service-gerichte organisatie’. Genoemd worden o.a. ondersteuning bieden met strategisch, bedrijfsmatig of technisch advies, het laten uitvoeren van meer praktisch toepasbare onderzoeken, optreden als kennismakelaar c.q. kennishub. Gaat de arbeidsintensiviteit van al die plannen de werkelijke mogelijkheden van het Fonds niet ver te boven?

Van Zanten: “We doen al die dingen feitelijk nu ook al een beetje, alleen willen we er meer focus op leggen. Als we de processen die nu veel werk eisen, namelijk het beoordelen van de aanvragen en het hele proces dat dan volgt, efficiënter maken, en dat kan natuurlijk, dan houden we meer tijd over om te focussen op dit soort zaken. Er gaat nu ook veel tijd verloren met projecten waarmee het tobben geblazen is, terwijl het anders kan. Als je dan kunt zeggen: bel eens met die of die, of doe dit of dat eens – iets wat nu niet echt onze taak is – dan levert dat weer tijdwinst op. En als het goed is brengt dat projecten ook sneller tot een goed einde – en dat is toch waar het uiteindelijk om gaat.”

Betekent dat een directere betrokkenheid van het Fonds bij de projecten?
Van Zanten: “Inhoudelijk niet, maar procesmatig wel, al is dat niet door ons zelf. Ik bedoel: ik ga niet zelf bij al die projecten langs. Maar ik ken wel mensen die daarbij misschien goed zouden kunnen helpen. Een jong bedrijfje kan problemen op allerlei gebieden hebben, van boekhouding tot projectbegeleiding, en daarbij zouden we echt kunnen helpen. Veel meer dan we nu doen in elk geval, en veel directer. Wat dat voor onze organisatie betekent, weet ik niet precies. Maar dat we meer moeten bieden dan geld alleen, staat voor mij als een paal boven water.”

“We merken aan de reacties uit de sector dat het niet alleen gaat om het inschakelen van deskundigheid bij projecten, maar ook dat mensen veel meer aan elkaar zouden moeten kunnen hebben. Zoals je ook ziet dat bij de Uitgeverij van de Toekomst het uitwisselen van kennis met elkaar en het gezamenlijk optrekken een belangrijk onderdeel van dat project is. Dat zijn dingen waar ik erg in geloof. Wij proberen dat met onder andere de themabijeenkomsten, waarbij we mensen bij elkaar brengen rond een thema. Het zit ‘m dan vaak ook in de follow up. Bij zo’n eerste ontmoeting is iedereen enthousiast, maar de volgende stap moet je echt stimuleren – en daar zouden we iets beter in kunnen worden, zodat het allemaal net iets meer momentum krijgt.”

Regio-onderzoek

Van geld naar kennis, zo wordt de aanpassing van het karakter van het Fonds in de koerswijzigingsnotitie genoemd. Er worden ook voorbeelden genoemd. Zoals het (laten) publiceren van relevante informatie over innovatieprojecten, of het (laten) uitvoeren van meer praktisch toepasbare onderzoeken.

Van Zanten: “Ja, we willen veel meer gaan reageren op waar behoefte aan is. De sector zegt ook: onderzoek is prima, maar dan graag van dingen die we snel willen weten. Dus we hebben een probleem en wat kunnen we daar aan doen? Oplossingsgericht. Dat wil niet zeggen dat we het meer fundamentele onderzoek laten lopen. Vaak moet je toch ook weten hoe dingen in elkaar zitten voordat je een oplossing kunt bedenken. Maar de praktische kant zou wel iets meer nadruk kunnen krijgen.”

“Een goed voorbeeld is het onderzoek naar regionale nieuwsvoorziening, dat we in samenwerking met allerlei mensen gaan uitvoeren, maar wel onder regie van het Fonds. Dat onderzoek valt in twee delen uiteen. Allereerst wordt een inventarisatie gemaakt van het media-aanbod in de regio. Dus welke aanbieders zijn er, wat voor vormen van samenwerking tussen lokale en regionale media zijn er of zijn er geweest, en waarom ging dat al of niet goed? Ook kijken we naar voorbeelden, wereldwijd, van vormen van samenwerking die het goed doen, zoals in Belgisch Limburg, of bij de Texas Tribune.”

“Tweede deel van het onderzoek is dat eind van dit jaar gestart wordt met drie of vier pilotprojecten van regionale samenwerking. De geselecteerde pilots gaan in verschillende gebieden van het land vormen van samenwerking beproeven die zich van elkaar onderscheiden in samenstelling. Bijvoorbeeld een regionaal dagblad en een regionale omroep, of een bibliotheek en regionale media. Die pilots willen we heel goed gaan volgen. We gaan daarbij eerst een nulmeting doen: hoe verloopt de samenwerking nu en wat voor soort nieuws levert dat op? En na een half jaar of jaar steken we daar opnieuw de thermometer in om te zien wat de gevolgen zijn van de samenwerking. Dat wordt een belangrijk onderzoek.”

Begrippen uit de oudheid

De aanpassing van het werkveld van het Fonds, tenslotte, wordt in de notitie aangeduid als ‘van persorgaan naar journalistieke infrastructuur’. Dat lijkt me meer dan een definitie-kwestie.

Van Zanten: “Zeker. Veel mensen zullen bij het Stimuleringsfonds nog denken aan het Bedrijfsfonds voor de Pers en is dat niet die club die destijds de Groene Amsterdammer en Het Parool ondersteunde en dat soort dingen. Dat is allemaal waar en het is ook mooi dat we dat nog steeds kunnen doen: het blijft een van onze taken om een journalistieke organisatie die tijdelijk in de problemen komt, zo mogelijk te helpen met bijvoorbeeld een krediet.

Maar minstens even belangrijk is het zoeken naar nieuwe wegen die er voor zorgen dat er een nieuws- en informatievoorziening blijft waar we met z’n allen iets aan hebben – en die inderdaad bijdraagt aan de pluriformiteit en de meningsvorming. ‘Pers’ en ‘persverscheidenheid’ moeten we daarbij misschien iets breder gaan definiëren dan tot nu toe. Dat zijn begrippen uit de oudheid. Daarom spreken wij nu liever over ‘journalistieke infrastructuur’ en over ‘kwaliteit, diversiteit/verscheidenheid en onafhankelijkheid’.”

Dit artikel verscheen eerder op Persinnovatie.nl.

Wim Verbei

Wim Verbei is hoofdredacteur van Persinnovatie.nl, een website van het Stimuleringsfonds voor de Pers over innovatie in de perssector.

Alle artikelen van Wim Verbei op De Nieuwe Reporter.