Hoe hoofdpersonen hun documentaire regisseren: De verdediging van Robert M.

Tijdens het Nederlands Film Festival ging ‘De verdediging van Robert M.’ van Maria Mok en Meral Uslu in première: een documentaire over de strafrechtadvocatuur aan de hand van een zeer gevoelige zaak. De film volgt advocaten Tjalling van der Goot en Wim Anker in hun pogingen de belangen van hun cliënt zo goed mogelijk te verdedigen. Tijdens de productie van de documentaire liepen de makers tegen diverse lastige, ethische kwesties aan.

Al vroeg werden allerlei dilemma’s die vaak onzichtbaar blijven duidelijk. Wordt de verdachte niet een podium geboden? Hoe om te gaan met privacygevoelige informatie van betrokkenen? Wie heeft het recht te filmen? (Aanvankelijke toestemming om in de rechtszaal te filmen werd ingetrokken). Wat toon je, wat niet?

Traditioneel worden dergelijke vragen bij de filmmakers geparkeerd, vanuit een wat folkloristisch idee over de maker als auteur en creatieve geest. Maar zeker bij een zaak en een film als deze is de invloed van hen die meewerken aan het maakproces de moeite van het onderzoeken waard. Ofwel, breder geformuleerd: welke krachten werken tijdens een productieproces op elkaar in, en hoe bepalen die het uiteindelijke ‘product’?

Inbreng van gefilmden

De inbreng van crewleden, naast regis- seur en producent, en met name geluid- en cameramensen, wordt inmiddels algemeen erkend. De inbreng van ‘gefilmden’, laten we ze voor het gemak ‘hoofdpersonen’ noemen, wordt meestal over het hoofd gezien. Terwijl vanuit het perspectief van ethiek over hen veel wordt gesproken, wordt hun positie zelf nauwelijks beschreven en begrepen. Maar hoe kan zo’n discussie zinvol zijn, als inzicht over die positie ontbreekt?

In de discussie over ethiek wordt meestal over toestemming gesproken als een generiek ‘ja’, een algemeen ‘ja’ dat alles zou dekken. Dat deze zaak gevoelig lag en voor veel ophef zou zorgen, was reden voor Van der Goot en Anker om aanvankelijk “nee” te zeggen tegen Mok en Uslu, zo betoogt eerstgenoemde. Dit ondanks de ervaring die het kantoor, en Wim Anker in het bijzonder, had met deze makers bij Longstay (2009) en Anker & Anker (2010). “Bovendien was mijn inschatting dat onze cliënt geen toestemming zou geven. En zonder zijn toestemming had ik het sowieso niet gewild”, zegt Van der Goot.

Toch hield hij het verzoek in beraad, besprak het met kan- toorgenoten, vrienden en familie, en ging overstag: “De strafrechtadvocatuur is lastig uit te leggen; dat merk ik altijd op feesten en partijen. Wij werken er in het algemeen aan dat de positie van de advocaat beter begrepen wordt, middels interviews, lezingen, werk voor de orde van advocaten, we geven cursussen et cetera. Het idee ontstond dat de documentaire daar een bijdrage aan zou kunnen leveren.”

Informatie delen met het publiek

Nadat de cliënt toestemming gaf, werd het toch ‘ja’, maar met een heldere agenda. Dit ‘ja’ gold in feite het opnameproces. In de loop van dat proces bleek dat ‘ja’ opnieuw geëvalueerd te worden in het licht van de wenselijkheid bepaalde informatie te delen met een publiek.

De film bevat minieme verwijzingen naar Van der Goots privéleven. Van der Goot: “De makers wilden het er wellicht graag in hebben, van die beelden ‘aan de rand van het voetbalveld’. Maar het was niet bespreekbaar. De tekening van mijn zoon was een twijfelpunt. Het kwam [in de film] na een telefoongesprek met de cliënt en laat zien dat de boog niet altijd gespannen kan zijn. Bovendien had het een toegevoegde waarde: dat kind valt binnen de doelgroep van de cliënt en dat laat zien dat je dat dus kunt scheiden, als advocaat.”

Na een gesprek stemde hij in. Een verruiming van wat gedeeld wordt, wordt hier beargumenteerd met het belang de professionaliteit van de hoofdpersonen te onderstrepen, in lijn met eerder genoemde agenda.

