“Verslaggevers zijn net robots – ze hebben geleerd op een steriele manier over nieuws te berichten, gespeend van elke emotie en betrokkenheid. Die tijd is echt voorbij.” Deze uitspraak doet Mark Kramer op de tweede conferentie verhalende journalistiek in Utrecht, half april dit jaar. De conferentie is afgekeken van Kramers initiatief op Harvard University, een jaar of tien geleden, om de journalistiek meeslepender en herkenbaarder te maken. Hij is warm voorstander van storytelling, van een persoonlijker benadering over concrete mensen en gebeurtenissen in het nieuws, die dankzij de structuur van een verhaal lezers aan zich weet te binden.
Nieuw is narratieve journalistiek niet. In de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw bloeide deze tak volop, zeker in de VS. Het is een algemeen verschijnsel: in tijden van snelle veranderingen groeit de behoefte aan persoonlijk gekleurde verhalen, geplaatst in de grotere, vaak historische context. Nu opnieuw aan de grondslagen van de westerse maatschappij wordt gemorreld en een crisisgevoel de kop opsteekt, is het geen wonder dat het verhaal gretig aftrek vindt.
Journalisten kunnen uit een keur van verteltechnieken putten. De meeste discussies gaan dan ook over de vraag hoe je een goed verhaal op basis van feiten kunt neerzetten. Laat je je niet te veel meeslepen door de personages? Hoe voorkom je dat je de waarheid geweld aan doet? Dat zijn wezenlijke vragen, want elk verhaal vormt onvermijdelijk een constructie. Maar hoe verschillend de antwoorden soms ook zijn, onderhuids ligt er de erkenning dat verhalen een wezenlijk kenmerk zijn van het menselijk bestaan, en dat is winst.
Orde scheppen
Er bestaat namelijk geen andere manier om met de werkelijkheid om te gaan. Cognitief psycholoog Mark Turner schrijft in ‘The Literary Mind’ dat ons brein nauwkeurig lijkt te zijn afgestemd op verhalen. Wij denken met taal, en gieten al onze definities, begrippen en symbolen vervolgens in een bepaalde structuur, met een begin, een ontwikkeling, en een slot – de basiskenmerken van elk verhaal. We scheppen orde aan de lopende band, en journalisten doen dat eveneens. Dat zoveel lezers zich in goede verhalen herkennen, laat zien hoe deze resoneren met betekenissen die in het collectieve geheugen van een samenleving zijn opgeslagen.
Vroeger was de journalist of wie daar voor doorging een verhalenverteller pur sang. In de zestiende en zeventiende eeuw werd geen scherp onderscheid tussen feit en fictie gemaakt; voor romanlezers zat de waarheid verstopt in het moraal van het verhaal, en zo zagen zij ook de berichten in pamfletten of in voorlopers van de dagbladen. Pas in de achttiende eeuw ontwikkelde zich een publieke sfeer, en parallel daaraan een honger naar nieuws zoals wij dat tegenwoordig kennen: uniek, origineel, afwijkend, bruikbaar.
Een specifieke beroepsgroep ging voor deze informatie zorgen. Maar aanvankelijk bleven de nieuwsleveranciers van alle markten thuis, zegt Doug Underwood in zijn ‘Journalism and the Novel’. Dezelfde schrijvers die kranten voltikten, schreven ook novellen. Het was een tijdperk van gemengd nieuws, essays, kritieken, politieke commentaren, geruchten, humor en verzonnen verhalen als “de oersoep waaruit de genres ontsproten die we nu onderscheiden als fictie en journalistiek”. Dat beide elkaar sterk hebben beïnvloed, is een blinde vlek in onze cultuurgeschiedenis, betoogt hij.
Northrop Frye
De traditie van verhalen vertellen reikt nog veel verder terug. De oude Grieken kenden hun mythos, spannende oerverhalen over het veelkleurige en grillige godendom, en hun logos, bezonken beschouwingen over de werkelijkheid op basis van logisch denken. Ze beten elkaar echter niet. Ze werden opgevat als een Siamese tweeling: de analyse van de rede en de wijsheid van de mythe waren in Griekse ogen nagenoeg gelijk.
In onze spraakgebruik betekent mythe onwaar, een verzinsel. Maar zo moeten we zulke verhalen niet lezen. Mythen zijn eeuwige verhalen met universele waarheden over de mensheid. Ze houden ons bij de les. Ze bevatten de belangrijkste sociale, culturele en religieuze waarden van alle tijden, en zijn daardoor opmerkelijk stabiel. Mythen bieden een groot verhaal over onszelf en de wereld, met al onze angsten, zorgen, verleidingen, begeerten en (on)zekerheden.
De Canadese literatuurwetenschapper Northrop Frye laat zien dat er een doorgaande lijn ligt tussen oude mythen en de meest gebruikte thema’s in de westerse literatuur. Deze thema’s vloeien voort uit het universele drang om onze primaire levensbehoeften veilig te stellen, die hij duidt als voedsel, onderdak, vrijheid, liefde. In de hele menselijke geschiedenis duiken ze voortdurend op, als metafoor of als archetype; in die zin heeft literatuur de functie van mythen overgenomen.
Verbeeldingskracht
Literatuur, zegt Frye, bestaat niet uit een verzameling losse teksten, maar ze vormt een eenheid, één samenhangend patroon die onze kijk op de werkelijkheid stuurt. “We streven allemaal naar eeuwige vervulling van onze primaire verlangens. Vandaar dat wij naast de objectieve werkelijkheid een andere, betere werkelijkheid willen scheppen, een idee, droom, visie, over hoe de wereld zou moeten zijn. Zo’n werkelijkheid is vaak reëler dan de wereld buiten ons.” Het is verbeeldingskracht die ons beroert en ons vervolgens in beweging zet.
Zijn inzichten kunnen helpen om de rol van verhalen in de journalistiek scherper te krijgen. Wanneer journalisten literaire technieken gebruiken, draait het uiteindelijk om het vertellen van verhalen waarin lezers met hun worstelingen zichzelf herkennen. Het is waar: mensen hebben te maken met een chaotische en weerbarstige wereld. Maar het is ook waar dat mensen zich vaak laten leiden door beelden over een ideale wereld. Als journalisten beide voor ogen houden, zullen ze het hart van hun lezers weten te raken.
Goed en slechte verhalen
Maar er is meer. Northrop Frye maakt onderscheid tussen goede en slechte mythen. Goede verhalen gaan over de persoonlijke vrijheid om een droom, een visie te volgen; in slechte verhalen wordt die vrijheid gemuilkorfd door een heersende klasse of politieke macht waarin ideologieën de kans krijgen de kop op te steken. Dat gevaar ligt altijd op de loer. Daarom ziet hij voor literatuur een rol weggelegd als centrale plek waar de samenleving over haar primaire levensbehoeften open communiceert en ze op die manier levend houdt.
Geldt dat ook niet voor de journalistiek? Sterker, zo’n rol ligt bij uitstek op ons bordje, omdat we dankzij het publieke podium over actualiteiten een natuurlijke voorsprong hebben. Dat betekent oog krijgen voor die groepen waar de primaire levensbehoeften dreigen te bezwijken. Het houdt tevens de hoop op een keerpunt in. Journalisten blijven te vaak steken bij de neergang, het kwade. Maar een goed verhaal kent ook de opgang, het goede, de ontwikkeling naar boven. Het is beide: de strubbelingen, het terugzakken en weer opkrabbelen. Op en neer, neer en op, daarin herkennen mensen zich, net als in oermythen. Zulke levensechte verhalen beklijven.
6 reacties