Een nieuw fonds voor de media (4)

Maak meer ruimte voor experimenten met crossmediale journalistiek

In ons land bestaan sinds jaar en dag dertien regionale publieke omroepen, één per provincie, met uitzondering van Zuid-Holland,  dat het dichtstbevolkt is en er twee mag hebben. Deze indeling is gebaseerd op historische groei en heeft weinig van doen met de sociale- of economische werkelijkheid, laat staan met oriëntatiepatronen van Nederlandse inwoners – met weer als goede uitzondering de provincie Zuid-Holland.

Deze omroepen worden gefinancierd op grond van de Mediawet 2008, waarbij het Rijk jaarlijks de afgesproken middelen stort in het provinciefonds en daarbij een overeengekomen percentage indexeert.  Op deze manier is het de bedoeling dat een kwalitatief en kwantitatief niveau wordt gehandhaafd en de omroepen hun mediawettelijke taak (ze hebben allemaal ook de formele status van calamiteitenzender, bijvoorbeeld) kunnen realiseren.

Diefstal

Dit ogenschijnlijk heldere model wordt momenteel overigens door tien provincies met voeten getreden door – al dan niet voor- genomen – bezuinigingen. Deze provincies proberen geld dat zij van het Rijk voor de omroepen ontvangen, tegen de letter en de geest van de Mediawet in, om te buigen naar andere doelen. In de grote stad heet zoiets diefstal; in de hedendaagse regionale politiek ‘effciencykorting’. De rechter mag uitmaken welke term de juiste is.

Of de rechter dit nu wel of niet toestaat, een en ander zal schadelijke gevolgen hebben voor de moeizaam verworven positie van de regionale omroep. Want ook al krijgen die omroepen uiteindelijk gelijk, in de periode tot aan de uitspraak dienen zij bedrijfseconomische maatregelen te nemen voor het geval ze het gelijk niet aan hun kant krijgen. Zulke maatregelen zijn terug te zien in programmering, daarmee in bereikcijfers en in reclame-inkomsten en daarmee in broodnodige investeringsmogelijkheden. Een klassieke neerwaartse spiraal.

Veranderende nieuwsconsumenten

En dat in een periode waarin er in het medialandschap en in het mediagebruik van consumenten veel verandert. De traditionele positie van de journalist in zijn ivoren toren, die wel wist wat goed was voor de nieuwsconsument, ligt achter ons. Tegenwoordig maken we verhalen niet alleen voor, maar ook met mensen. Journalisten zonder een groeiend netwerk in de veranderende samenleving zullen in de toekomst kansloos worden in hun vakgebied, verwacht ik.

De distributiekanalen waarlangs die inhoud bij nieuwsconsumenten wordt bezorgd, zijn ook volop in beweging. Traditionele mediumtypen moeten hun in de vorige eeuw bedachte deadlines steeds meer loslaten en dienen zich te mengen met nieuwe media, waardoor nieuwsproducenten in feite worden gedwongen om hun productiewijze daarop aan te passen, daarbij de interactie niet schuwend.

Regie bij de consument

Dat alles betekent méér doen met hetzelfde – of zelfs: kleinere – budget, en steeds méér tegemoetkomen aan de behoefte van de mensen waar we het allemaal voor doen. Niet de media zullen uiteindelijk bepalen wie ergens behoefte aan heeft, en wanneer, maar de consument, die steeds meer de regie over zijn eigen kijk- en luistergedrag opeist.

Publieke media ontlenen daar hun legitimatie aan. Zij kunnen bestaan door de politieke keuze dat het democratische proces bewaakt dient te worden door kwalitatief geschikte en onafhankelijke journalisten, zonder winstoogmerk, volledig ten dienste van het publiek. Dat publiek is hier dus doel; bij commerciële media mét winstoogmerk is het in feite een middel. Ziedaar het principiële verschil tussen beide actoren.

Samenwerking

Dat laatste is snel gezegd. Er dienen zich ondertussen steeds meer voorstanders van verdere samenwerking tussen publieke en private media aan, bijvoorbeeld tussen regionale dagbladen en dito omroepen. Uit bedrijfsmatig oogpunt is deze suggestie begrijpelijk; de journalistieke populatie kalft immers al jaren af en dat vormt een bedreiging voor de continuïteit van deze mediumtypen.

Toch twijfel ik steeds meer aan de haalbaarheid van dergelijke samenwerking, zolang de business-modellen van publiek en privaat zo wezenlijk blijven verschillen. De huidige Mediawet verzet zich bovendien nog tegen dergelijke samenwerking, hoewel tijdelijke proeftuinen worden gedoogd.

Daarnaast hebben de verschillende aanbieders van regionale printmedia er verschillende ideeën over, waardoor er regio’s zijn (bijvoorbeeld de onze, Rijnmond) waar het regionale dagblad niet geïnteresseerd is in een dergelijke samenwerking. Bouw dan maar eens een landelijk dekkend systeem van zogeheten mediacentra, waarin printmedia en regionale omroepen schouder aan schouder het onmogelijke mogelijk maken. De zoektocht naar relevante strategische partners is dus nog niet ten einde.

