‘Verleuking’ van nieuws: teken des tijds of de hand van de hoofdredacteur?

Het afgelopen jaar is de discussie weer eens opgelaaid of het NOS Journaal niet ‘te leuk’ wordt.  De hoofdredacteur van het NOS Journaal zit steeds opnieuw in het defensief over deze veronderstelde koerswijziging naar een ondraaglijke lichtheid. Twee voormalige hoofdredacteuren, Hans Laroes en Nico Haasbroek, hebben onlangs beide een boek gepubliceerd waarin ze hun visie op de journalistiek neerleggen. Huub Wijfjes vergeleek ze, onder meer zoekend naar hun visie op ‘leuk’.

Het afgelopen jaar is de discussie opgelaaid of het NOS Journaal niet ‘te leuk’ wordt.  Het schattige loopje van de presentatoren, de niksige maar vermakelijke berichtjes aan het einde, een speelgoedolifantje om de verkiezingsrace in Amerika te verbeelden, het shownieuws over scheidingen en ruzies rond celebrities prominent gebracht, het zijn allemaal zaken die bij sommige kijkers hevige verontwaardiging wekken.

Klachten over verleuking, trivialisering en verkleutering vliegen over de opiniepagina’s en de weblogs. De hoofdredacteur van het NOS Journaal zit elke keer in het defensief over deze veronderstelde koerswijziging naar een ondraaglijke lichtheid.

Trend naar verleuking of incidenten?

Of verleuking werkelijk als een trend in het hele NOS Journaal aanwijsbaar is, is bepaald nog niet aangetoond. Het kan ook gaan om een paar tot de verbeelding sprekende incidenten en ongelukkige experimenten, die het zicht op een structurele onveranderlijkheid van het Journaal ontnemen. En of het de ondergang van het serieuze nieuws inluidt, zou ook kunnen worden betwist.

Met goed fatsoen kan men ook zeggen dat het 56-jarige Journaal probeert zich een beetje aan te passen aan de wensen van een veranderend publiek. Want dat publiek heeft overal bij mediaconsumptie behoefte aan wat lichter, beeldender en smeuïger gebracht nieuws. De klacht over verleuking treft bijvoorbeeld ook de Volkskrant en NRC Handelsblad, misschien nog wel heftiger dan de NOS.

Het gesprek van de dag

Hoofdredacteur van NOS Nieuws Marcel Gelauff verdedigt zich onvervaard met een verwijzing naar het belang van het gesprek van de dag, waaraan het Journaal nu eenmaal niet voorbij kan gaan. Dat deden zijn voorgangers eigenlijk ook want het NOS Journaal is al decennia het best bekeken televisienieuwsprogramma van Nederland, zeker als je alle afgeleide edities meetelt die van de vroege morgen tot de late avond in allerlei mediaplatforms op ons afkomen. Want het Journaal – of beter: NOS Nieuws – gaat driftig met de nieuwe tijd en de nieuwe technologie mee. En dan sluipt de leukigheid er af en toe ook in, onvermijdelijk.

De klacht over triviale inhoud en leuke vorm is bepaald ook niet nieuw. Leuke en gekke nieuwtjes zaten al in het allereerste Journaal in januari 1956 (toen domineerde het zelfs het bulletin) en een geinige, luchtig gebrachte uitsmijter is altijd een onderdeel geweest.

Onder de voorganger van Gelauff, Hans Laroes, opende het Journaal ooit driemaal met de onthullingen van misdaadverslaggever Peter R. de Vries over het wangedrag van het pooierige lefgozertje Joran van der Sloot. Laroes, die een jaar na zijn vertrek bij de NOS zijn terugblikken en visies te boek heeft gesteld, concludeert nu dat zoiets eigenlijk niet te rechtvaardigen was omdat Joran niet stond voor een maatschappelijke misstand en ‘niets zegt over de wereld waarin we leven’.  Maar de NOS moest mee in wat Laroes noemt, de overdrijving die in een 24 uur nieuwswereld ontstaat.

