Het naïeve idealisme van Bart Brouwers in ‘Na de deadline’

De hoofdredacteur van Dichtbij.nl Bart Brouwers pleit in zijn boek Na de deadline voor samenwerking tussen de journalistiek en uiteenlopende partners. Volgens mediasocioloog Peter Vasterman is het pleidooi van Brouwers gestoeld op een naïeve visie van de maatschappij en de rol van de journalistiek daarin.

Onlangs verscheen Na de deadline. Journalistiek voorbij de crisis waarin Bart Brouwers zijn toekomstvisie op de journalistiek ontvouwt. Brouwers is de oprichter van het netwerk van regionale websites Dichtbij.nl, eigendom van de Telegraaf Media Groep.

Tot nog toe is de meeste aandacht uitgegaan naar zijn opmerkelijke pleidooi voor overheidssteun voor ‘relevante’ journalistiek. Hoewel de verleiding groot is om op die discussie door te gaan, is het interessanter om te kijken naar de aannames die ten grondslag liggen aan zijn visie op de journalistiek waarin interactiviteit centraal staat.

[Lees ook de recensie van Alexander Pleijter: Bloed, zweet en tranen voor de nieuwe, pure journalistiek]

Brouwers pleit voor samenwerking  ‘in alle fasen van het journalistieke proces’ met uiteenlopende partners: burgers, experts, freelancers, overheden, dataleveranciers, bedrijven, en merken (‘vroeger bekend als de adverteerders’). Maar op grond van welke analyse? Welke maatschappijvisie, en meer specifiek welk beeld van de hedendaagse burger (vroeger bekend als het publiek) ligt aan de basis van Brouwers theorie?

De moderne burger volgens Brouwers

Brouwers karakteriseert de moderne burger als een actieve internetgebruiker die zijn bevindingen snel online zet, die onderwerpen uitzoekt en die de informatie van andere burgers en andere bronnen kritisch bevraagt. Hij of zij beschikt over een bepaalde expertise, twittert of blogt daarover, is soms ooggetuige van nieuws en fungeert dan als nieuwsbrenger.

De burger is uitgever, publicist en nieuwsleverancier (‘Ieder mens levert nieuws’). De burger is bovendien bereid samen te werken in wisselende coalities met derden. De burger heeft geen positief beeld van de professionele journalistiek: hij krijgt geen goede kwalitatieve informatie meer van de media, terwijl hij daar toch recht heeft op (net als op een goede rechtspraak).

Wat opvalt in deze karakteristiek van de moderne burger is dat iedere maatschappelijke en historische context ontbreekt. Hij/zij wordt alleen gedefinieerd in termen van mediagebruik, informatiebehoefte en ‘rechthebbend’ op bepaalde diensten van de overheid.

We lezen niets over de maatschappelijke ontwikkelingen van het afgelopen decennium, de ontideologisering, het populisme, de multiculturele samenleving, de kredietcrisis, het afnemend vertrouwen in instituties, etc. Ook bestaan er geen sociale klassen, subculturen, allochtonen, generaties of levensstijlen (zie dit onderzoek van Motivaction). In het wereldbeeld van Brouwers zijn er alleen individuele burgers. Die graag zelf nieuws willen verspreiden en die ook best wel willen samenwerken met partners als journalisten, experts, merken of bedrijven.

Politieke strijd over belangen

Door de burger los te maken van deze maatschappelijke context ontstaat een naïef en tegelijkertijd idealistisch beeld van de moderne burger, die kennelijk het beste voorheeft met de samenleving en met de informatievoorziening. Het probleem met dit beeld is natuurlijk dat er geen burgers zijn zonder belangen, dat er geen samenleving is zonder politieke strijd over die belangen, en dat iedereen zijn belangen in het publiek domein probeert uit te dragen.

Belangengroepen, actiegroepen, vakbonden, politieke partijen, NGO’s, vormen de georganiseerde vorm van die belangenstrijd. Dankzij de parlementaire democratie wordt die ‘oorlog’ niet meer met wapens, maar met woorden uitgevochten, maar dat wil niet zeggen dat er geen strijd meer is.

De journalistiek is historisch gezien vaak onderdeel geweest van die sociale strijd, denk aan de kranten en omroepen die verbonden waren met de zuilen, maar de afgelopen decennia heeft de professionele journalistiek zich daarvan losgemaakt.

Die emancipatie is één van de grote verworvenheden van de moderne journalistiek: geen speelbal meer van politieke belangen, geen fractievoorzitter meer als hoofdredacteur. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de journalistiek momenteel volledig onafhankelijk functioneert, denk alleen al aan de commerciële context van investeringsmaatschappijen (Apax, Egeria), fusies en overnames (De Persgroep).

