nieuwefonds

Een nieuw fonds voor de media (2)

Niet nieuwsbedrijven, maar journalistiek steunen

‘Mediabeleid’ was in Den Haag decennialang synoniem met ‘Publieke Omroepbeleid’. In de belevingswereld van het gemiddelde kamerlid, maar ook van het departement van OCW, zijn er twee werelden: een publieke omroep, met een belangrijke taak op cultureel, informatief en maatschappelijk terrein, en een commerciële pers, waar Den Haag zich vooral niet mee zou moeten bemoeien. Daar moeten ze het maar doen met een laag btw-tarief voor printproducten en een bescheiden twee miljoen per jaar aan ‘stimuleringsgelden’.

Als een dergelijke tweedeling in mediabeleid al ooit te rechtvaardigen was, dan nu toch niet meer. Tot de eeuwwisseling kon de pers zichzelf goed bedruipen en tegelijkertijd een waardevolle publieke functie vervullen; door een gestaag verlies aan advertentie-inkomsten en betalende abonnees gaat de publieke meerwaarde van commerciële nieuwsmedia op steeds meer plekken verloren.

Om de rendementen toch overeind te houden, wordt er fors gesneden aan de kostenkant, en die kostenfactoren, dat zijn de redacties, die voor eigen nieuws zorgen. Met kleinere redacties komt de krant ook wel vol, alleen wordt het nieuws daarmee veel meer gestuurd door agenda’s van anderen dan de onafhankelijk werkende en onderzoekende journalist. Kant-en-klare persberichten bereiken vaker de krant, gedegen eigen onderzoek blijft achterwege.

Bredere scope voor mediabeleid

De komst van digitale media heeft voor een belangrijk deel gezorgd voor deze teloorgang van traditionele nieuwsmedia. Advertentiebudgetten zijn naar de digitale markt verhuisd en nieuws is in de perceptie van de gebruikers gratis geworden.

De digitale media hebben echter nog niet voor een volwaardig publiek journalistiek substituut kunnen zorgen. Het befaamde business model hiervoor ontbreekt nog altijd. Daarom vraagt mediabeleid inmiddels wel degelijk om een bredere scope dan het overeind houden van de publieke omroep.

Daarbij moet goed worden bezien welke publieke maatregelen het gewenste effect sorteren. Het ondersteunen van de publieke journalistieke functie zou dichter bij de daadwerkelijke maker daarvan moeten komen te liggen. Een publieke bijdrage aan het rendement van (buitenlandse) mediabedrijven zonder dat dit noemenswaardig een publieke functie borgt, kan niet de bedoeling zijn.

Regionale journalistiek onder druk

Met dit vertrekpunt probeerde ik op 23 mei jl. de Tweede Kamerleden in Den Haag wakker te schudden. De NVJ maakt ze graag bewust van het feit dat er wel degelijk een actief, goed overwogen breed mediabeleid gewenst is om de publieke functie van de journalistiek overeind te houden.

Ik zei toen, onder meer: Het riegelt in Den Haag van de journalisten. Voor elke fractiedeur staan bij een opstootje tien camera’s en twintig journalisten. De Elfstedentocht, – die nooit kwam – is zeker door 50 verschillende nieuwsmedia van alle kanten belicht, dus over welk probleem hebben we het hier? Er is toch een enorm aanbod aan websites, gratis (huis-aan-huis) kranten, tv-kanalen? En er wordt ook nog eens geld mee verdiend, dus waarom hier publieke middelen aan besteden?

Een eenvoudig antwoord: omdat de controlerende, onderzoekende functie van de journalistiek met name regionaal en lokaal ernstig onder druk staat en de regionale omroep hier niet in voorziet.

Titels worden lege huls

Na een fusiegolf in de jaren negentig staan de meeste regionale en lokale titels nog wel overeind, maar de huls wordt steeds leger. Het belangrijkste regionale krantenbedrijf Wegener heeft in tien jaar tijd haar redacties gehalveerd, van 2000 naar 1000 journalisten en gaat hier de komende periode gestaag mee door. Er bestaat nog steeds een regionale krant, maar met minder eigen nieuws, minder aanwezigheid in de lokale politiek en regio, kortom: de controlerende en signalerende kracht gaat verloren, terwijl deze functie niet wordt overgenomen door digitale substituten. Er zijn wel lokale initiatieven, maar die kunnen nog nergens een professionele redactie bekostigen en blijven dus hangen in het rondpompen van dezelfde informatie.

