De trucs van de verteller (2): De journalist als verteller

Verhalende journalistiek leent dramatisch gereedschap bij de literatuur. Daardoor leven lezers mee. In een serie van vier artikelen schrijft Henk Blanken over de tools, tips & tricks van het vertellen. Deel 2: Hoe geef je als journalistiek verteller citaten en gedachten weer.

Als verteller is de journalist een schim. In gewone reportages staat hij als niet meer dan een schaduw tussen het verhaal en de lezer. Hij is de ‘externe verteller’ die getrouw weergeeft wat er volgens hem gebeurt tijdens het spoedoverleg in de Tweede Kamer of bij de kroning van de nieuwe koning in Amsterdam.

Een persoonlijke toon laat de journalist achterwege – volgens journalistieke normen althans. Soms begint hij zijn verhaal scenisch, met een sfeervolle beschrijving (‘Over het kanaal trok de mist van Gent naar Terneuzen,’ schreef ik ooit), waarna hij die toon in de laatste alinea’s herneemt ‘om het verhaal rond te maken’.

Die quasi-narratieve reportages volgen in de meeste andere alinea’s het paradigma van de journalistiek uit de late twintigste eeuw. Meer analyse dan verhaal: betrouwbaar, afstandelijk, objectief tot op het bot en steeds trouw aan de omgekeerde piramide. Het belangrijkste eerst.

Scènes bouwen

Wie te werk gaat volgens de oeroude wetten van het verhaal, bouwt het louter op uit scènes. In de eerste – de setup in Hollywoodtermen – plant hij een mysterie, raadsel, conflict, probleem of uitdaging – de complicatie. Daarna gaat de held van het verhaal – de protagonist – aan de slag, tegengewerkt door de antagonist, de schurk, de ambtelijke molens, het kwaad.

Halverwege het stuk, we hebben dan ook de flashback gehad die uitlegt hoe het allemaal zo gekomen is, is er geen weg terug meer en neemt de spanning snel toe. Scenarioschrijvers hebben geleerd dat de held op driekwart van een film (pagina 90 van het modelscript van 120 pagina’s) bijna moet falen, op een haar na aan de dood dient te ontsnappen. In het laatste kwart herpakt hij zich voor de finale confrontatie met zijn tegenstrever, en werkt het verhaal toe naar de climax.

De held wint, in de fictie van Hollywood-scenario’s althans. De spanning valt weg. De ontknoping zit erop. Nu als verteller nog even de losse eindjes afhechten en, zeg ik tegen aankomende verhalenvertellers die per se nog in veel te lange en te slome zinnen willen uitweiden over een zijspoor dat ze eerder niet kwijt konden terwijl ze er toch zoveel tijd aan hadden besteed, in een zin als deze dus – afhechten dus en maken dat je wegkomt.

Die dramatische opbouw, wat Tom Wolfe in The New Journalism (1973) scene by scene storytelling noemde, is het structurele kenmerk van narratieve journalistiek, het skelet zeg maar. Vertellersperspectief zou je het ruggenmerg kunnen noemen. Maar de adem van het verhaal bestaat uit gedachten en citaten.

Citaten en gedachten

In een traditioneel nieuwsverhaal of gewone reportage houdt de journalist afstand. Als hij iemand citeert, laat hij dat duidelijk merken, veelal door de directe quote, ook wel de directe rede:

‘Het land kan vandaag op mij rekenen,’ zei de minister.

De journalist kan ook op een andere manier weergeven wat de bewindsman zei, in de indirecte rede:

De minister zei dat het land die dag op hem kon rekenen.

De verschillen vallen op. De aanhalingstekens zijn weg, de eerste persoon (‘mij’) wordt omgezet in een derde persoon (‘hem’), terwijl de tegenwoordige tijd (‘kan’) verandert in de verleden tijd (‘kon’), en de tijdsaanduiding (‘vandaag’) een stuk vager wordt (‘die dag’).

In een gewoon nieuwsverhaal schrijf je als journalist liever niet:

Sven Kramer dacht: ‘Ik ga vandaag winnen.’

Het is dan net alsof je Kramer dat hebt horen denken, die aanhalingstekens suggereren dat je zijn gedachte letterlijk weergeeft. Terwijl je nooit zeker weet wat Kramer dacht. Met de indirecte rede houd je als verslaggever een slag om de arm:

Sven Kramer dacht dat hij die dag ging winnen.

Wie als verslaggever nog meer afstand wil houden, parafraseert wat Kramer dacht, geeft het weer in zijn eigen woorden:

Sven Kramer was ervan overtuigd dat hij ging winnen.

Of:

De minister beloofde zich te blijven inzetten voor het land.

De directe rede, de indirecte rede en de parafrase zijn de meest gebruikte stijlvormen om citaten weer te geven in de krant. Ze zijn adequaat, maar ook houterig en sloom. Het kan anders.

