Hoe meeslepend zijn journalistieke verhalen nu echt?

Spannend geschreven misdaadverhalen, met dialogen, veel details en intrigerende hoofdpersonen. Dat zijn de journalistieke verhalen die een meeslepende leeservaring opleveren. Kobie van Krieken promoveerde onlangs aan de Radboud Universiteit Nijmegen op haar onderzoek waarin ze test of deze theorie klopt.

Journalistieke verhalen creëren een meeslepende leeservaring. Dat is althans wat vaak beweerd wordt, maar is het ook echt zo? Er is maar weinig wetenschappelijk onderzoek verricht naar de effecten die journalistieke verhalen uitoefenen op het lezerspubliek. Met mijn promotie-onderzoek wilde ik daar verandering in brengen.

Ik concentreerde me daarin op verhalende reconstructies, een populair subgenre binnen de verhalende journalistiek waarin verteltechnieken uit de literaire fictie worden ingezet om gebeurtenissen uit de werkelijkheid op minutieuze wijze te reconstrueren. Daarbij valt te denken aan de weergave van dialogen, gedetailleerde beschrijvingen van scènes en personages, en het schrijven vanuit verschillende perspectieven. Vooral misdaad leent zich uitstekend voor dit genre: er zijn ‘good guys’ en ‘bad guys’, een plot en een climax.

Ik wilde te weten komen hoe journalisten misdaden op verhalende wijze reconstrueren en welke effecten dergelijke reconstructies op lezers hebben. Hieronder bespreek ik drie bevindingen.

1. Perspectief

Perspectief wordt door het Handboek Verhalende Journalistiek (2014) omschreven als de “wonderolie” van het vertellen:

“Met een goed gebruik van perspectief kun je de lezer laten meeleven: hij ruikt, voelt, ziet, hoort en proeft hetzelfde als je personage.”

Naast het bekende verschil tussen een ik-, jij- en hij-perspectief zijn er talloze andere – vaak subtiele – manieren om een gegeven scène vanuit een bepaald perspectief te beschrijven.

Neem bijvoorbeeld de keuze voor het grammaticale onderwerp van een zin: het perspectief, vergelijkbaar met de camerapositie in films, ligt bij het personage dat in onderwerpspositie staat.

Ook de wijze waarop verwezen wordt naar personages draagt bij aan perspectivering: een zelfstandig naamwoord (de man, meneer Jacobs) creëert distantie, waardoor we als lezer van een afstand naar het personage kijken, terwijl een voornaamwoord (hij) juist nabijheid creëert, waardoor we als lezer met het personage meekijken en de gebeurtenissen vanuit diens perspectief beleven. Ter illustratie:

Een oudere man vlucht voor hem uit en duikt de Hubo in. Hij was net nog met zijn kleindochter, maar die is hij kwijt. Al snel staat hij weer op. Hij ziet een man en een vrouw op de grond liggen, badend in het bloed. Hij ziet angst, paniek. Hij vindt zijn kleindochter terug.

In bovenstaand fragment, afkomstig uit het NRC Handelsblad, is de oudere man het grammaticale onderwerp van elke zin. Daardoor fungeert deze ooggetuige als cameralens: de gruwelijke gebeurtenissen worden vanuit zijn positie beschreven. Dit heeft tot gevolg dat de informatie die wij als lezer krijgen bepaald wordt door het blikveld van deze man. Ook het consequente gebruik van het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ draagt er aan bij dat wij als lezers dicht bij de ooggetuige worden geplaatst en de gebeurtenissen vanuit zijn perspectief bekijken.

De beschrijvingen in de tegenwoordige werkwoordstijd voegen daaraan toe dat het lijkt alsof de man dit alles nu meemaakt, terwijl we het verhaal lezen.Tot slot zien we in journalistieke verhalen vaak, zo ook in dit fragment, zogeheten werkwoorden van perceptie (zien, horen) en cognitie (denken, zich realiseren) opduiken, bedoeld om de gebeurtenissen vanuit de waarnemingen en gedachten van ooggetuigen weer te geven.

2. Citaten

De beschrijving van nieuwsgebeurtenissen vanuit het perspectief van ooggetuigen signaleert een schending van journalistieke conventies, omdat de technieken die daarbij worden ingezet reconstruerend en fictionaliserend van aard zijn. Met het gebruik van citaten kunnen journalisten de waarheidsgetrouwheid van hun verhalen benadrukken.