Het meest pijnlijk is het probleem in nieuwe steden, zoals Almere, waar bij de gemeente een korps van 60 communicatiemedewerkers werkt, maar geen krant en redactie meer te vinden is, die zich richt op de stad. Lokale misstanden blijven gewoon bestaan, omdat de gemeente via haar eigen communicatiekanalen en persberichten mooi weer kan spelen. Het probleem is niet het verdwijnen van titels of papier, maar het verdwijnen van publieke functies. Daar zou de overheid haar beleid op moeten richten. De overheid moet actiever nadenken over de manier waarop zij deze belangrijke publieke functie, met name lokaal en regionaal, kan stimuleren en overeind houden.

Oplossingen?

1. Meer fondsvorming voor journalistieke projecten.
Meer gerichte steun voor het overeind houden of initiëren van onderzoeksjournalistieke projecten op lokaal en regionaal niveau, waarvoor individuele journalisten, lokale kleine websites, nieuwsbladen en regionale dagbladen in aanmerking zouden moeten kunnen komen. Een nieuw platformonafhankelijk journalistiek fonds zou een ruim budget moeten krijgen voor journalistiek onderzoek en datajournalistieke projecten, arbeidsintensieve functies met een democratische meerwaarde.

Bij innovatie zou niet zozeer moeten worden gekeken naar technologische innovatie – daarvoor kan het bedrijfsleven terecht bij Economische Zaken – maar vooral naar sociale, inhoudelijke innovatie; het stimuleren van nieuwe vormen van journalistiek werken en de daarbij behorende opleidings- en bijscholingstrajecten.

2. Communicatiebudgetten overheid naar advertenties in onafhankelijke media
De communicatiebudgetten van de overheid gaan nu grotendeels op aan eigen communicatiemedewerkers en eigen communicatiekanalen, terwijl de overheid de burger serieuzer zou nemen als zij die taak voor een belangrijk deel door onafhankelijke partijen zou laten vervullen. De overheid is er zeker mede debet aan dat de verhouding journalist vs. voorlichting zo uit het lood is geschoten. Op elke journalist zijn tussen de 5 en 10 communicatiemedewerkers werkzaam, zo hebben UVA-onderzoekers vorig jaar vastgesteld. Defensie heeft enorme budgetten voor eigen videokanalen, fotografen, tekstschrijvers, die direct publiceerbaar materiaal aan de pers verstrekken. Vroeger noemden we dat propaganda.

3. BTW-verlaging ook digitaal
Drempels om journalistiek werk te verrichten moeten laag worden gehouden; ook daar gaat een stimulans vanuit. Een laag btw-tarief, juist ook digitaal, is dus waardevol, want maakt informatie goedkoper beschikbaar. Daar mag best een voorwaarde van redactionele onafhankelijkheid aan gekoppeld worden.

4. Onderzoek naar machtsverhoudingen
Tenslotte zou de overheid de kansen om te kunnen verdienen met inhoud moeten vergroten, door kritisch de geldstromen en machtsverhoudingen in de digitale markt tegen het licht te houden. In de huidige transitieperiode is het namelijk bijna niet lonend om inhoud te verschaffen, terwijl het distribueren en verpakken van die inhoud (telcoms, Apple, providers) zeer lucratief is. Een gedegen onderzoek op dit terrein naar machtsverhoudingen zou op zijn plaats zijn, zodat de overheid zonodig hierop meer kan sturen.

Lees ook
Eerdere afleveringen in deze serie over een nieuw fonds voor de media.

Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds. 609 vroeg 9 deskundigen naar hun visie op een nieuw fonds voor de media. DNR zal deze week 5 van deze afleveringen publiceren. Alle 9 visies zijn terug te vinden in 609, waarvan een pdf is te vinden op de website van het Mediafonds.

Documentatie over de fusie is hier te vinden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>