Serieus nieuws krijgt het moeilijk

Met de kennis van nu stelt Laroes vast dat er steeds meer nieuws komt, maar de daaruit voortvloeiende concurrentieslag maakt dat nieuws ook eenzijdiger. Serieuze inhoud, zoals beleidsvraagstukken en buitenland, krijgen het moeilijker.

Het komt ook omdat de televisie en het internet onvoorstelbaar veel ruimte geven aan zgn. ‘pundits’, mensen (veelal mannen) wiens enige kwaliteit het is om scherp geformuleerde meningen te geven over alles. Deze deskundige weten nergens werkelijk iets vanaf, maar nemen alles en iedereen de maat over de zaken van de dag. En je hebt nu eenmaal sneller en makkelijker een mening over simpele en menselijke zaken dan dat je zorgvuldig gecontroleerde feiten over ingewikkelde kwesties brengt.

Doelgerichte keuzes van het Journaal

Als analyse is dit aardig gevonden, maar pleit dat de verantwoordelijkheid van de baas van het Journaal vrij? Je zou kunnen zeggen dat het Journaal niet simpelweg en marginaal is meegegaan in het voeden van de lichte publiekswensen, maar de afgelopen tien jaar enkele doelgerichte en fundamentele keuzes heeft gemaakt die automatisch leiden tot een zekere ‘verleuking’.

Onder Laroes was de beleidslijn immers: ‘we moeten de focus verleggen van de staat naar de straat’. Bij de berichtgeving moest de redactie minder gericht zijn op het optekenen en duiden van wat de autoriteiten dreef, maar vooral het vizier richten op de mensen die in hun alledaagse omgeving in aanraking kwamen met wat die autoriteiten deden.

Deze koerswijziging leek noodzakelijk na de opkomst van Fortuyn en diens mobilisering van een groot ontevreden electoraat. Die kwaaie kiezers kwamen blijkbaar niet aan hun trekken en daarmee had het Journaal misschien wel de grootste maatschappelijke en culturele verschuiving van de laatste halve eeuw gemist. Laroes en zijn getrouwen hebben met een rechte rug en overtuiging de koers verlegd en het resultaat is geleidelijk te zien geweest.

De vete Haasbroek-Laroes

Op zichzelf is dat een knappe prestatie, want het sturen van een troep eigenwijze journalisten in een andere richting behoort tot de moeilijkste opgaven in deze wereld.

In dit verband is het een aardige samenloop van omstandigheden dat de voorganger van Laroes, Nico Haasbroek, ook een boekje heeft gepubliceerd over de nieuwe journalistiek die volgens hem noodzakelijk is om te overleven in de nieuwe cultuur. Haasbroek en Laroes leven nog steeds in een vage vete sinds Haasbroek in 2002 tamelijk hardhandig door zijn redactie (met als coming man Hans Laroes) werd afgeserveerd als een mislukking. Haasbroek wilde ook vernieuwing – daar was hij zelfs voor binnengehaald in 1996 – maar zijn eigenzinnige en impulsieve gedrag liet eerder een kloof met de redactie ontstaan dan dat het een voedingsbodem voor structurele vernieuwing schiep.

De ware journalist

Het is natuurlijk ook de meest diepgravende en moeilijkst te beantwoorden vraag in de journalistieke geschiedenis of de ware journalist kan worden gemaakt (in een structuur of met beleidsmaatregelen) of gewoon bestaat.

Aanhangers van de laatste opvatting geloven dat journalistiek een levenshouding is, een mentaliteit of talent dat overal en altijd kan functioneren. De journalist is simpelweg een nieuwsgierig mens die bereid is op zijn gevoel de wereld te begrijpen.  Het vraagt om onconventionele en onverschrokken mensen die het lef hebben op pad te gaan om de verhalen te vertellen die ertoe doen. Niets of niemand kan hen stoppen in hun ultieme vrijheidsdrang en gelukkig stelt de moderne technologie hen steeds meer in staat allerlei beknellingen af te schudden. Ieder maakt zijn eigen nieuws en probeert direct het publiek te bereiken dat belangstelling heeft. Daar zijn geen structuren voor nodig; dat zijn eerder belemmeringen voor de ultieme journalistiek.

