Kijktip IDFA 2014

1971: hoe een stel activisten inbrak in een FBI-kantoor in Pennsylvania

De activiteiten van geheime diensten staan de laatste jaren volop in de belangstelling door Wikileaks en onthullingen van Edward Snowden. Er zijn oudere affaires. In 1971 ontstond er tumult over de handelswijze van de FBI. Die kwam aan het licht na een inbraak door brave burgers. Maarten Reijnders bekeek op IDFA de documentaire die over deze kwestie is gemaakt.

Ik zag zaterdagmiddag ‘1971’ op IDFA. Iedereen die geïnteresseerd is in de ‘surveillance state’ (en eigenlijk ook iedereen die dat niet is) zou die film moeten gaan zien.

Het is zonder twijfel één van de beste verhalen die ik dit jaar las: de geschiedenis van een stel activisten die 43 jaar geleden inbraken in een FBI-kantoor in Pennsylvania op de avond dat miljoenen Amerikanen aan de radio en buis gekluisterd zaten voor ‘The Fight of the Century’ tussen Muhammad Ali en Joe Frazier.

De inbrekers maakten geheime documenten buit waaruit bleek dat de FBI zich bezighield met tal van activiteiten die het daglicht niet konden verdragen: het bespioneren, intimideren en tegen elkaar opzetten van activisten. De FBI ging daarbij bepaald niet zachtzinnig en kieskeurig te werk. Het schrijven van een ingezonden brief naar de krant waarin je je uitsprak tegen de Vietnam-oorlog bleek vaak al genoeg voor de federale recherche om een ‘file’ te openen.

Staat in een staat

De inbraak op 8 maart 1971 betekende een waterscheiding in de manier waarop Amerikanen naar de FBI keken. De buitgemaakte documenten en daaropvolgende onthullingen maakten duidelijk dat de federale recherche onder leiding van J. Edgar Hoover een ‘staat in een staat’ was geworden die geen middel onbenut liet om allerhande ‘subversieve’ groepen – denk bijvoorbeeld aan vrouwen die in praatclubjes over seksueel geweld spraken – te bespioneren en ontwrichten.

De inbraak vormde ook een waterscheiding in de manier waarop Amerikaanse journalisten omgingen met dergelijke illegaal verkregen informatie. De inbrekers stuurden kopieën van de sappigste buitgemaakte documenten naar enkele politici en krantenredacties – die de documenten vervolgens prompt inleverden bij Justitie. Eén journaliste, Betty Medsger van de Washington Post, besloot wel te publiceren. Daarmee was ze een wegbereider voor de publicatie van de Pentagon Papers later dat jaar in The New York Times (en meer recent bijvoorbeeld Wikileaks of de Snowden-files).

Activisten waren brave burgers

Betty Medsger is op dit moment in Amsterdam. Ze woonde vanmiddag een vertoning bij van de documentaire ‘1971’ van regisseur Johanna Hamilton. De documentaire gaat over de inbrekers. Hoewel de FBI met man en macht jacht op hen maakte, werden ze nooit gevonden. Pas begin dit jaar onthulde Medsger in een boek wie zij waren. Dat wil zeggen: ze onthulde de namen van een aantal van hen – sommigen willen tot op de dag van vandaag anoniem blijven.

Natuurlijk, de inbrekers die zichzelf de Citizens Commission to Investigate the FBI noemden, waren overtuigde idealisten in 1971. Ze demonstreerden tegen de oorlog en zetten zich in voor de gelijkberechtiging van zwarten en vrouwen. Maar wat vooral zo opvalt, is dat het allemaal van die brave burgers waren: een hoogleraar theologie, een jonge taxichauffeur die niet naar Vietnam wilde, een stel met drie kleine kinderen.

De inbrekers namen een enorm risico. Met name de vader met de drie jonge kinderen twijfelde in de weken voorafgaande aan de minutieus voorbereide inbraak of ze wel moesten doorgaan. Wat als ze zouden worden opgepakt en jarenlang zouden worden vastgezet? Wat zou er van hun kinderen terechtkomen?

Ruim vier decennia later is hij blij dat hij het risico heeft genomen. Je kunt wel altijd doen wat verstandig is, zegt hij in de film, maar dat is precies waarop machthebbers die zich niet aan de regels houden rekenen.

Toename van cynisme

De inbraak in Pennsylvania betekende een voet tussen de deur. Journalisten en politici namen het werk van de activisten vervolgens over. Met een beroep op de Amerikaanse wet op de openbaarheid van bestuur vroegen journalisten in de daaropvolgende jaren tienduizenden documenten op waaruit bleek hoe wijdverbreid de illegale activiteiten van de FBI waren. Het Congres stelde een onderzoek in en er kwam wetgeving die de activiteiten van de FBI en inlichtingendiensten als de CIA aan banden legde. (Na 9/11 zijn veel van die beperkingen weer ongedaan gemaakt.)

Hoewel de gevolgen dus vooral positief waren, leidde de inbraak – en daaropvolgende gebeurtenissen zoals de openbaarmaking van de Pentagon Papers en het Watergate-schandaal – ook tot meer cynisme in Amerika. Waarom zou je de overheid nog vertrouwen? Het zijn toch allemaal boeven! Een onbedoeld neveneffect, geeft één van de inbrekers in de film tot zijn spijt toe.

Ik vroeg regisseur Johanna Hamilton en schrijfster Betty Medsger tijdens de Q&A na afloop hoe zij daar tegenaan kijken. Ja, het cynisme is sinds begin jaren zeventig toegenomen, erkennen ook zij. Maar dat betekent nog niet dat de erfenis van de inbraak daardoor voor hen is bezoedeld. Feiten doen ertoe en een goed geïnformeerd publiek is de basis van een goed functionerende democratische rechtstaat.

Het lijkt me een mooie opdracht voor ons allen: proberen om niet te verzanden in een lethargisch cynisme. Zelfs als sommige gezagsdragers daar wel aanleiding toe geven.

Trailer van 1971

Maarten Reijnders

Maarten Reijnders (1976) is freelance journalist.

Alle artikelen van Maarten Reijnders op De Nieuwe Reporter.