Inlijving bij de landelijke omroep

Een andere politiek gewenste vorm van samenwerking is die tussen landelijke en regionale publieke omroep. Recent is veel tijd geïnvesteerd in gesprekken om de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. Al gauw blijkt dan dat het gaat over macht. Hoewel het verleidelijk is om nog eens te onderzoeken of financiering van de regionale omroep bij de landelijke overheid wellicht in betere handen is, wordt dat streven al snel gekoppeld aan het inlijven van de regio bij de landelijke publieke omroep.

Het succes van de regionale omroepen is juist te danken aan de huidige organisatievorm, die snel handelen dichtbij de eigen doelgroep mogelijk maakt, in plaats van de tijdrovende procedures die Hilversum nog steeds kenmerken. Overigens zijn er gelukkig ook goede effecten van deze toenadering vast te stellen, zie bijvoorbeeld ‘Uitzending gemist’ met een regionale button.

Gezamenlijk investeren

Ik blijf daarom voorstander van verdere samenwerking tussen de drie publieke lagen in ons omroepmodel – landelijk, regionaal en waar mogelijk lokaal – onder het motto: ‘Eén publieke microfoon per nieuwsitem in de eerste lijn van nieuwsgaring’.Dat veronderstelt: gezamenlijke investering in journalistieke kwaliteit, gekoppeld aan nieuwe productiewijzen, in goede afstemming met het hoger beroepsonderwijs.

En, niet als laatste, in een jaar of vijf durven toegroeien naar één gezamenlijk technisch platform, al is het alleen maar regionaal. Die schaalgrootte levert dan voordeel op bij Europese aanbestedingen.

Een nieuw fonds

Een laatste vorm van samenwerking is die met het Mediafonds. Waar het gaat om het in Nederland zo langzamerhand bedreigde genre documentaire speelt het een belangrijke rol. Met steun van het fonds zijn inmiddels vele regionaal relevante producties mogelijk gemaakt, die zich steevast in mooie kijkcijfers mogen verheugen. Het ligt in de toekomst besloten of dat zo kan blijven.

Nieuwe denkbeelden zijn hier in opkomst, bijvoorbeeld over fusie met het Stimuleringsfonds voor de Pers. Wat er ook uit moge komen, belangrijk is dat nieuwe vormen of productiewijzen van journalistiek de kans krijgen zich verder te ontwikkelen en dat er meer ruimte komt voor experimenten ter stimulering van (crossmediale) journalistiek, zonder bestaande waardevolle genres te veronachtzamen.

Toekomst

De publieke omroep heeft niet het monopolie op goede journalistiek; het is een gegeven dat de gemeenschap over meer kennis beschikt dan de slinkende journalistieke beroepsgroep. De journalistiek zal daarom wegen moeten vinden om meer van die gemeenschappelijke kennis gebruik te maken, zonder zijn onafhankelijkheid te verliezen. Hij zal zich moeten onderscheiden in het mediabombardement: actueel en vooral dichtbij de mensen. De journalistiek moet hun aandacht verdienen.

De functie van regionale omroepen zal zich – onder het voorbehoud van adequate en consistente fnanciering en behoud van de calamiteitenfunctie – verder ontwikkelen van zender naar informatie- en communicatieplatform. De overdracht van regionale cultuur en de registratie van regionale live-evenementen zullen steeds belangrijker worden.

Strategische partnerships zullen de worteling in het eigen uitzendgebied moeten versterken en beleidsmakers zullen er vrede mee moeten hebben dat traditionele bereikcijfers op radio en televisie zullen dalen tegenover een sterk stijgend bereik via andere distributieplatforms, waarbij mobiele telefoons en tablets voorop zullen lopen. Televisie via internet gaat belangrijk worden en daarmee ook het verwerven van een positie in het aanbod van distributeurs. Ook ingewikkelde rechtenkwesties spelen daarbij een rol.

Regionale publieke omroepen hebben een rol te vervullen ter voorkoming van een nieuwe tweedeling in de maatschappij: zij die wel en zij die geen toegang hebben tot interactieve platforms. Maar bovenal moeten zij bespreekbaar blijven maken wat bespreekbaar moet worden gemaakt, vanuit een sterke merkpositie die het vertrouwen geniet van het publiek.

Lees ook
Eerdere afleveringen in deze serie over een nieuw fonds voor de media.

Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds. 609 vroeg 9 deskundigen naar hun visie op een nieuw fonds voor de media. DNR zal deze week 5 van deze afleveringen publiceren. Alle 9 visies zijn terug te vinden in 609, waarvan een pdf is te vinden op de website van het Mediafonds.

Documentatie over de fusie is hier te vinden.

Eric Wehrmeijer

Eric Wehrmeijer is directeur van RTV Rijnmond.

Alle artikelen van Eric Wehrmeijer op De Nieuwe Reporter.