Met het ‘opleuken’ van het NOS Journaal ben ik nooit bezig geweest

In nummer 8 van De Groene Amsterdammer verscheen een column van Chris van der Heijden waarin verwezen wordt naar een artikel van mediaprofessor  Huub Wijfjes. Zowel in de column als in het artikel gaat het over de ‘verleuking van het nieuws’ en er wordt verwezen naar de recent verschenen boeken van Hans Laroes en mij. Beiden waren we hoofdredacteur van het NOS-Journaal.

De recensie van Wijfjes op De Nieuwe Reporter slaat werkelijk als een tang op een varken. Maar dat ben ik van hem gewend. De slordige wijze waarop hij mij in zijn boeken over Journalistiek in Nederland en de Geschiedenis van de VARA percipieert, beloofde niet veel goeds.

Toen men mij vroeg wat ik vond van zijn recensie over mijn boek Journaaljaren uit 2004 antwoordde ik: “Het boek dat hij beweert gelezen te hebben, heb ik niet geschreven.”

Zo zoog hij met stelligheid uit zijn duim dat ik in die tijd zou geloven in het veroorzaken van chaos als een manier om chaos te ordenen; hij schildert mij zonder enige vorm van bewijs af als Fortuynist (terwijl Pim en ik als Rotterdamse vrienden juist vaak hevig over zijn politieke opvattingen van mening verschilden) en ook zou ik bij het NOS Journaal “niet begrijpen waarom ik niet begrepen ben”. Nou, ik kan u melden dat de meeste collega’s slim genoeg waren om te begrijpen wat mij bij het redactiebeleid voor ogen stond, maar dat menigeen eerder wilde volharden in de oude koers of zich niet tot veranderen in staat voelde.

Nieuwe journalistiek

Nu schrijft Wijfjes dat ik een boekje heb geschreven over “de nieuwe journalistiek die volgens hem (ik dus) noodzakelijk is om te overleven in de nieuwe cultuur.” Rare formulering. Ik schrijf:

“Doorsneejournalistiek is onuitroeibaar en deint mee op de golven van de tijd. De oude media verschrompelen langzaam maar zeker, en dat is geen ramp. In die door mij erkende context raad ik beginnende journalisten of journalisten die niet (meer) voor grote mediabedrijven willen werken aan om op zoek te gaan naar eigen originele verhalen of onthullingen, bij voorkeur door de wijde wereld in te trekken.”

Ten tweede schrijft Wijfjes dat LEUK voor mij (en ook voor Laroes) iets wezenlijks is. “Bij Haasbroek is het begrip leuk totaal verpersoonlijkt: hij wil altijd leuk zijn in een leuke omgeving met leuke gebeurtenissen.” In dat beeld herken ik mij totaal niet. Hoewel ik de laatste zal zijn om te ontkennen dat humor en creativiteit mij dierbaar zijn, zal iedereen die serieus geïnteresseerd is in mijn journalistieke leven erkennen dat de klemtoon daarin eerder op diepgravende journalistiek valt dan op het verleuken van het nieuws.

En omdat onzin op internet vaak een onuitroeibaar eigen leven gaat leiden, put ik bewust een paar voorbeelden uit mijn journalistieke verleden om de waandenkbeelden van Wijfjes te bestrijden:

  • Ik deed grote projecten in de Haagse Schilderswijk en  over de gevolgen van de sluiting van de Limburgse mijnen (VPRO radio);
  • Als buitenlands correspondent ging ik diep in op het terrorisme in de jaren zeventig in West-Duitsland;
  • Ik schreef een boek over white collar crime bij de KLM in Amerika;
  • Ik begon met researchjournalistiek op de radio (Embargo toen als voorloper van ARGOS nu);
  • Ik was eindredacteur van een grote serie over Eurodrugs (Radio Rijnmond en het AD);
  • Ik initieerde de researchredactie bij het NOS-Journaal;
  • Ik was als praktijkdocent verbonden aan de master onderzoeksjournalistiek aan de UVA;
  • Ik ben actief lid van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ).

Opleuken

Mijn nieuwe boek bestaat voor meer dan de helft uit achtergrondverhalen. Zelfs Hans Laroes (toch niet mijn grootste fan) schrijft op De Nieuwe Reporter over mij: “Hem werd verweten het Journaal te willen ‘opleuken’. In zijn voordeel zij opgemerkt dat hij dat woord nooit heeft gebruikt.”

In mijn boek Journaaljaren en mijn beleidsnota’s over het NOS Journaal kun je goed lezen dat het mij daar ook totaal niet om ging. Het ging over het ontwikkelen van kwaliteit, het inschakelen van academici, het opzetten van een researchredactie, het herijken van de verhoudingen in het nieuws.

Wel vond ik dat we als redactie nieuwsgieriger moesten zijn naar wat er onder de bevolking leefde en dat we daar soms meer mee moesten doen. De agenda van de instituties versus de agenda van de burger, maar altijd met nieuwswaardigheid als criterium en binnen de afgesproken verhoudingen.

