ridder met schild

Wettelijk recht op bronbescherming

Wie verdient juridische bescherming als journalist?

Op 27 november is het vijf jaar geleden dat de toenmalige minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin, aankondigde het bronbeschermingsrecht van journalisten wettelijk te gaan regelen. Maar daarna werd het stil. Op een in 2008 gepubliceerde conceptwettekst [pdf!] na, zijn er geen radiosignalen over journalistieke bescherming meer ontvangen. Sterker nog, het zou zomaar kunnen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Nederland binnenkort voor de zoveelste keer op de vingers gaat tikken vanwege onvoldoende journalistieke bescherming.

Het nieuwgekozen parlement zal na de verkiezingen snel het redactiegeheim moeten erkennen, wil Nederland niet het Europese lachertje van de bronbescherming worden. Voordat een recht kan worden toegekend moet echter een zeer belangrijke horde genomen worden: wie is er namelijk in deze tijden journalist?

Waakhond

Om te bepalen wie aanspraak mag maken op bijzondere juridische bescherming, moet eerst bekeken worden wat de ratio van deze bescherming is. De ontstaansgeschiedenis van het recht op journalistieke bescherming in Nederland is een bijzondere. Immers, niet via een wet of rechterlijke uitspraak van de Hoge Raad kregen journalisten hun verschoningsrecht. Het Europese Mensenrechtenhof moest er aan te pas komen alvorens Nederland om ging. Het Straatsburgse Hof besloot in een zaak waarin een Engelse journalist bedrijfsgeheimen publiceerde, dat journalisten een vitale rol spelen als publieke waakhond. Wanneer journalisten geen privileges zouden bezitten, zou dat een chilling effect op nieuwsbronnen veroorzaken en dat is nefast voor het publieke debat en de democratie.

Maar voor wie zouden die privileges moeten gelden? Om maar een open deur in te trappen: het journalistieke speelveld is de laatste jaren sterk veranderd. Door het ontstaan van nieuwe journalistieke vormen als burgerjournalistiek is het definiëren van een journalist steeds moeilijker geworden. Dit maakt het lastig om een bepaalde groep de waakhondrol toe te dichten. Iedereen kan tegenwoordig immers journalistieke activiteiten uitoefenen en zich een podium toeëigenen om zicht te mengen in het publieke debat.

Eén van de weinige wetenschappers die de gevolgen van de veranderingen in de journalistieke rol van waakhond beschreef is de Israëlisch-Amerikaanse communicatiewetenschapper Yochai Benkler. Hij stelt dat de pers als centrale waakhond wordt vervangen door een gedecentraliseerde waakhond: het journalistieke proces als geheel. De waakhondrol is volgens hem in deze tijden het resultaat van peer production tussen journalisten die specifieke kwaliteiten hebben en de grote massa met haar kennis.

Het einde van de beroepsbescherming

Dit heeft grote gevolgen voor het toebedelen van journalistieke bescherming aan personen, zoals dat tot op heden altijd gebeurde. Wanneer iedereen die meehelpt aan de peer production van de waakhondrol door op internet informatie te delen, wordt beschermd, zou het praktisch onmogelijk worden ooit nog een persoon te veroordelen.

Dat betekent dat we af moeten van de bescherming van de bescherming van de journalist omdat hij dat beroep uitvoert en toe naar een bescherming van personen die handelingen uitvoeren. Met andere woorden: de bescherming moet gekoppeld worden aan handelingen en niet aan personen die een beroep uitvoeren.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens liet iets dergelijks al doorschemeren in het arrest-Janowski. De Poolse beroepsjournalist Janowski slingerde in zijn vrije tijd twee agenten ouderwetse krachttermen als ‘domoren’ en ‘simpele zielen’ naar het hoofd. Ten overstaande van de rechter beriep hij zich op de ruimere vrijheid van meningsuiting die journalisten toekomt. Het Straatsburgse Hof oordeelde dat enkel uitlatingen die in het publieke debat worden gedaan onder journalistiek kunnen worden geschaard.

Journalistieke activiteiten

Daarmee heb ik de twee wezenskenmerken laten vallen die naar mijn mening moeten bepalen of iemand juridische bescherming als journalist verdient. Dat zijn namelijk het uitvoeren van journalistieke activiteiten enerzijds en het zich mengen in het publieke debat anderzijds.

Natuurlijk moet het uitvoeren van journalistieke activiteiten een voorwaarde zijn om als journalist te worden aangemerkt. Journalistieke activiteiten zijn werkzaamheden die direct voortvloeien uit het vervullen van de rol als waakhond of poortwachter. Voorbeelden zijn: het selecteren van nieuws, het inwinnen van verdere informatie, het checken van bronnen, het verwerken van de informatie tot een artikel/item, de redactie daarvan en het presenteren van die informatie.

