Hoe zijn wetenschapsjournalisten wetenschapsjournalist geworden?

Vorige maand schreef Odette Knappers op DNR over de vraag: hoe word je wetenschapsjournalist? Nu maakt ze een rondgang langs wetenschapsjournalisten om te vragen hoe ze zijn geworden wat ze nu zijn. “Algemeen opgeleide journalisten slaan de plank wetenschappelijk gezien vaak mis.”

In mijn vorige artikel op DNR schreef ik dat uit mijn scriptie bleek dat er grofweg twee routes zijn om wetenschapsjournalist te worden:

  1. Een journalistieke opleiding volgen en je daarna specialiseren in wetenschap;
  2. Een universitaire studie volgen en je daarna bekwamen in journalistieke vaardigheden, bijvoorbeeld door een journalistieke masteropleiding te volgen.

Wetenschappelijke bagage

Volgens wetenschapsjournalist Enith Vlooswijk (studeerde antropologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen) ligt de tweede route het meest voor de hand: “Als middelbare scholier weet je nog niet goed wat er allemaal te koop is in de wereld. De wens om wetenschapsjournalist te worden ontstaat meestal pas tijdens een opleidingstraject. Dat zal het vaakst voorkomen als je in de wetenschap studeert, omdat je er dan mee in aanraking komt.”

De universitaire route is ook in de ogen van wetenschapsjournalist Ronald Veldhuizen (studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen) het meest logisch. Hij legt uit: “Als je voor een volledig journalistieke opleiding gaat, zal je jezelf moeten onderwijzen in wetenschap. Ik denk dat je daar extra discipline en enthousiasme voor nodig hebt.”

Wetenschapsjournalist Roel Van der Heijden (studeerde natuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen) sluit zich aan bij Veldhuizen: “Met een flinke wetenschappelijke bagage is het makkelijk om de zin van de onzin te scheiden. Schrijven is een vak dat goed te leren is, ook nog in de praktijk. Algemeen opgeleide journalisten slaan de plank wetenschappelijk gezien vaak mis. Achtergrondkennis is echt vereist, en het bijspijkeren daarvan kost veel tijd.”

Geen plezier in onderzoek doen

Ook tijdens de zoektocht voor dit artikel blijkt dat de meeste wetenschapsjournalisten een bèta-universitaire achtergrond hebben. Zo ook Veldhuizen, met zijn studie biologie. “De onderzoeksvraag van mijn afstudeeronderzoek boeide me wel, maar ik kon de discipline niet opbrengen om het praktische werk in het laboratorium met plezier te doen. Toen ben ik uiteindelijk de wetenschapsjournalistiek ingerold, en dat bleek een schot in de roos.”

Van der Heijden kwam er eveneens tijdens het onderzoeksgedeelte van zijn opleiding achter dat onderzoek doen niets voor hem is. “Pas toen ben ik gaan kijken wat ik nog meer met mijn studie kon. Toen ik tijdens een vak in aanraking kwam met het populair schrijven over wetenschap, was ik verkocht.”

Precies dus wat Vlooswijk zegt: tijdens een opleidingstraject ontstaat de wens om de wetenschapsjournalistiek in te gaan.

Op zoek naar verdieping

Maar het kan ook anders. Sander Koenen (studeerde journalistiek aan de Hogeschool Utrecht) begon zijn studie met de wens om nieuwsjager bij de krant te worden. “Tijdens mijn stage ontdekte ik dat de lange verhalen me beter lagen, en dan vooral als het ging over wetenschap of techniek.”

Wel heeft hij na zijn studie journalistiek nog een jaar filosofie en twee jaar geschiedenis gestudeerd. “Voor de broodnodige verdieping”, vertelt hij. “Journalistiek is vooral vaardigheden aanleren en leren werken in de breedte. Een hbo’er moet misschien in de research iets harder zijn best doen om het onderwerp te doorgronden. Of dat lukt hangt niet van een opleiding of achtergrond af, maar van de intelligentie, werkwijze en bronnen van de journalist. Beide routes naar de wetenschapsjournalistiek hebben voor- en nadelen, ik denk niet dat een van de twee beter is dan de andere.”

Wetenschapsjournalist uit hobbyisme

Het toonbeeld van hoeveel je jezelf aan kunt leren als wetenschapsjournalist is Govert Schilling. Hij is autodidact op het gebied van sterrenkunde en journalistiek. “Sterrenkunde werd rond mijn vijftiende echt mijn hobby, waar ik een groot deel van mijn tijd en geld in stak,” vertelt Schilling.

“Zo is het langzaam gegroeid. Ik ging schrijven voor de sterrenkundige jeugdvereniging waar ik in zat en ik ben 7 jaar hoofdredacteur geweest van het Nederlandse amateur-astronomische maandblad Zenit. In de eerste helft van de jaren tachtig schreef ik mijn eerste bijdrage voor het toen nog vrij nieuwe wetenschapskatern van De Volkskrant. In 1998 ben ik fulltime freelancer geworden. In mijn geval is er dus echt sprake van een uit de hand gelopen hobby.”

“Het voordeel van mijn ‘hobby’-achtergrond is dat ik me erg goed kan inleven in de gedachte- en belevingswereld van mijn lezers”, gaat Schilling door. “Het nadeel is dat ik alles met vallen en opstaan heb moeten leren. Daarom heeft het heel lang geduurd voordat mijn werk een bepaald niveau bereikte. Het zou waarschijnlijk sneller zijn gegaan als ik lang geleden een goede cursus journalistiek schrijven had gevolgd. Maar zelfs als je dat doet, schrijven is iets wat je in je moet hebben. Als je er geen affiniteit mee hebt, zal je het op een cursus op opleiding ook nooit echt goed leren.”

Wat vind autodidact Schilling de beste route? “Als ik zou moeten kiezen, dan lijkt de route via het inhoudelijke vakgebied me toch het beste. Ik denk dat een specialisatie in de wetenschapsjournalistiek heel nuttig en belangrijk is. Waarschijnlijk studeer je aan de universiteit af in een onderwerp waarin je ook echt geïnteresseerd bent, en dat is altijd een pre als je ergens over schrijft. Je leert dan ook de onderzoekswereld binnen dat vakgebied goed kennen. Daarnaast kan het natuurlijk nooit kwaad om een cursus (wetenschaps-)journalistiek te volgen, om je de verschillende aspecten van dat gebied ook eigen te maken.”

Odette Knappers –

Odette Knappers is freelance wetenschapsjournalist. In juli studeerde ze af aan de Fontys Hogeschool Journalistiek met een scriptie over wetenschapsjournalistiek.

Alle artikelen van Odette Knappers op De Nieuwe Reporter.