Publicitaire overwegingen

Volgens Van der Goot speelden publicitaire overwegingen voor hemzelf of voor het kantoor geen rol in de beslissing mee te doen: “We hebben tijdens het proces echt zó’n [hand een halve meter boven de tafel] stapel verzoeken ontvangen, die hebben we op een paar na allemaal afgewezen. Als we publiciteit hadden gewild, hadden we die echt wel gekregen.”

Tegelijkertijd was de insteek van de film “…te laten zien hoe de verdediging werkt, dat we zorgvuldig zijn en rekening houden met de belangen van betrokkenen, van de verdachte maar ook van de slachtoffers.” Het publicitaire belang van de strafrechtadvocatuur ging boven het individuele belang van de advocaat.

Onherkenbaar maken

Met betrekking tot de film zegt Van der Goot dat hij, Anker en de makers helemaal op één lijn zaten, op een paar kleine punten na. Eén van die punten was het bewerken van beeld van de cliënt. “Hij moest onherkenbaar worden gemaakt. Zo’n film wordt misschien over tien jaar nog eens uitgezonden. Dan kan het voor hem, maar ook voor de slachtoffers nadelig zijn als hij herkenbaar is.”

Zo kwam er, na een gesprek, een ander ‘ja’ voor de film. Hoewel Van der Goot naar eigen zeggen geen momenten had waarop hij niet meer wilde dat er gefilmd werd, waren er “natuurlijk” specifieke momenten die niet in aanmerking kwamen: gesprekken in aanwezigheid van de cliënt, sommige besprekingen tussen Van der Goot en Anker, overleg met het Openbaar Ministerie.

Gedwongen hardop spreken

Daarnaast werd dat wat gezegd werd soms voor de film gemodificeerd. Van der Goot: “Je realiseert je steeds dat je op eieren loopt. Dus je drukt je bewust genuanceerder uit dan je buiten werk of zonder camera zou doen. Ik werd soms natuurlijk gedwongen om hardop te spreken over dingen, ze onder woorden te brengen. Soms worden die onderwerpen natuurlijk onderling besproken, dus dan moet je dat toch wel doen, maar soms kan dat ook even snel in twee woorden. Voor de documentaire moet dat dan toch expliciet.”

Zo geven hoofdpersonen mede vorm aan de inhoud van de film. Van der Goot en Anker functioneerden binnen de productie als aangevers: “Wij wisten natuurlijk precies wat er speelde, dus wij tipten de filmmakers en dan besloten zij of ze daarbij wilden zijn.”

Dat gold ook voor de agenda van kantooroverleg. Gesprekken met de cliënt werden afgestemd op de aanwezigheid van de makers op kantoor: “In die zin was dat wel een beetje geënsceneerd. Dan vroegen we ‘kun je om 12.00 bellen?’ en dat deed hij dan. Maar anders had dat gesprek later plaatsgevonden, of de volgende dag”.

Ethische vragen

Door in te zoomen op het productieproces wordt duidelijk hoe hoofdpersonen vormgeven aan dat proces en aan de inhoud van de film, met hun eigen belangen in gedachte. Die belangen verdedigen ze in een wisselwerking met de maker, waardoor er sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid.

Een dergelijke praktijk verdient ook andere ethische vragen: welke verantwoordelijkheden voor de hoofdpersoon volgen op een ‘ja’? Hoe verhoudt representatie (door een maker) zich tot zelfpresentatie (door een hoofdpersoon)? Hoe kan zowel de motivatie van makers als van de deelnemers geadresseerd worden binnen een project? Wat is de verhouding tussen de ethiek van documentaire maken en de kwaliteit van een film? De discussie over ethiek en documentaire verdient serieuze herijking in het licht van de bijdrage van hoofdpersonen.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds. De nieuwste editie is gewijd aan IDFA.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Willemien Sanders

Willemien Sanders is Universitair Docent Media en Cultuurwetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Zij promoveerde op de bijdrage van hoofdpersonen aan documentaires, en onderzoekt onder andere het succes van private film- en televisieproductiebedrijven. www.sifti.no

Alle artikelen van Willemien Sanders op De Nieuwe Reporter.