In verhalende misdaadreconstructies vinden we twee soorten citaten terug.

  1. Verhaalinterne citaten geven weer wat nieuwsbronnen tijdens de nieuwsgebeurtenissen zeiden en dachten (“Ik moet hier weg,” dacht Jonas toen hij de schoten dichterbij hoorde komen). Deze citaten tonen de emoties, gedachten en gemoedstoestanden van mensen op het moment dat zij zich in een gevaarlijke of zelfs levensgevaarlijke situatie bevinden en vervullen zodoende een dramatiserende functie.
  2. Verhaalexterne citaten geven daarentegen weer wat nieuwsbronnen ná de nieuwsgebeurtenissen verklaarden, bijvoorbeeld tijdens een interview met de pers of een rechtszaak (“Ik probeerde zo snel mogelijk weg te komen,” verklaarde Jonas een dag later). Deze citaten hebben een legitimerende functie omdat ze aantonen dat de reconstructie is gebaseerd op verklaringen die betrokkenen na afloop van de gebeurtenissen hebben afgelegd.

Het genre van de verhalende reconstructie is geenszins nieuw te noemen, maar het heeft zich door de jaren heen wel ontwikkeld wat betreft het gebruik van citaten. Halverwege de negentiende eeuw maakte slechts 10% van de verhalende reconstructies gebruik van externe citaten. Het gebruik van deze citaten is door de jaren toegenomen tot 95% tussen 1990 en 2009. Waar in vroeger tijden een ruime minderheid van de verhalen gebruik maakte van verhaalexterne citaten, vertonen hedendaagse verhalen dus vrijwel altijd dit soort legitimerende quotes. Dramatiserende citaten werden daarentegen vroeger net zo vaak ingezet als tegenwoordig.  Het lijkt er dus op dat journalisten in het schrijven van hun verhalen tot een balans zijn gekomen in het combineren van fictionaliserende, reconstruerende elementen en legitimerende elementen.

3. Leeservaring

Journalistieke misdaadreconstructies maken dus op verschillende manieren gebruik van perspectieftechnieken en interne citaten om het gebeurde op dramatische wijze door de ogen van getuigen te beschrijven. Dat roept de vraag op wat voor impact dat heeft op lezers. Leven lezers sterker mee met ooggetuigen als zij misdaadnieuws in een verhalende vorm lezen? En hebben zij dan ook sterker het gevoel de misdaad zelf – op virtuele wijze – van dichtbij mee te maken?

Om deze vragen te beantwoorden lazen in een experiment mensen ofwel een bestaande verhalende reconstructie over een schietpartij, ofwel een bestaand niet-verhalend nieuwsbericht over diezelfde schietpartij. Het verhaal beschreef de schietpartij vanuit het perspectief van ooggetuigen, in chronologische volgorde en in de tegenwoordige tijd. Het nieuwsbericht daarentegen beschreef de schietpartij vanuit een afstandelijk perspectief, in een achronologische volgorde en in de verleden tijd.

Uit de resultaten bleek dat lezers van de reconstructie sterker het gevoel hadden dat zij zelf aanwezig waren bij de schietpartij en dat zij zich ook sterker identificeerden met ooggetuigen. De lezers van de reconstructie hadden, anders gezegd, sterker het idee dat zij zélf ooggetuigen van de schietpartij waren.

Deze resultaten tonen aan dat journalistieke verhalen inderdaad een meeslepende leeservaring kunnen creëren en, in het geval van misdaadreconstructies, er toe kunnen leiden dat lezers indirect ooggetuigen worden van schokkende nieuwsgebeurtenissen. Of soortgelijke ervaringen ook optreden bij het lezen van journalistieke reconstructies van andere gebeurtenissen, zoals een natuurramp of de teloorgang van een politicus, is een vraag voor toekomstig onderzoek.

Geïnteresseerd in het hele onderzoek? Lees hier de dissertatie Linguistic viewpoint in crime news narratives.

Kobie van Krieken

Kobie van Krieken werkt als universitair docent bij de opleiding Informatie- en Communicatiewetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Alle artikelen van Kobie van Krieken op De Nieuwe Reporter.