Kritiek op nieuwe plannen

Steekt er nog iemand een vinger uit voor de Raad voor de Journalistiek?

“Vergis je niet,” zei Kees Boonman, bestuurslid van de Raad voor de Journalistiek, onlangs tegen NRC Handelsblad , “als de journalistiek vandaag de Raad opheft, staat de Tweede Kamer morgen klaar met een eigen waakhond om de pers in te tomen. De nationale ombudsman staat al te popelen om onze taak over te nemen.”

Boonman toont weinig inzicht in mediarecht: de Kamer kan van alles willen, de grenzen van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting worden door de Nederlandse rechterlijke macht en uiteindelijk door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM) bepaald. Het is een van die terreinen waarop Den Haag gelukkig weinig meer te zeggen heeft.

Wassen neus

Boonman voert het woord namens een bestuur van de Raad voor de Journalistiek dat van de papieren tijger, die de Raad altijd is geweest, nu definitief een wassen neus dreigt te maken. Daartoe volgt het bestuur de ideeën van Elsevier-hoofdredacteur Arendo Joustra, sinds jaar en dag consequent en openlijk tegenstander van de Raad en met zijn “propagandamachine van het kabinet-Rutte” niet aangesloten bij de Raad.

De plannen samengevat: titels die de Raad niet erkennen, kunnen niet meer door de Raad berispt worden; nog alleen maar journalisten in de Raad, zeker geen juristen meer; klagers of verweerders mogen zich niet meer door advocaten laten bijstaan en organisaties kunnen niet meer bij de Raad terecht alleen nog ‘burgers’; die klagers moeten eerst bij het medium in kwestie aan de deur kloppen.

Dit Elsevier-pakket heeft binnen het bestuur aan overtuigingskracht gewonnen doordat de NDP – de brancheorganisatie voor nieuwsbedrijven – bij monde van mr. Folkert Jensma, ex-hoofdredacteur en juridisch redacteur van NRC Handelsblad, zijn financiële bijdrage aan de Raad afhankelijk heeft gesteld van invoering van Joustra’s masterplan.

Pijnpunten van de plannen

Te vrezen valt dat Joustra’s Raad door weinig media erkend zal worden, want niet erkennen betekent dat je ook geen klachten krijgt. Veel klachten – zoals bijvoorbeeld tegen De Telegraaf, Elsevier, Het Parool, RTL4 – zal de Raad dus ongelezen terzijde gaan leggen.

Onafhankelijke oordelen kunnen van zo’n, uitsluitend uit journalisten bestaand, orgaan nauwelijks verwacht worden; in tegenstelling tot wat Joustra beweert, zijn journalisten helemaal niet kritisch over elkaars arbeid. Ja, na vijf pils in het café steken ze elkaar een dolk in de rug, maar normale mediakritiek is een onderontwikkeld terrein.

Waar bij allerlei toezichthoudende organen, tot aan de advocatuur aan toe, geroepen wordt om onafhankelijke buitenstaanders, gaan journalisten nu onderling uitmaken hoe goed ze zijn.

Dat klagers geen advocaten meer mogen meenemen lijkt een onhaalbaar verbod; je kunt klagers moeilijk verbieden een ‘raadsman’ van welke soort dan ook mee te nemen. Hetzelfde geldt ook voor de weigering klachten van organisaties en instellingen te behandelen – besteedt de journalistiek dan ook geen aandacht meer aan hen?

Wie een oordeel wil over de juridische rechtmatigheid van een publicatie gaat naar de rechter, wie wil laten vaststellen dat de journalistieke professionele mores met voeten zijn getreden, gaat naar de Raad. Het is logisch, behalve voor Joustra en Jensma.

Defensieve journalistieke cultuur

Veel enthousiasme heeft de journalistiek in Nederland nooit kunnen opbrengen voor de Raad voor de Journalistiek. Juist journalisten houden er helemaal niet van als buitenstaanders hen vertellen watvoor fouten ze gemaakt hebben. Luister vijf minuten naar journalistenvoorman Thomas Bruning, secretaris van de vakbond voor journalisten, en je krijgt een lezing met lichtbeelden over de defensieve journalistieke cultuur in Nederland.

De kleinzieligheid onder journalisten is groot; als er kritiek op de Raad is, moet je je allereerst afvragen of er recentelijk niet een voor het betreffende medium negatief uitgevallen uitspraak is gedaan. Sjuul Paradijs, hoofdredacteur van De Telegraaf, is daar het vleesgeworden bewijs van. Hetzelfde fenomeen deed zich voor bij de recente terugtrekking uit de Raad van Het Parool.

Het is ‘wildersachtig’ gedrag: als de rechtbank mij niet vrijspreekt, is de rechtstaat verrot. Vaak wordt daar nog het argument aan toegevoegd dat klagers de Raad gebruiken als opstapje naar de rechter: wie gelijk krijgt bij de Raad heeft een extra argument bij de rechtbank. Een argument dat door de feiten geloochenstraft wordt: rechters oordelen geheel los van welke uitspraak van de Raad dan ook en de zinsnede dat het oordeel van de Raad “niet terzake” doet, komt dus regelmatig voor.

Rare uitspraken

Dat wil niet zeggen dat de Raad geen rare uitspraken doet. De grilligheid en de matige kwaliteit van de oordelen van de Raad maakte het lange tijd heel gemakkelijk de uitspraken naast zich neer te leggen: tot een paar jaar terug zat er nauwelijks lijn in de journalistieke normering van de Raad. Het hing vooral af van welke gepensioneerde politicus, uitgever of verslaggever er toevallig bij de zitting aanwezig was geweest. Er werden te veel kwalitatief slechte uitspraken gedaan zonder enig besef van de eigen historie.

