the-daily-on-ipad

Mapping Digital Media

Divers beeld in internationale studie naar gevolgen digitale media voor de journalistiek

Wat zijn de gevolgen van de opkomst van digitale media voor de journalistiek? En wat betekenen de veranderingen in het medialandschap voor de manier waarop de democratie functioneert? Die vragen staan centraal in het wereldwijd uitgevoerde onderzoek (waaronder Nederland) Mapping Digital Media. Deze week worden op een conferentie in Istanbul de eerste resultaten gepresenteerd.

Voorwaar geen eenvoudige vragen, die de Open Society Foundations neerlegden bij onderzoekers (waaronder schrijver dezes) in ongeveer zestig landen met zeer uiteenlopende kenmerken. De uitkomsten laten dan ook geen eenduidig beeld zien, daarvoor verschillen die landen te veel van elkaar. Toch zijn er wel een aantal interessante trends te ontdekken in de rapporten.

Meer media

In de eerste plaats leidt de opkomst van digitale media vooral tot meer media. Digitalisering van televisie leidt tot een toename van het aantal kanalen, en internet heeft tot een explosie van de mediaproductie geleid. Opvallend is dat dat in veel landen niet leidt tot verschuivingen in marktaandelen. Dat wil zeggen: wat het publiek uit dat enorme medialandschap uiteindelijk tot zich neemt, wordt ondanks de toegenomen diversiteit aan de aanbodzijde, voor het grootste deel nog altijd geproduceerd en vertoond door dezelfde mediabedrijven. Kijken we bijvoorbeeld naar nieuwsconsumptie, dan zijn in Nederland 7 partijen verantwoordelijk voor zo’n 80 procent van de ‘aandachtsmarkt’.

De toename van het aantal media betekent wel dat de strijd om de aandacht van de kijker/lezer groter is geworden, en dat ook de mogelijkheden voor adverteerders zijn vergroot. Die kunnen voor een deel terecht op gespecialiseerde advertentieplatforms (Marktplaats, eBay, banensites, Google), en voor een deel kunnen ze ook eigen communicatiekanalen opzetten.

Verdienmodel

Is er dan, gezien deze ontwikkelingen, nog wel een renderend verdienmodel voor de productie van media? De rapporten die tot nog toe zijn gepubliceerd laten een verdeeld beeld zien. Voor mediabdrijven is het antwoord zeker ‘ja’; als we specifiek naar de journalistiek kijken, ligt het complexer. Alle rapporten melden dat kranten het net als in Nederland lastig hebben, om dezelfde redenen: dalende verkoop, terugloop in advertenties. Die ontwikkeling is structureel, dat wil zeggen dat niet wordt verwacht dat bij het aantrekken van de economie de inkomsten weer navenant zullen stijgen.

Op televisiegebied ziet het er een stuk beter uit. De meeste landen rapporteren een stijging in inkomsten uit pay TV (digitale pakketten, pay per view), al is het de vraag hoeveel hiervan aan journalistieke productie ten goede komt. Vaak gaat het om sport en entertainment. De advertentiemarkt heeft zich na een terugval door de financiële crisis in veel landen weer herpakt – al is dus ook het aantal kanalen waarop geadverteerd wordt toegenomen.

Advertentiemarkt

De advertentiemarkt voor internet maakt een flinke sprong, al komt hier het overgrote deel van de inkomsten terecht bij partijen die informatie ontsluiten zoals Google en Facebook, en veel minder bij partijen die zelf content maken. Dat leidt in verschillende landen (bijvoorbeeld in Italië en ook in Nederland) tot discussie. Is het rechtvaardig dat aggregatoren als Google zoveel inkomsten opstrijken, terwijl ze zelf geen inhoud toevoegen? En is het mogelijk wellicht een deel van die inkomsten (via een heffing of anderszins) ten goede te laten komen aan bijvoorbeeld journalistieke partijen?

Overigens melden een aantal rapporten dat in sommige landen journalistieke organisaties online wel winst weten maken met dank aan reclame-inkomsten, zoals bijvoorbeeld de webedities van Der Spiegel en de Rheinische Post.

Betalen voor online journalistiek

Over de vooruitzichten van betaalde journalistieke content op internet laten de rapporten nog geen eenduidig beeld zien. Een eerste reeks experimenten met paywalls is mislukt, partijen als het Spaanse El Paìs verloren daarmee zoveel lezers dat ze de maatregel hebben teruggedraaid. Maar experimenten met ‘freemium’-modellen (of poreuze pay-walls), zoals nu bij de New York Times, zouden daarvoor misschien een oplossing kunnen zijn.

In de meeste landen vinden internetgebruikers nog altijd dat nieuws op het web gratis toegankelijk moet zijn, en is de bereidheid om ervoor te betalen (nog) niet groot. Dat ligt weer anders bij tablets en mobiele telefoons. Daar zijn gebruikers wel degelijk bereid te betalen voor journalistieke producten. Misschien dat verschillende apparaten verschillende verwachtingen scheppen over de beschikbaarheid van gratis informatie, of misschien verandert ook langzaam aan de bereidheid om voor inhoud te betalen op internet. Het beeld is dus niet geheel somber: De Italiaanse krant Il Fatto Quotidiano haalt inmiddels 20 procent van haar inkomsten uit digitale abonnementen.