Het is zo’n beetje de denkwereld van Nico Haasbroek.

Redactionele structuren

Maar aan de andere kant staan mensen die de praktische beperkingen zien waarmee de gemiddelde journalist dagelijks geconfronteerd wordt. In tijden van grote spanningen zijn er velen die journalisten naar het leven staan of willen beïnvloeden. Wil de journalistiek overeind blijven in die permanente conflicten, dan moeten er stevige structuren zijn. Kranten, omroepen en alles wat daar organisatorisch bij hoort, zijn noodzakelijk om enige bescherming in de dagelijkse jungle te bieden, maar ook om een economische basis onder de journalistieke praktijk te leggen, waarop het nieuws kan bloeien. Zonder structuur is vrijheid onmogelijk.

Het is zo’n beetje de denkwereld van Hans Laroes.

Hyperindividuele journalistiek

En beide heren hebben nu dus hun gedachten aan papier toevertrouwd. Het boek van Laroes is een overzicht van opvattingen op basis van zijn ervaringen in de journalistiek, noem het toekomstgerichte memoires.

Haasbroek deed zoiets al eens eerder in het boek Journaaljaren uit 2004 (zie mijn recensie daarvan). De basis van zijn nieuwe boek is een bundeling van beschouwingen die hij eerder publiceerde, voornamelijk op het VARA-weblog Joop.nl. Maar misschien is ‘beschouwing’ een verkeerd woord; zijn boek is meer een pleidooi voor de nieuwe, hyperindividuele en interactieve journalistiek. En Nico geeft zelf het goede voorbeeld. In augustus 2012 is hij de wereld afgereisd op zoek naar zijn nieuws.  Het voerde hem naar Zuid-Afrikaanse mijnen, Benin, maar ook Gent en New York.

Machtsstrijd

Als je de boeken van Laroes en Haasbroek leest in het licht van hun controverse, dan wordt de journalistiek gereduceerd tot een simpele machtsstrijd. Die indruk heeft Haasbroek in zijn terugblik op de NOS-periode zeker ook willen wekken door zijn gedwongen vertrek te verklaren uit de onstuitbare drang van Laroes om stoelpoten door te zagen.

Laroes heeft dat altijd ontkend – en dat doet hij ook nu weer in zijn boek. Volgens hem heeft Haasbroek ruim de kans gehad zich te manifesteren, maar was het gebrek aan praktische zin  en een overdaad aan onbegrijpelijke acties voor de redactie niet meer aanvaardbaar. “Het lijkt erop dat hij niet precies eet hoe een idee vertaald moet worden in en concreet besluit en omgezet kan worden in voor de redactie hanteerbare voorbeelden en stappen. (…) Haasbroek lijkt te vinden dat een redactie dat zelf maar moet uitzoeken, als ze definitief volwassen wil zijn.”

De noodzakelijke fundamenten van het vak

Maar buiten deze machtstrijd en botsing van karakters is het opvallend te noemen dat beide heren het eigenlijk roerend met elkaar eens zijn over de noodzakelijke fundamenten van het vak. Nieuwsgierigheid, kritische onafhankelijkheid en hardnekkige vasthoudendheid zijn de basis van alles. De rest is invulling in de praktijk; een praktijk waarin beiden heel veel zien in de journalistieke en verbindende kracht van nieuwe sociale media.

En ook een praktijk waar ‘leuk’ voor beiden wezenlijk is, zij het dat ze er weinig woorden aan vuil maken. Bij Haasbroek is het begrip ‘leuk’ totaal verpersoonlijkt: hij wil altijd leuk zijn in een leuke omgeving met leuke gebeurtenissen. Voor Laroes is het meer een noodzakelijk kwaad om het publiek te binden; het is geen kwestie waar hij in zijn boek uitgebreid bij stil staat. Dat doet hij wel bij de serieuze kanten van het NOS Nieuws, zoals de berichtgeving van de Afrikaanse lente en de Wikileaks-onthullingen (die eigenlijk niet zoveel bleken te onthullen).