Sinds de zogeheten Leidraad, een bouwwerkje van medianormering, is de kwaliteit aanmerkelijk verbeterd. Het is niet feilloos maar de rechtbank wordt ook niet afgeschaft na een gerechtelijke misslag.

Zijn er meer redenen dan angst voor Den Haag om een instelling in stand te houden bij wie honderd klagende burgers en organisaties per jaar hun wrevel over journalistiek kunnen neerleggen?

Verantwoording

Media spelen, om het cliché maar even in de lucht te gooien, een grote maatschappelijke rol. De journalistiek in alle zinnige en onzinnige gedaantes doet dat ook. Journalisten vragen voortdurend om inzicht en doorzicht in zo ongeveer alle maatschappelijke instellingen, met als doel verantwoording afleggen over bonnetjes, dienstreizen, medische oordelen, kredietverlening, rechterlijke uitspraken, vakantievilla’s van de kroonprins. Dat is mooi en een van de kerntaken van journalistiek.

Dan is het minstens even vanzelfsprekend dat de journalistiek zelf tekst en uitleg geeft over zijn eigen werkwijzes en oordelen, en de mogelijkheid biedt klachten neer te leggen bij een onafhankelijke orgaan. Dat kan, bijvoorbeeld, een raad voor de journalistiek zijn, een persklachtencommissie of een ombudsman.

En omdat het, gegeven de beschermde positie van journalistiek, onmogelijk én onwenselijk is dat wettelijk op te leggen, zou elke uitgever of mediadirecteur zijn kranten, tijdschriften, websites of tv-programma’s moeten verplichten zich daarbij aan te sluiten.

Daar is nog een andere reden voor. Journalistieke kwaliteit wordt van allerlei kanten belaagd. Niemand kijkt meer op van factfree reporting“er bestaan geen feiten,” zegt de hoofdredacteur van het belangrijkste nieuwsprogramma op televisie –, zowel in de politiek als onder het grote publiek zijn het meningen die tellen en zijn feiten steeds onbelangrijker geworden. Maar de journalistiek als vak, als middel “om de wereld groter te maken” (Pierre Janssen in Zomergasten), overleeft alleen als het zorgt voor professionele kwaliteit, inclusief feiten.

Ook daarin speelt zoiets als een raad voor journalistiek, die minimaal waakt over de buitengrenzen van fatsoenlijke journalistiek, een rol. Als uitgever en mediadirecteur zou de kwaliteit van wat je maakt je ook ter harte moeten gaan. Ook als je per ongeluk NDP-lid bent. Rommel en rotzooi is er genoeg.

Hugo Arlman

Hugo Arlman is journalist, voorzitter van het Hans Melchersfonds en doet freelance opdrachten voor de NPS.

Alle artikelen van Hugo Arlman op De Nieuwe Reporter.

  • keesboonman

    Beste Hugo, Heel goed dat je je mengt in de discussie over de Raad voor de Journalistiek. Kleine aantekening: ik heb het niet over dingen waar ik géén verstand van heb, ik heb het – geciteerd in de NRC – over dingen waar ik wél verstand van heb. Dat is namelijk het feit dat de Nationale Ombudsman graag de positie van de Raad voor de Journalistiek zou willen overnemen . Dat heeft Alex Brenninkmeijer namelijk zelf gezegd. Mij is het bestaan van het EVRM bekend, al was het maar omdat ik regelmatig voor de Raad van Europa op pad ben geweest. Wat niet wil zeggen dat ‘de politiek’ op onbewaakte ogenblikken zomaar kan pleiten voor een journalistieke watchdog. Dat geluid hoor je in de UK, maar is ook in NL wel eens geuit. Waarvan akte.

  • http://www.nos.nl Marcel Gelauff

    Beste Hugo,

    Ik weet niet of ik een klacht bij de Raad kan indienen tegen bovenstaande maar de uitspraak die je als een citaat van mij opschrijft heb ik nooit gedaan en zal ik nooit doen.
    Als je dan toch iets van mij zou willen gebruiken om je betoog te ondersteunen, dan is het een goede journalistieke gewoonte eerst maar eens bij de bron te checken. Voorkomt hopelijk dat ik mezelf terugzie in een context waarin ik absoluut niet geplaatst wil worden.

  • Hugo Arlman

    Beste Marcel,

    “Los daarvan heb ik opgemerkt dat daar waar de wetenschap veel onzekerheden kent, (…..) en bovendien mensen vaak andere percepties hebben van gebeurtenissen of verschijnselen, je op een hoog abstractieniveau, een filosofisch niveau eigenlijk, zou kunnen betogen dat feiten niet bestaan.” Zo citeer je jezelf op de NOS website.
    Mijn samenvatting “er bestaan geen feiten” is wat kort en wetenschappelijk gezien niet echt nauwkeurig maar voldoende voor een succesvolle klacht van jou bij de Raad voor de Journalistiek lijkt het me niet.
    Het tweede gedeelte van je argumentatie – over percepties – klinkt me overigens onheilspellender in de oren: ook journalistiek gezien zijn feiten zwaarderwegend dan “percepties”. De vox pop heeft overal percepties over die niet zelden op allesbehalve de feiten zijn gebouwd.

  • Hugo Arlman

    Beste Kees,

    Zo te lezen heb ik je wat betreft het EVRM onderschat; waarom Den Haag en de Ombudsman dan toch nog relevant zijn in dit kader, wordt daar overigens niet duidelijker van. Dat heer Ombudsman zijn ambities tot dit terrein wilde uitstrekken was me bekend.
    Het was misschien, ook voor de lezer, nuttig geweest als je ook inhoudelijk in was gegaan op de argumentatie rond Joustra’s masterplan. Dat hoort toch bij een discussie?