Het is naar mijn mening niet noodzakelijk om al deze activiteiten uit te voeren om te worden aangemerkt als journalist. Een redacteur van een ingezonden brievenrubriek is naar mijn mening een journalist, maar zal niet gauw verdere informatie omtrent de brieven inwinnen. Een medewerker van Wikileaks zal dan weer geen journalist zijn: immers, hij verricht geen journalistieke handelingen en is louter een doorgeefluik van informatie zoals ook een hosting provider dat is. Dat soort instanties verdient wellicht een andere bijzondere bescherming, maar in ieder geval niet als journalist.

Het publieke debat

Het uitvoeren van journalistieke activiteiten is niet genoeg om als journalist te worden aangemerkt. Een meisje dat elke dag een foto van haar hamster op haar Facebook zet, zou dan in principe immers als journalist kunnen worden aangemerkt. Dat is echter in geen velden of wegen het uitvoeren van de taak als waakhond.

Daarom is naast het uitvoeren van journalistieke activiteiten een tweede criterium nodig: inmenging in het publiek debat. Inderdaad, een behoorlijk vage term. De invulling van deze voorwaarde zal per definitie zeer casuïstisch zijn.

Toch is deze voorwaarde nodig, omdat de journalist enkel in het publieke debat zijn rol als waakhond kan vervullen.  Het is aan de rechter om steeds te bepalen of een bepaalde uitlating in het publieke debat is gedaan. Hierbij kunnen aspecten als het belang van de uitlating, het belang van het onderwerp waarover de uitlating wordt gedaan en de openbaarheid en het bereik van de uitlating een rol spelen.

Ethiek

De oplettende lezer ziet dat het conformeren aan journalistieke mores of beroepsethiek niet zijn genoemd als voorwaarden om als journalist te worden aangemerkt. Minister Hirsch Ballin noemde dat in 2008 juist wel als voorwaarde om in aanmerking te komen voor journalistieke privileges. Maar is het voor het vervullen van de rol van de waakhond nodig om je te conformeren aan journalistieke ethiek? Is een site als GeenStijl van minder belang voor ons publieke debat of minder nuttig als waakhond van de overheid omdat ze zich niet altijd aan de codes van de Raad van de Journalistiek wenst te houden? Het antwoord daarop kan mijns inziens alleen ‘neen’ luiden.

Datzelfde geldt voor randcriteria waaraan de wetgever denkt mores of ethiek te kunnen ontlenen zoals het betaald verrichten van journalistieke activiteiten of het met een bepaalde frequentie verrichten van die werkzaamheden.

Natuurlijk, journalistieke ethiek kan van belang zijn wanneer journalisten en juristen elkaar in de rechtszaal ontmoeten. Daarbij denk ik vooral aan eventuele zaken omtrent smaad, laster of onrechtmatige perspublicaties en niet zozeer aan het redactiegeheim.

Het is te hopen dat nadat er een nieuw parlement is geïnstalleerd er eindelijk beweging komt in de decenniadurende weigering van de Nederlandse wetgever om journalisten hun recht op bronbescherming en geheimhouding toe te kennen. Daarbij zou men aansluiting moeten zoeken bij het goedfunctionerende Belgische systeem van bronbescherming waar eveneens inmenging in het publieke debat en het verrichten van journalistieke activiteiten centraal staan. Dat is de enige manier om te voorkomen dat zaken als de gijzeling van Koen Voskuil en de inval bij Sanoma opvolgers krijgen en om de vrije journalistiek in Nederland te beschermen.

Henk Strikkers behaalde in augustus zijn master Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit. Dit artikel is geschreven op basis van zijn masterscriptie ‘Wie is er nog journalist? Wie verdient er ten tijde van een netwerksamenleving en een informatiemaatschappij juridische bescherming als journalist?’.

Wie Is Er Nog Journalist

5 reacties

  1. Dit is een verstandige tekst, waaraan vreemd genoeg de uiteindelijke conclusie ontbreekt, al schemert die er wel doorheen. De vraag die de wetgever moet beantwoorden is niet wie bronbescherming verdient, maar wat.

    Omdat journalistiek geen beschermd beroep is (we vinden het grondrecht van vrije meningsuiting daarvoor te belangrijk), en omdat die journalistiek zo sterk veranderd is, moeten wetgever en ethici niet meer kijken naar de persoon van de journalist, maar naar zijn handeling: hoe hij journalistiek bedrijft en wat dat oplevert.

    De klassieke opvatting over journalistiek, zoals die ook doorwerkte in het wetsvoorstel van Hirsch Ballin, zoekt naar grenzen voor het recht op bronbescherming bij de persoon van de journalist. Hoe is hij opgeleid, of hij een professional is, voor een mediabedrijf werkt, zijn dagelijks brood verdient als journalist, en zich aan de mores van zijn beroepsgenoten houdt.