Ook ten aanzien van de nieuwsbronnen verkeert de journalistiek in een voortdurende strijd om onafhankelijkheid. Die onafhankelijkheid, boven de partijen staan, niet omkoopbaar zijn, dat blijft een kernwaarde van de professionele journalistiek. De lezers, kijkers en volgers moeten ervan op aan kunnen dat er achter de berichtgeving geen belangenverstrengeling schuil gaat. Brouwers daarentegen presenteert als belangrijkste innovatie juist het opgeven van die onafhankelijkheid.

Samenwerking een verrijking voor de journalistiek

Op grond van zijn idealistische beeld van de actieve goedwillende burger wil Brouwers dat de journalistiek wisselende coalities aangaat met burgers, maar ook met “concurrerende organisaties, dataleveranciers, merken en producten.” Brouwers spreekt in zijn enthousiasme zelfs over “een symbiose die de journalistiek enorm helpt.”

Volgens Wikipedia is symbiose het samenleven van twee organismen van verschillende soorten waarbij de samenleving voor ten minste één van de organismen gunstig of zelfs noodzakelijk is. Brouwers ziet over het hoofd dat symbiose ook negatieve vormen kan aannemen, zoals ‘parasitisme’ waarbij de samenleving voor één van de partners schadelijk is, en ‘parasitoïdisme’ waarbij de gastheer uiteindelijk te gronde gaat. Dat geeft toch te denken.

Ook schuwt Brouwers samenwerking met de overheid niet, en evenmin die met ‘betalende ondernemers.’ Brouwers ziet dit allemaal niet als een bedreiging van de journalistieke onafhankelijkheid maar juist als een verrijking: de traditionele taken, het structureel controleren van de machthebbers, kunnen beter dan ooit tot zijn recht komen.

Het is nooit goed van de grond gekomen, maar met “samenwerkingen op alle niveaus” kan dat eindelijk veranderen. Brouwers ziet allerlei beperkingen, met als belangrijkste de gangbare redactiecultuur, waarin individualisme en eigenwijsheid domineren. Het draait allemaal nog om de individuele naamsvermelding als beloning (een bekend cliché in dit soort boeken).

De negatieve kanten van samenwerken

De stelling dat de media hun waakhondfunctie niet hebben waargemaakt, wordt verder niet onderbouwd, maar ernstiger is het gemak waarmee de journalistieke onafhankelijkheid als belemmering wordt gezien voor de vereiste vernieuwing: de samenwerking. Opmerkelijk is dat Brouwers geen belemmeringen ziet bij de partners in de wisselende coalities. Willen bedrijven dit wel? En tegen welke prijs? Zoals de bekende Amerikaanse uitdrukking luidt: ‘there is no such thing as a free lunch.’

Je probeert je voor te stellen hoe journalisten die de brievenbusconstructies van multinationals als Starbucks aan de kaak willen stellen gaan samenwerken met …Starbucks, of misschien een concurrent (DE Master Blenders?) die Starbucks wil dwarszitten? Of met een actiegroep voor belastinghervoming? Samenwerking met de belastingdienst? De afgelopen jaren is in allerlei publicaties in kaart gebracht op welke manieren al die bedrijven en overheden nieuws proberen in te steken of te beïnvloeden (zie Gevaarlijk Spel), maar aan die kanten van de samenwerking, daar heeft Brouwers kennelijk geen enkele boodschap aan.

En hoe riskant zijn deze vormen van samenwerking voor de freelancende journalist als ondernemer? Wat zouden zijn volgers of opdrachtgevers ervan vinden als hij blijkt samen te werken met de mensen (sectoren of bedrijven) die hij geacht wordt kritisch te volgen? Maar volgens Brouwers is dat soort commerciële journalistiek juist heel waardevol, omdat deze zowel ‘waardevol’ is voor de consument als voor klant. Of die consument toch niet liever ‘onafhankelijke’ journalistiek ziet over dat product blijft buiten beeld.

Samenwerking met het publiek

Dan de samenwerking met het publiek, één van de hoekstenen van het interactiviteitspleidooi van Brouwers. Dat zou de oplossing zijn voor het “gefragmenteerde ecosysteem”, de chaos waarin de journalistiek terecht is gekomen: “Bronnen werden uitgever, individuele burgers nieuwsbrengers en zelfpublicerende machines deden hun intrede op het toch al overvolle speelveld.”

Het systeem kent geen begrenzingen meer, ook een tiener die 140 tekens over Bieber retweet bedrijft daarmee journalistiek, volgens de auteur. De onderlinge afhankelijkheid in het oude hiërarchische systeem van zender en ontvanger is weggevallen en daar leidt Brouwers vervolgens – heel tegenstrijdig – de noodzaak tot samenwerking uit af.

Dat is een merkwaardige, tegenstrijdige redenering: de twitterende burger wisselt al lang informatie uit met alles en iedereen, dus waarom dan nog een pleidooi voor samenwerking tussen alles en iedereen. En waarom zou de journalistiek dat moeten doen, als daardoor het gevaar bestaat dat de journalistiek volkomen oplost in een stroom van professionele en niet-professionele informatiestromen?