Kruidige gesprekken

Als je in een verhalende reportage het standaardperspectief van de journalist loslaat, en in het hoofd van een personage kruipt, kun je gesprekken kruidiger weergeven. Bovendien kun je ook opschrijven wat iemand niet hardop zegt, maar alleen denkt.

De meest gebruikte vorm is de vrije indirecte rede. Die stijlfiguur – ook bekend als de erlebte Rede – houdt het midden tussen de directe en de indirecte rede. Het is net alsof de verteller en het personage samen aan het woord zijn, alsof ze in elkaar overlopen en het citaat van de minister in de toon van de verteller is omgezet. De zin van de minister hierboven luidt nu:

Het land kon die dag op hem rekenen.

Typerend voor deze vorm is dat ook de wat afstandelijke ‘citaataanduider’ (‘zei hij’) is weggelaten. De woordvolgorde van de zin is gelijk aan de directe rede, aan het letterlijke citaat dus, maar in de derde persoon (‘hem’ in plaats van ‘mij’), en in de verleden tijd (‘kon’ in plaats van ‘kan’).

Nog minder omwegen

Het kan nog vrijer. Met nog minder omwegen. Je kunt als journalistiek verteller ook ‘letterlijk’ de gedachten van een personage weergeven, zonder erbij te vertellen dat je dat doet. Neem ‘Carels hoofd’, het verhaal dat ik schreef over een hersenoperatie bij een man die door de ziekte van Parkinson ondraaglijk overbeweeglijk was geworden. In een flashback beschrijf ik hoe de hoofdpersoon hoort dat hij ongeneeslijk ziek is.

Carel Dolman ging naar een neuroloog die zijn bloed liet testen en een scan liet maken van zijn hoofd. De arts dacht al dat hij niets kon vinden, toen hij nog eens goed keek naar Carels rare loopje, en aan zijn polsen draaide, en zei: ‘Ik weet het. U heeft de ziekte van Parkinson.’

Godsamme.

De kalme toon waarop over de diagnose wordt verteld, verandert ineens in een nog net gekuiste vloek. Daar staan geen aanhalingstekens omheen. Het is geen directe quote. Er staat ook niet: ‘…reageerde Carel’. De ‘citaataanduider’ (‘hij zei:’) ontbreekt. Hoewel nergens uit op te maken valt wie hier ingehouden vloekt, of die vloek alleen maar denkt, begrijpt de lezer dat prima.

De vorm wordt de vrije directe rede genoemd. Het is net alsof het personage de verteller even opzij duwt en het woord neemt. Omdat het beknopt is, zo zonder omwegen, werkt de stijlvorm goed in passages waarin je vaart wil maken.

Je kunt de vorm ook langer dan die ene uitroep volhouden, waardoor er een interne monoloog (ook wel stream of consciousness genoemd) ontstaat die de gedachten en emoties van je personage onverkort weergeeft, desnoods met alle haperingen, uitroepen en aarzelingen.

De vraag is of het werkt

De zes stijlmiddelen – van directe rede tot aan interne monoloog – zijn minder scherp van elkaar gescheiden dan je zou denken. De praktijk van verhalen is telkens weer ingewikkelder dan de verteltheorie. Zo worden de vormen soms door elkaar heen gebruikt; het enige wat telt, is – opnieuw – de vraag of het werkt.

Na de vloek neemt ‘Carels hoofd’ gas terug, om het contrast te vergroten, en het gevoel van onmacht te laten bezinken.

Carel Dolman was 38 jaar. Hij wilde zijn zoontjes nog leren windsurfen. Hij zou met ze gaan fietsen langs de Friese elf steden. En ’s winters skiën.

Op zijn naaste familie na, wat vrienden en de directie van zijn school, vertelde hij niemand wat er loos was. Totdat mensen in het dorp over hem begonnen te praten. Dat hij met zó’n sik rondliep. Dat hij zo stijf was en onhandig.

Met de korte zinnen aan het slot versnelt het verhaal weer. Waarna in zes ultrakorte alinea’s de climax van deze passage, van de scène en van de flashback wordt weergegeven. De stemmen van de verteller en van Carel lopen in elkaar over. In de vrije vorm komt zelfs een citaat voor van een leerling, zonder dat dat erbij wordt gezegd. Er staan net voldoende citaataanduidingen om de lezer niet in verwarring te brengen:

De groep van atheneum-4 hoorde het als eerste.

Jongens, ga eens even zitten.

Een van de jongens had een opa, en die had het ook.

Hoe oud is die opa, vroeg Carel Dolman.

Tachtig.

Joh, zei hij, ik ben nog niet op de helft.


Lees ook:

Deel 1: Vertellen werkt.

Deel 3: De NRC-reportage over de schietpartij in Alphen aan den Rijn herschreven.

Deel 4: Behendigheid en de stem van de verteller.


cropped-garage-klein

Dit artikel verscheen eerder op De Verhalengarage, de website over verhalende journalistiek van Henk Blanken en Rik Kuiper.

Henk Blanken

Henk Blanken is schrijver en journalist.

Alle artikelen van Henk Blanken op De Nieuwe Reporter.