Geobsedeerd

Van een recensent hoop je dat hij en boek goed leest, de inhoud enigszins weergeeft en daar zijn kritiek aan toevoegt. Van een historicus hoop je dat hij op zoek gaat naar de feiten om die vervolgens redelijk zorgvuldig te interpreteren. Wijfjes is recensent en historicus. Op beide fronten schiet hij in dit geval behoorlijk tekort. Hij lijkt geobsedeerd door het begrip ‘verleuking van het nieuws’ en probeert mij op weinig overtuigende wijze in de schoenen te schuiven dat ik daar een exponent van ben. Van mij mag hij, maar ik heb er niks mee, met die verleuking van het nieuws.

Potentiële geïnteresseerden in mijn nieuwe boek hebben niks aan zijn als recensie gepresenteerde artikel, omdat hij de echte inhoud links laat liggen. Als hij Nico’s Nieuws wel goed gelezen had, dan had bij het door hem zelf opgeworpen onderwerp ‘het loopje van de presentatoren’ dat hij met de verleuking in verband brengt, mijn mening daarover kunnen citeren. Ik schreef:

“Maar toen Rob Trip in het voorjaar van 2012 in de totaal vernieuwde NOS Journaal-setting enthousiast en serieus zei dat de presentatoren overdag zittend presenteren en ’s avonds staand, toen dacht ik wel: waarom niet op je hurken of liggend en wanneer gaan we weer een beetje meer op de inhoud focussen?”

Of Wijfjes had bijvoorbeeld ook kunnen reageren op mijn verwijt in ‘Nico’s Nieuws’ (uitgeverij Douane Rotterdam en te bestellen via bol.com) dat de wetenschap veel te weinig bezig is met het ontwikkelen van ideeën voor een nieuw mediabeleid (zie pagina 68), zoals wij dat bij de werkgroep Andere Publieke Omroep wel doen. Dat is pas leuk.

De vete Haasbroek-Laroes

Dan de vete Haasbroek Laroes, uit het jaar 2002 waarbij sprake was van een plotseling eenzijdig opzeggen van het vertrouwen in mij.

Nadat ik in 2004 een boek over mijn periode als hoofdredacteur bij het NOS Journaal had geschreven (Journaaljaren), kon mijn opvolger Hans Laroes, die wel vaker van mijn creativiteit profiteerde, natuurlijk niet achterblijven. Stom toevallig verscheen zowel zijn als mijn nieuwe boek half november van het afgelopen jaar.

De eerste zin in zijn boek, De Littekens van de Dag, luidt: “Ik weet nog precies waar ik was op 11 september 2001.” Mijn boek, Nico’s Nieuws, begint ook met 11 september. Mijn achtste en volgende zinnen: “Waar ik toen was? Ik snap die vraag nooit. Who cares?”

De verleiding is groot om onze twee boeken met elkaar te vergelijken. Dat doen Wijfjes en eerder NRC Handelsblad dan ook. Toch gaat het om twee totaal verschillende boeken.

Ouwe koek

Omdat Laroes één hoofdstuk wijdt aan mijn vertrek bij het NOS Journaal wil ik me nu even tot dat hoofdstuk beperken. Ouwe koek van tien jaar geleden. Ik leek er al een beetje van hersteld en u zal het vermoedelijk een zorg zijn.

Mijn lijn als NOS Journaal-hoofdredacteur was indertijd:

  1. Waarom zou je bij het nummer 1 programma van Nederland (wat het toen was) een andere koers gaan varen?
  2. Daarom schreef ik de notitie ‘Voor verbetering vatbaar’ waarin ik voorstellen deed om het NOS Journaal geleidelijk waar nodig te veranderen en te verbeteren. Dat is ook gebeurd.
  3. In de tweede helft van mijn hoofdredacteurschap wilde ik de top-down structuur veranderen in een delegatiemodel. Ik introduceerde de hoofdredactie op de vloer, breidde de hoofdredactie uit en we verdeelden de taken, spoorden collega’s en deelredacties bewust aan om zelf initiatieven te nemen. Ik delegeerde vertrouwen.
  4. Ook voorzag ik tijdig in een goede opvolging door Hans Laroes naar voren te schuiven, omdat ik (zoals toen gek genoeg normaal was) in 2004 gedwongen werd om met pensioen te gaan.

In 2002 stond het NOS Journaal er goed voor.  Volgens de criteria van de directie waren de waardering en kijkdichtheid hoog en de financiën op orde. En volgens de criteria van nu had ik een salaris dat flink onder de Balkenende norm lag, ik had geen affaires en fraudeerde er niet lustig op los.

Ik had (wat mij en wat het beleid betreft) gewoon de rit uit kunnen zitten.

Slecht polemist

Laroes vond en vind ik  een goede hoofdredacteur en hij schrijft ook aardig. Wijfjes toont zich verbaasd dat wij het in journalistiek opzicht in vele opzichten met elkaar eens zijn. Ik niet.

