roodpotlood

Peilingen en de media (1)

Peilingen zijn niet voor bèta’s

In april dit jaar viel het kabinet en al snel wisselden peilingen elkaar in rap tempo af. En net als bij eerdere verkiezingen was het één grote brei. Twee zetels erbij, nee een zetel eraf, de VVD aan kop, oh nee, de SP. De peilingen leken weer een zootje.

Het was dan ook goed dat politicologen dit jaar al vroeg aan de bel trokken. Ze wezen – opnieuw en herhaald – op de invloed die peilingen hebben en maanden tot zorgvuldigheid. Berichten over peilingen? Prima, maar doe het dan vooral zorgvuldig! En zo vond de discussie over peilingen dit jaar niet alleen na de verkiezingen plaats, maar gedurende de hele campagne. Vrijwel elke krant wijdde een of meer artikelen aan de peilingproblematiek en ook tv-programma’s stortten zich er gretig op. Peilingen waren hot.

Disclaimers

Langzaam veranderde er iets in de berichtgeving. Onderaan peilingberichten doken disclaimers op, waarin iets werd gezegd over foutmarges, namelijk dat een partij met 30 zetels net zo goed 28 of 32 zetels zou kunnen hebben. Dat de consequentie van zo’n disclaimer is dat in het bijbehorende artikel nooit geschreven kan worden dat partij A met 31 zetels groter is dan partij B met 30 of 29 zetels, leek niet door te dringen.

Het was alsof journalisten wel de conclusie uit hun hoofd geleerd hadden – altijd melden dat het maar trends zijn en dat foutmarges van toepassing zijn – maar de lesstof niet hadden begrepen. En het is ook geen eenvoudige lesstof. “Een zetel verschil en toch geen verschil, wie begrijpt dat nog?,” verzuchtte een peiler van TNS NIPO op Twitter (met een smiley erachter).

Stijgingen en dalingen

Er veranderde nog iets. In berichten over nieuwe peilingen werd vaker opgemerkt dat de vorige of dezelfde dag een andere peiling een andere stand had gemeld. Een goede ontwikkeling, want zo wordt duidelijk dat peilingen van verschillende bureaus naast elkaar verschijnen en geen onderdeel zijn van een lineaire reeks die samen ‘de peilingen’ vormen.

Maar ook hier geldt dat het noemen van getallen op zich niet zoveel zegt. Twintig zetels in de ene peiling kon een daling van twee zetels zijn, terwijl dezelfde partij met zeventien zetels in de andere peiling misschien wel een zetel was gestegen.

Vrijdag verscheen in NRC Handelsblad een analyse van politicologen Tom van der Meer, Armèn Hakhverdian en Jean Tillie. Daarin typeren zij de afgelopen campagne als volgt: “Peilers peilden zich scheel. Politicologen relativeerden zich suf. De media aten gulzig van beide walletjes.”

Want meer dan in 2006 en 2010, toen vooral de peilingbureaus onder vuur lagen nadat duidelijk werd dat hun slotpeilingen sterk afweken van de einduitslag, was de kritiek dit jaar vooral gericht op de media. Iedere journalist zou dat artikel moeten lezen en zich af moeten vragen of het volgende citaat op hem van toepassing is:

De Nederlandse omgang met peilingen getuigt van ‘statistisch analfabetisme’. Media hebben een zekere angst voor cijfers, snappen ze niet of weigeren ze juist te interpreteren. De eerbied voor peilingen is veel te groot: als je iets in cijfers kunt uitdrukken, moet het wel waar zijn. Het geeft een glans van onaantastbaarheid om te kunnen praten over exacte zetelverschuivingen.

In tegenstelling tot wat veel journalisten lijken te denken, hoef je echt geen cursus statistiek gevolgd te hebben om peilingen goed te kunnen volgen. Enige basiskennis helpt bij het vermijden van basisfouten – zoals belang hechten aan een enkele zetel verschil – maar met puur de getallen naast elkaar zetten en vergelijken kom je een heel eind.

Het lastigste is om vervolgens zo over peilingen te berichten dat de lezer niet helemaal gek wordt van de marges en de voorbehouden of dat disclaimers behang worden dat na verloop van tijd niemand meer waarneemt. Sterker nog, in goede berichtgeving zouden disclaimers niet nodig zijn, omdat die relativering al in de berichtgeving is verwerkt.

Relativering in berichtgeving

Zolang redacties niet de moeite nemen om zich het peilinglezen eigen te maken en voornamelijk persberichten kopiëren omdat ze als eerste de wedstrijduitslagen willen brengen, is er weinig hoop voor volgende verkiezingen. Net zoals de lessen uit 2006 en 2010 dit jaar eerst opgerakeld moesten worden voordat er kleine veranderingen plaatsvonden, zullen de lessen van nu in 2016 of eerder ook uit de archieven moeten worden opgedoken wanneer de berichtgeving over peilingen al in volle gang is.

Waarbij het gevaar groot is dat de kritiek dan met een ‘niet weer die peilingen’ veel minder aandacht zal krijgen dan nu. Redacties die het de volgende keer anders willen doen, zullen daarvoor dan ook nu de basis moeten leggen.

Marleen Zachte volgt sinds eind mei van dit jaar de peilingen en de wijze waarop over peilingen bericht wordt in de media op Peilloos.nl. In het tweede deel in deze serie van drie: de rol van persbureaus en het redactiebeleid van kranten en nieuwssites.

 Lees ook
Andere artikelen over peilingen en de media op DNR.

3 reacties

  1. Laaggecijferdheid kan een verklaring zijn voor omgang met peilingen. Ik geloof dat er ook een ideologische verklaring is.

    Door peilingen als hard getal te brengen, verleent de journalistiek zich extra uitstraling van objectiviteit bij politieke verslaggeving. ‘X ligt voor op Y’, lijkt boven alle ideologie verheven en sluit naadloos aan bij de framing van verkiezingen als race.

    Terzijde: de kop boven dit artikel snap ik niet.

  2. Ik kreeg meer reacties op de titel. Wellicht was “Peilingen zijn niet uitsluitend voor bèta’s’ duidelijker geweest. Ik doel op het ontzag dat veel alfa’s voor getallen lijken te hebben, alsof er speciale scholing nodig is om daar iets zinnigs over te kunnen of zelfs mogen zeggen.

    De uitstraling van objectiviteit is ook een aardige invalshoek. Dat zou zeker mee kunnen spelen.

  3. In een ver verleden legden we de (Vlaamse) Raad voor de journalistiek deze twee vragen voor:


    1) Moeten journalisten de wetten van de statistiek eerbiedigen bij de berichtgeving over opiniepeilingen? Concreet verwijzen wij hier naar de foutieve interpretatie van de resultaten van opiniepeilingen indien de betrouwbaarheidsintervallen niet in rekening worden gebracht.

    2) In hoeverre gaat het niet in rekening brengen van de foutenmarges of betrouwbaarheidsintervallen bij de berichtgeving over opiniepeilingen in tegen de plicht van een journalist om de waarheid te eerbiedigen? Met “de waarheid” verwijzen we hier naar de algemeen gekende statistische eigenschappen van een steekproefresultaat.

    De antwoordbrief van de Raad vind je via:

    http://www.journalinks.be/gespot/rvdj_opiniepeilingen.JPG

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>