Kaakslag voor de sportjournalistiek? (2)

Elke serieuze wielerjournalist had dolgraag renners onder ede willen interviewen

De ontmaskering van zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong als dopingzondaar, doet sommigen ook twijfelen aan de rol van sportjournalisten. Zo vroeg NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch zich op Twitter af: “Is het schandaal rond Armstrong niet dé ultieme kaakslag voor de sportjournalistiek? Zien, horen, zwijgen?” De Nieuwe Reporter legde die vraag voor aan enkele wielerjournalisten. Volgens Ad Pertijs hebben critici geen idee hoe de wielerwereld inelkaar steekt.

De combinatie ‘ultieme kaakslag’ – ‘horen, zien zwijgen’, suggereert dat de sportjournalistiek doelbewust heeft meegewerkt aan het onder de pet houden van bepaalde zaken. Als dat ook is wat Vandermeersch bedoelt, slaat hij wat mij betreft de plank helemaal mis.

De meeste wielerjournalisten in ieder geval hebben zich zeker sinds 1998 de vingers blauw getikt over het onderwerp doping. Daarbij zijn ze op de eerste plaats journalistiek te werk gegaan. Horen is vaak nog niet weten en alleen wat je weet als feit dien je als zodanig op te schrijven. Wat we zagen is zeker opgeschreven. De helft van het Usada-rapport bestaat juist uit eerdere (journalistieke) publicaties.

Zoete koek

Als Vandermeersch bedoelt dat alle ontkenningen van Armstrong voor zoete koek zijn aangenomen, geldt dat ook al niet voor het merendeel van de vakbroeders. Armstrong is door de journalistiek wel degelijk met grote regelmaat in het verdachtenbankje geplaatst.

En zoals in de rest van de wereld is iemand dan ook pas daadwerkelijk schuldig als dat bewezen is. Dat bewijs ligt er nu pas. Op een manier waarvan zelfs Herman Ram zegt dat hij bij lange na niet zoveel middelen heeft om een dergelijk onderzoek los te laten op bijvoorbeeld Michael Boogerd. Helaas heeft de gemiddelde wielerjournalist niet zoveel tijd en middelen om via onderzoeksjournalistiek achter dingen te komen waar zelfs de officiële autoriteiten niet toe in staat zijn.

De nuance van doping

Wat wielerjournalisten wel tegen hebben is hun grote kennis van de materie. Voor de massa is doping nog vaak de toverdrankketel van Asterix en Obelix. De zaak ligt uiteraard veel genuanceerder. Topsport is de wil om grenzen op te zoeken. Topsport is ook een ratrace geworden waarbij fairplay steeds meer onder druk komt te staan. Wie te soft is om tot de grens te gaan of wie niet nietsontziend in het grijze gebied van de ethiek de mazen van de wet opzoekt, wordt geen kampioen.

Wat ik er mee wil zeggen is dat de wielerjournalistiek de laatste decennia vooral uitvoerig dit krachtenveld heeft weten te beschrijven. De gemiddelde sportjournalist is niet verrast door het Usada-rapport. Omdat veel getuigenissen al eerder zijn gepubliceerd en omdat het hele verhaal logisch overkomt.

Journalisten keken niet andere kant op

Daarmee kun je echter niet stellen dat de sportjournalistiek de afgelopen jaren heeft geweigerd om het verhaal zelf op te schrijven. Iedere serieuze wielerjournalist had dolgraag net als Tygart renners als Leipheimer, Zabriskie en Hincapie onder ede willen interviewen. Dat renners dat tot dusverre weigerden lag niet aan de journalisten, die liever zwegen of de andere kant op keken.

Als Vandermeersch bedoelt dat in de sport niets is wat het lijkt, als het aankomt op resultaten, heeft hij in veel gevallen een  punt. Maar ook hier heb je dan de journalist nodig om aan te kunnen geven in hoeverre Armstrong als enige uit de toverdrankketel heeft gedronken.

Collega’s die de sportjournalistiek onderuit halen

Het begint op te vallen hoe graag collega’s uit een andere hoek plots de sportjournalistiek onderuit willen halen. We hadden sluwer te werk moeten gaan. Langzaam infiltreren in wielerploegen, slimme onverdachte vragen stellen enzo. Wie dat zegt weet niet hoe die wielerwereld in elkaar steekt. Die heeft juist tienduizenden voelsprieten om dergelijke belangstelling te weren.

Grappig, maar waarom heeft nog niemand van die andere vakbroeders bijvoorbeeld de liquidaties van Holleeder klip en klaar boven water gekregen? Gewoon eens langs gaan bij zijn vrienden. Af en toe een onverdachte vraag stellen, geduld hebben. Moet toch niet zo moeilijk zijn, neem ik aan als ik de heren hoor praten hoe sportjournalisten hun varkentjes moet wassen.

Begrijp me goed: bij wat Armstrong heeft geflikt past slechts afkeuring en verontwaardiging. Zo wordt het ook neergepend nu de bewijzen op tafel liggen. Maar geef nu niet plots de boodschapper de schuld alsof hij al die tijd onder een hoedje speelde met de wielerwereld. Juist niet. Vraag maar eens aan renners als Boogerd of Dekker wat voor een gruwelijk hekel ze hadden aan ‘journalasten’ die steeds weer vragen stelden over doping.

Lees ook
De andere afleveringen in de serie ‘Kaakslag voor de sportjournalistiek?’

Ad Pertijs –

Ad Pertijs is wielerverslaggever voor GPD en BN DeStem. Wordt per 1 november wielerman van de De Persdienst (van Wegener). Volgt de Tour (in koers) sinds 1996 en ziet de doping-Tour van 1998 als het journalistieke hoogtepunt van al die keren dat hij de ronde volgde.

Alle artikelen van Ad Pertijs op De Nieuwe Reporter.

  • Jos de Gruiter

    Altijd weer dat flauwe excuus dat critici geen idee hebben hoe de wielerwereld in elkaar steekt. Mensen die zich over dit onderwerp uitspreken zijn doorgaans zeer goed op de hoogte.
    Het zal kloppen dat wielerjournalisten deel uitmaken van redacties waar geen ruimte wordt geboden voor diepgaand onderzoek, maar een man als Smeets heeft wel tijd om minstens één boek per jaar af te scheiden en in diverse media columns te vullen. Die tijd zou ook anders besteed kunnen worden.