Zeer interessant allemaal, en voor aankomende journalisten geweldige leerstof, maar waar die verleuking nu vandaan komt en heen gaat? ‘Leuk’ verdient zo langzamerhand een serieuze beschouwing, zeker als het gaat om de vraag of journalisten naar verleuking worden gestuurd door de technologie, het publiek of gewoon de hoofdredacteur.

Huub Wijfjes

Huub Wijfjes (1956) is mediahistoricus en verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is auteur van meerdere boeken en artikelen over (media)geschiedenis en journalistiek, waaronder: Journalistieke Cultuur in Nederland (samen met J. Bardoel, F. van Vree en C. Vos; Amsterdam University Press 2002) en Journalistiek in Nederland 1850-2000. Beroep, organisatie en cultuur (Boom Uitgevers 2004). In september 2009 heeft hij een multimediaal mediahistorisch project afgerond over de omroepvereniging VARA. Sinds maart 2011 is hij lid van de Commissie van Deskundigen van de Raad van Toezicht NOS.

Alle artikelen van Huub Wijfjes op De Nieuwe Reporter.

  • Paul Disco

    Ik onderschrijf de mening dat de term verleuking wetenschappelijk dient te worden gestaafd. Het zou de discussie uit de borrelhoek halen om objectief te kunnen beoordelen of verleuking erg is of niet. Lijkt me op zich niet zo moeilijk om dat voor dagbladen uit te zoeken. Die zijn goed gearchiveerd en redelijk ver terug gedigitaliseerd. Waarom niet een semantische analyse van dagbladen van 1980 versus nu?

  • Alexander Pleijter

    Wat bedoel je precies met semantisch analyse? Ik kan me voorstellen dat zo’n analyse vanaf 1980 een forse klus is, of niet?

  • Paul Disco

    Met semantische analyse bedoel ik met behulp van een computer de betekenis van teksten analyseren. Maar we zouden ook al heel snel kunnen vaststellen of artikelen over de jaren langer of korter worden en of er meer of minder in de krant staat.
    Ik ben ook benieuwd of het gebruik van bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden is veranderd en welke woorden dat dan zijn. Zijn mensen bijvoorbeeld vaker ‘woedend’, ‘verbijsterd’ en ‘geschokt’?
    Maar het mooist is het natuurlijk als je echt de betekenis van artikelen kunt achterhalen. Dan kun je meten of de inhoud ‘verleukt’.

    Ik heb zelf lang geleden gratis software gebruikt voor simpele semantische analyse. Om te zien hoe teksten van de Beatles en The Beach Boys verschillen. En uit die tijd staat me bij dat ook in Nederland semantische analysesoftware is ontwikkeld.

  • “Wie kijkt er nog naar het Journaal, iedereen heeft toch internet?” zou de hedendaagse variant moeten zijn van deze one-liner die ooit door een radioman werd bedacht, met de krant als achterblijvend medium.
    Het Journaal is al jaren een suffige nieuwsuitzending met voorspelbare onderwerpen, wanhopige leukigheden en een gezagsgetrouwe toon. Je kan hoogstens zeggen dat het onder Gelauff nog suffer is geworden. “Het gesprek van de dag”, is zo’n kreet waarachter journalisten zich verschuilen bij gebrek aan eigen journalistieke agenda. Wiens gesprek van de dag? Niemand heeft het toch over het aftreden van de paus behalve DWDD, het Journaal en acht pagina’s katholiek dagblad De Volkskrant?
    Wie kijkers naar het Journaal of lezers naar de krant – in welke fysieke gedaante dan ook – wil trekken, zal zich moeten uitputten in goede en diepgravende journalistiek. Dat is moeilijk genoeg.

  • Waar de verleuking vandaan komt lijkt me duidelijk: meer aanbod en minder noodzaak om te kijken. De vraag wiens ‘schuld’ het is, lijkt me minder relevant, dan de vraag welke koers je wilt varen: betere kijkcijfers, of betere berichtgeving?