Gevolgen voor de journalistiek

Wat betekenen deze ontwikkelingen inhoudelijk voor de journalistiek?

Als we naar de televisiemarkt kijken dan zien we dat de toegenomen concurrentie op de advertentiemarkt tot grofweg drie strategieën leidt.

De eerste is bezuinigen. In Japan is bijvoorbeeld aanzienlijk bezuinigd op de journalistieke redacties van verschillende televisiezenders, met een dalende journalistieke kwaliteit als gevolg, zo meldt het rapport.

Een twee strategie is dat het nieuws spectaculairder wordt gepresenteerd. In de strijd om de kijkcijfers wordt het nieuws van meer drama voorzien dan voorheen.

Een laatste strategie is dat televisiezenders zich op speciale doelgroepen gaan richten. Nieuws krijgt dan minder aandacht op de kanalen voor het brede publiek, en juist veel meer op speciale themakanalen voor een gespecialiseerd publiek. Waarbij verschillende journalistieke kanalen zich ook weer op verschillende doelgroepen richten. Dat kan leiden tot meer gekleurde invulling van het nieuws die aansluit bij de doelgroepen.

Ontwikkelingen op internet

Op internet zien we nog twee andere ontwikkelingen. Aan de ene kant signaleert een aantal landen de opkomst van zogenaamde ‘stakeholder’ media. Dat zijn organisaties met een politiek, ideëel of religieus karakter die hun ‘missie’ ook uitdragen in hun berichtgeving. De Thaise rapporteurs waarschuwen dat die ontwikkeling in hun land dreigt te leiden tot verregaande polarisatie in het maatschappelijke debat.

In de Verenigde Staten zien we daarentegen juist de opkomst van non-profits die zich nadrukkelijk presenteren als onafhankelijke journalistieke organisaties zoals ProPublica, de Texas Tribune en de MinnPost. Zij halen hun geld niet zozeer uit advertenties, maar uit giften, sponsoring en subsidies van fondsen.

De overheid

Een laatste vraag is nog: wat doet de overheid? Grijpt zij in wanneer marktfalen mogelijkerwijs de onafhankelijke journalistiek bedreigt? Welke instrumenten worden daarvoor ingezet? Er zijn verschillende opties, ieder met voor en nadelen: bijvoorbeeld directe staatssteun, een fonds op afstand van de staat (vergelijkbaar met cultuurfondsen) dat onafhankelijke journalistieke producties ondersteunt, directe of indirecte ondersteuning van de publieke omroep, belastingmaatregelen om ofwel de markt te steunen, dan wel ten gunste van bijvoorbeeld giften aan non-profit journalistieke organisaties.

Tot nog toe zien we op dit gebied in de meeste landen weinig extra of nieuwe maatregelen genomen worden. Met een aantal uitzonderingen. In Nederland kreeg het Stimuleringsfonds voor de Pers tijdelijk extra middelen om digitale innovatie in de journalistiek te stimuleren. De commissie Brinkman suggereerde om een heffing in te voeren op internetabonnementsgelden die ten goede zou moeten komen aan de journalistiek. Een soortgelijke discussie speelt momenteel in Engeland, en in Frankrijk is zo’n heffing al ingevoerd.

Veel discussie is er in Europese landen over de publieke omroep en welke rol zij dient te spelen in het digitale medialandschap. Marktpartijen in onder meer Nederland klagen dat haar aanwezigheid op internet marktverstorend werkt, en dat haar activiteiten op internet moeten worden ingeperkt. Maar andersom zou je ook kunnen redeneren dat juist in een medialandschap waarin de publieke functie van de journalistiek sterk onder druk staat, een actieve rol van de publieke omroep op internet belangrijker is dan ooit.

Martijn de Waal voerde afgelopen jaar het Mapping Digital Netherlands onderzoek uit samen met Andra Leurdijk, Thomas Poell en Levien Nordeman. Een exemplaar van het Nederlandse onderzoek kan hier worden gedownload. Zie hier voor de executive summary.

Eén reactie

  1. jan schreef op 12 juli 2012 om 17:32

    Herkenbaar verhaal. Ik mis uiteindelijk wel het antwoord op de vraag in de aanhef, namelijk wat die veranderingen betekenen voor het functioneren van de democratie.

    Het dichtst bij iets waarin een antwoord besloten ligt is de zinsnede: “Een twee strategie is dat het nieuws spectaculairder wordt gepresenteerd. In de strijd om de kijkcijfers wordt het nieuws van meer drama voorzien dan voorheen”.

    En ik lees dat de suggestie dat de rol van de publieke omroep belangrijker zou kunnen worden. Maar ik weet (uit ervaring) dat ook die publieke omroepen steeds meer mensen en tijd inzetten voor spectaculairder nieuws. 112-nieuws is core-bussiness geworden omwille van de pageviews. De cijfers tonen mij dagelijks aan dat het internetpubliek ook bijna uitsluitend daarin is geïnteresseerd.

    En al die journalisten die worden ingezet voor incidenten-nieuws kunnen zich niet bezig houden met het functioneren van de democratie. Hoeveel verslaggevers gaan er nog naar gemeenteraadsvergaderingen? Ja, als er incidenten zijn.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Onderzoek (47 van 436 artikelen)
krant lezen


Waarom zeggen mensen hun krantenabonnement op? En waarom doen zoveel anderen dat ...