Met de reden van Laroes om in 2002 het vertrouwen in mij op te zeggen ben ik het, dat hoeft niet te verbazen, oneens.

Ook vind ik Laroes, als ik zijn hoofdstuk over mij lees, een slechte polemist. Zijn betoog komt er op neer dat ik vooral een beetje gek was, dat het in mijn beginperiode goed ging  en ik met ‘een paar verbeteringen’ kwam, vervolgens ‘blijven veel van mijn ideeën in abstracties steken’ en uiteindelijk, toen Fortuyns ster steeg en hij tenslotte vermoord werd,  zou mijn gedrag jegens het Journaal dusdanig zijn geweest dat de hoofdredactie het vertrouwen in mij opzegde. Hans schrijft over mij: “Ik had hem aan de redactie kunnen voederen – ze hadden hem verscheurd.”

Hij gaat in zijn verhaal geraffineerd te werk. Selectief, met uitgekookt woordgebruik en halve waarheden.

Voorbeelden

Mijn gekte dikt hij aan met voorbeelden over het dragen van theemutsen (die grap dateert uit mijn tijd bij RTV Rijnmond en was bedacht door het personeel), opmerkingen bij de koffie-automaat,enz. Bij een grap over El Nino vermeldt hij niet dat dat op 1 april was.

Met voorbeelden van mijn beleid is hij minder gul dan met de anekdotes over mijn rare gedrag.

Ook citeert hij Martin van Amerongen, die een negatief verhaal over mij en mijn tweelingbroer schreef, zonder aan te geven dat VN dat stuk heeft gerectificeerd en dat van Amerongen ons later in een naschrift in zijn boek gerehabiliteerd heeft.

Leuke man

De voorbeelden van vilein woordgebruik liggen voor het oprapen: Nico blijft een ‘leuke’ man. Hans snapt als geen ander het effect van het reduceren van een hoofdredacteur tot een leuke man. (Let op, Huub Wijfjes, een vorm van verleuking).

Over de werkverdeling binnen de hoofdredactie schrijft hij: “Bernadette Slotboom en ik doen de dag. Haasbroek doet de rest en speelt buiten.” ‘Buiten spelen’ komt bij een hoofdredacteur van het Journaal onder meer neer op het vertegenwoordigen van de NOS bij de EBU, het contact met buitenlandse correspondenten, het vertegenwoordigen van het Journaal in de publiciteit, het overleg binnen de publieke omroep, enz. Het is een officiëel onderdeel van het takenpakket van een hoofdredacteur. Maar met buiten spelen suggereer je dat de baas niet op de redactie is en maar wat doet. (Zijn vele werk voor de EBU zal hij zelf natuurlijk nooit zo noemen.)

Huilen

Laroes schuift mij vooral ‘Haags falen’ in de schoenen, maar volgens de taakverdeling binnen de hoofdredactie was hij belast met de Haagse portefeuille. Een interview met Jeroen Pauw deed ik omdat hij dat niet wilde doen. Bij het schrijven  over mijn ‘huilen’  na de moord op Fortuyn wordt niet aangegeven hoe mijn relatie met Pim in Rotterdam was. En – opwinding of niet – ik blijf vinden dat de wijze waarop Job Frieszo Fortuyn met de Centrum Democraten vergeleek, verkeerd was.

En ja, ik vind niet dat je Kok als leider van een volgens de peilingen verliezende partij kort voor de verkiezingen extra zendtijd moet gunnen. Ook al levert dat groot nieuws op. Volgens Hans moet je dergelijke kritiek binnenskamers houden. Waarom?

Verscheuren

Ik memoreerde al dat volgens Laroes de complete redactie mij in 2002 verscheurd zou hebben.  Na mijn vertrek heb ik menig ex-Journaal-collega ontmoet, maar van die neiging om mij te willen verscheuren heb ik nooit iets gemerkt. Eerder was er sprake van  een ongemakkelijke reactie, vervolgens zei men dat men het niet leuk vond hoe ik vertrokken was en daarna ervoer ik zonder uitzondering gewone collegiale verhoudingen.

Mij als voer willen laten verscheuren mag helemaal niet van Amnesty International en was misschien een stijlfiguur die nodig was om nog overtuigender van mij af te kunnen komen. Omdat Laroes (die al hoofdredacteur wilde worden toen ik het werd) over onvoldoende harde feiten beschikte om mij van wanbeleid te kunnen betichten, maakte hij als polemist van mij bewust een karikatuur: een leuke, gekke man, die vooral buiten speelde en die door de redactie verscheurd werd.

Als intelligente lezer doorziet u zoiets gelijk.

Nico Haasbroek

Nico Haasbroek werkte als journalist voor de VPRO en Vara, en hij was hoofdredacteur van Radio Rijnmond en het NOS Journaal.

Alle artikelen van Nico Haasbroek op De Nieuwe Reporter.