  • Timon Ramaker

    Mooi artikel, leuk om aan de hand van deze twee boeken en denkwerelden/mindsets de verleuking te analyseren. De kunst is ‘natuurlijk’ om de twee mindsets te combineren: zicht op kernwaarden van het vak en dat je houding laten vormen én zicht op veranderende context van waaruit je zoekt naar nieuw rol. Dat vraagt bereidheid tot professioneel leren, bijv. om meer dan voorheen samen te werken. De journalistieke waarden veranderen niet zozeer, de journalistieke cultuur wel.

    @Gerard Smit: Oorzaak zit in veel meer dan economie, denk aan sociaal-culturele veranderingen, samengevat: opkomst belevingscultuur (Gerhard Schultze). In contact met studenten spreek ik met SCP vaak over de 5 I’s, die hier relevant zijn: individualisering, informatisering, informalisering, intensivering, internationalisering.

  • Theo van Stegeren

    Mooie recensie, Huub

  • Eigenlijk mag ik van mezelf niet op recensies reageren, maar ja, na Rob Wijnberg in een recenter artikel hier durf ik ook. Voor de verheldering:

    Voor mij is het woord ‘leuk’ niet zo relevant in de (mijn) journalistiek. Daarom komt het begrip nauwelijks in mijn boek voor.

    Omdat de discussie over ‘leuk’ desondanks eeuwig is, nog iets mbt mijn voorganger. Hem werd verweten het Journaal te willen ‘opleuken’. Wij spreken over de jaren negentig. In zijn voordeel zij opgemerkt dat hij dat woord nooit heeft gebruikt.

    Voor mij is toegankelijkheid een veel relevanter begrip. Toegankelijkheid: complexe materie zodanig vertalen binnen de grenzen van een massamedium dat de tv is, dat helderheid en begrip ontstaan, en relevante en context niet verloren gaan.
    Daar hoort ook bij een discussie over de bronnen waaruit je kiest. Ik vond destijds de journalistiek (en dus ook het Journaal) te zeer gericht op de instituties, de officiële agenda’s. Ook daarbuiten zijn er verhalen te vinden en te maken. Dat is iets anders dan simpelweg ‘voxpoppen’; dat is mensen serieus nemen in hun wereld en in hun ervaring. Daarbij geldt de wet die mijn collega Rene Went ooit formuleerde: ‘Niet de Wil maar de Wereld van de kijker’ is daarbij van belang.

    Ja, gut ja, en soms is er wel eens iets dat in de categorie ‘leuk’ past, een enkele keer. Vergelijkbaar met dat kadertje op de voorpagina van een krant, of die mooie foto die een krant wel eens prominent wil brengen omdat-ie nu eenmaal mooi is -en de rest van het nieuws die dag niet zo hard.

    Het Journaal deed ooit wel eens iets aan Paris Hilton, kan ik me herinneren. Dat duurde toen een seconde of 20 -omdat de hele Verenigde Staten na heur arrestatie ontregeld waren en wij dat meldenswaard vonden.
    Dat vind ik niet zo er, zo’n keuze – misschien vond iemand dat zelfs wel ‘leuk’. In de herinnering van de scherpslijpers later werd dat een opening van bijna 3 minuten en was dat de bewijsvoering voor nadere veroordeling- zo werkt het geheugen blijkbaar.

    Een studie naar ‘leuk’ lijkt me niet zo relevant.
    Wel naar toegankelijkheid, informatie-overdracht, de -ideale-compositie van een bulletin (of voorpagina).

    En naar een ander aspect waar men op dit soort plaatsen vaak de neus voor ophaalt: de vraag of een massamedium in staat is zowel verhalen uit de hi-culture (waar niet over geklaagd wordt) als uit de low-culture (waar altijd over geklaagd wordt) in begrijpelijke, kwalitatief-verantwoorde journalistiek cq onderwerpen te vatten.

    (daar schrijf ik dus wel over in mijn boek, en daarom komt het woord leuk daar niet vaak terug)

    PS mbt Joran vd Sloot: ik schrijf niet dat de NOS wel mee moest met de 24-uurs opwinding, maar om te illustreren hoe de dynamiek van een nieuwsredactie soms werkt… en dat ik die toen had dienen te beheersen