    Dat uitgangspunt is niet langer houdbaar. Al jaren niet trouwens, wat weer verklaart waarom het wetsvoorstel ook al weer jaren ligt te verstoffen. Wat niet wil zeggen dat een nieuw uitgangspunt – “journalistiek is een daad”, heb ik het al vaak genoemd – geen nieuwe dilemma’s met zich meebrengt.

    Want waaraan meet je af wat een journalistieke handeling is? Het moet over nieuws gaan, denk ik, en bijvoorbeeld niet over wetenschap of kunst. Het moet over journalistieke processen gaan als het vergaren en checken van nieuws, en dus niet louter het aggregeren ervan (wat Google doet). En het moet een rol spelen, zoals hierboven terecht wordt genoemd, in het publieke debat; een hamsterdagboek is iets anders.

    Dat zijn geen waterdichte criteria. Ze zijn onmiskenbaar vatbaar voor casuïstiek. So be it. Want sinds een jaar of tien geldt dat ook voor de klassieke norm (wie is journalist?).

  2. Geachte heer Henk Strikker,

    Naar aanleiding van uw artikel: ‘Wie verdient juridische bescherming als journalist?’ vraag ik u wie beschermd de Burger tegen de journalist?

    Het lijkt mij dat Burgers aanzienlijk meer bloot staan aan strafwaardige handels wijzen van Media ‘ gangsters’ , die opereren onder het mom van de journalistiek.

    zie: http://stevenbrownsblog.wordpress.com/2012/09/06/de-wereld-draait-door-maffia-ondervraagt-verdachte-ex-premier-mark-rutte-kan-het-nog-maffer/

    en zie: http://stevenbrownsblog.wordpress.com/2012/09/03/wordt-vara-directeur-frans-klein-bedreigt-of-gechanteerd-door-de-maffia/#more-7227

    ik ben zeer benieuwd naar uw mening in deze

    met vriendelijke groeten,

    ing. S.K.A. Brown

  3. Geachte heer Brown,

    Allereerst bedankt voor uw reactie op mijn artikel en daarna direct de opmerking dat dit niet exact mijn expertise is. Ik heb het laatste jaar vooral gekeken naar een andere relatie; de bescherming van de journalist ten opzichte van de staat. Uw vraag beziet de bescherming van de burger tegen de journalist. Ik voel me dan ook niet in staat om een antwoord te geven op uw vraag dat verder gaat dan oppervlakkigheden zoals dat er een mogelijkheid bestaat om journalisten aan te klagen wegens smaad, laster of een andersoortige onrechtmatige perspublicatie.

    Met vriendelijke groet,

    Henk Strikkers

  4. Een aardig stuk van Strikker, maar ik ben het principieel niet eens met een wettelijke regeling van bronbescherming. Ik schreef daarover in 2008 een opiniestuk in NRC Handelsblad: http://www.huubwijfjes.nl/upload/NRC-opinie-gijzeling.pdf
    Misschien hebben de NVJ en de politiek (die het toen nogal eens waren) het initiatief toen niet doorgezet. Ik denk: terecht, zeker gezien de fundamentele veranderingen in de journalistiek. Die maken het begrip ‘journalist’ nog onduidelijker. En vrijheid per wet regelen (en dus beperken), is nogal bedreigend.

  5. Een dergelijke opmerking van de heer Wijfjes verdient een antwoord.

    Vanuit een hoofdzakelijk praktische blik snap ik de reactie van de heer Wijfjes. De kans is namelijk groot dat de partijen die niet zoveel voelen voor een wettelijke regeling van het verschoningsrecht of het recht op bronbescherming (van oudsher de meer conservatieve partijen) en dat het uiteindelijk uitdraait op een slap compromis waar niemand bij gebaat is. Voor zover heeft de heer Wijfjes gelijk.

    Meer theoretisch gezien ben ik het niet met hem eens. Heeft de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van godsdienst namelijk onoirbare gevolgen voor eenieder die daar gebruik van wil maken? Heeft wettelijke vastlegging van het recht op betoging een negatieve uitwerking? Het lijkt me niet.

    Waarom ik wel voorstander ben van wettelijke vastlegging, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer in de in het artikel genoemde Sanoma-zaak) allerlei procedurele waarborgen eist. Het is praktisch onmogelijk en in strijd met onze normale wijze van regelgeving om dat soort procedures volledig door de rechterlijke macht te laten bepalen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Meer over Analyse (58 van 94 artikelen)
Frits Wester Emiel Roemer


Afgelopen zondag 26 augustus kruisten de lijsttrekkers van de grote partijen voor ...