Brouwers ziet een “netwerk voor zich van journalistieke activiteiten (…) sommige uitgevoerd door professionele journalisten, andere door vrijwillige liefhebbers, weer andere door toevallige passanten (….).” Het is natuurlijk de vraag of er dan nog een onderscheid bestaat tussen journalistieke en niet-journalistieke activiteiten; is er nog een kwaliteitscriterium, of is ieder twitterbericht over Bieber ook journalistiek? Bij Brouwers valt dat onderscheid volledig weg en lost de professionele journalistiek volledig op in het ‘ecosysteem.’ Ter ondersteuning citeert hij Benkler: “Journalism is made up of many things.” Een citaat dat uitblinkt in leegheid, maar zonder kwaliteitscriteria geen journalistiek.

Twee betekenissen van het begrip nieuws

Ook bij zijn stelling dat tegenwoordig iedereen nieuws kan maken en publiceren spelen kwaliteitscriteria geen enkele rol. Hij haalt ook voortdurend de twee betekenissen van het begrip nieuws door elkaar: nieuws als (nieuwswaardige) gebeurtenis en nieuws als verslag van die gebeurtenis. Maar zoals de Engelsen (en de Amerikanen) zeggen: ‘the map is not the territory.’ Het verslag is iets anders dan de gebeurtenis. En inderdaad iedereen kan een verslag van een gebeurtenis online zetten, maar daarmee is het nog geen nieuws.

Onder dat nieuws verstaan we een professioneel verslag van een gebeurtenis die nieuwswaarde heeft (en dat gaat veel verder dan alleen relevantie). Formeler gedefinieerd: nieuws is een actueel verslag van een gebeurtenis of ontwikkeling dat op een controleerbare manier tot stand is gekomen. Gebaseerd op feiten, gedefinieerd als uitspraken over de werkelijkheid waarover de consensus bestaat dat deze betrouwbaar zijn omdat ze op een verifieerbare manier zijn vastgesteld. Die feiten vormen de basis voor de wetenschap, maar ook voor de belastingdienst of de journalistiek.

Brouwers verwijst naar zijn grote voorbeeld de Amerikaan Jeff Jarvis die, zo citeert Brouwers hem, het zinloos vindt om journalisten van niet-journalisten te onderscheiden. Journalistiek is geen inhoud, geen professie, geen industrie, maar een dienst aan de gemeenschap (zie mijn stuk over Jarvis). Volgens Brouwers kan iedere twitteraar de eerste vier W’s zelf invullen (wie, wat, waar, wanneer) maar dient de journalist zich wel af te vragen “of het klopt wat er wordt gerapporteerd en wat het betekent voor de samenleving.”

Maar dat checken van de feiten is juist de kern van de journalistiek en om die reden zijn al die andere openbaarmakingen (de tweet over Bieber) geen journalistiek en de burgers die dat openbaar maken geen journalist. Maar deze tegenstrijdigheden in zijn redenering ontgaan Brouwers volkomen.

Terug naar de bepleite ‘samenwerking’ met het publiek, met de burgers die allemaal hun eigen expertise hebben. Dat lijkt innovatief, maar de journalistiek maakte natuurlijk altijd al gebruik van hun kennis en ervaring. Het nieuws staat bol van de ooggetuigen, de experts, de betrokkenen, de belanghebbenden, maar dan niet als samenwerkingspartner maar als bron van nieuws en als verificatiemiddel. Dat is een vorm van ‘samenwerking’, maar wel als het goed is met behoud van onafhankelijkheid aan beide kanten.

Dit stuk verscheen eerder op het blog van Peter Vasterman

Peter Vasterman

Peter Vasterman is mediasocioloog (Universiteit van Amsterdam).

Alle artikelen van Peter Vasterman op De Nieuwe Reporter.

  • Brouwers zwetst maar wat. Ik dacht een concurrent te krijgen in Nieuwegein, ik doe al 18 jaar http://www.pen.nl maar Dichtbij stelt echt niets voor, sterker nog in mijn omgeving zijn adverteerders boos en lezers reageren toaal niet. Aan journalistiek doen ze niet. Ze kopieren maar wat.

  • gewoon een lezer

    Goed verhaal. Duidelijke mening. Neigt wel erg naar xenofobie. Alles wat anders is is namelijk eng.
    Er komt maar één vraag boven:

    Hoe moet het dan wel?

  • Erik van Zwieten

    Dat niets voorstelt lijkt me een beetje overdreven. Zeker wanneer je het gaat vergelijken met dat pen-gebeuren..

    Ik onthoud me meestal van negatieve kritiek maar pen.nl: MUHAHAHAHAHA

  • Keesie

    Even generaliseren maar een journalist bij een toonaangevend blad wilt zich niet laten vergelijken met “huisvrouwen”die op nieuws uit zijn. Het uitgangspunt is geheel verschillend.