De trucs van de verteller (3): De NRC-reportage over de schietpartij in Alphen aan den Rijn herschreven

Hoe verstel je een goed journalistiek verhaal? In een serie van vier artikelen schrijft Henk Blanken over de tools, tips & tricks van het vertellen. In deel 3 legt Henk Blanken uit hoe een reportage van NRC over de schietpartij in een winkelcentrum Alpen aan de Rijn sterker verteld had kunnen worden.

Wat kun je als verhalende journalist met die taaltechnische gereedschapskist van de literatuur? Beter vertellen, denk ik. Dat is nodig, want de narratieve reportages die kranten en tijdschriften steeds gretiger laten maken – waarvoor we hen moeten prijzen – rammelen nog te vaak, en vaker naar mate er meer tijd is besteed aan het onderzoek.

In Nederland en België bekroont de VVOJ geweldig uitgezochte verhalen met een prestigieuze Loep terwijl die reconstructies belabberd zijn opgeschreven, zelfs als er geprobeerd is ze ‘verhalend’ te vertellen – of juist daardoor.

Jon Franklin zag tien jaar terug al waar het spaak liep: in de overgangen, het tempo, de structuur, de vorm van de sage. ‘Most narrative in newspapers is awful,foeterde de oude brombeer.

Puike reportage

Om duidelijk te maken hoe het beter kan, heb ik de Tristan-reportage erbij gepakt die Kobie van Krieken jaren geleden al gebruikte om haar these te bewijzen: verhalende misdaadreconstructies hebben meer impact op de lezer.


Kobie van Krieken promoveerde in 2016 op onderzoek naar de leeservaring van verhalende reconstructies. Lees over haar onderzoek op DNR: Hoe meeslepend zijn journalistieke verhalen nu echt?


Zoals ik al eerder zei: ik doe dat niet om de NRC-collega’s af te zeiken. Zij schreven hun reportage in een dag – ik heb er jaren over kunnen nadenken. Ook pretendeer ik niet dat mijn herschreven versie de best denkbare is; integendeel: er staan zinnen in die dubieus zijn, louter om te illustreren welke mogelijkheden een verhalend journalist heeft.

Kobie van Krieken vergeleek de NRC-reportage met een bericht in de Volkskrant, dat gebaseerd was op het ANP:

De dader van de schietpartij in Alphen aan den Rijn is de 24-jarige Tristan van der V. Hij was lid van een schietvereniging. Hij had een vergunning voor vijf wapens, en drie wapens in bezit. Het is niet duidelijk of hij daarmee geschoten heeft.

Dat heeft Officier van Justitie Kitty Nooy bekendgemaakt op een persconferentie.

Ik heb de NRC-versie van voetnoten voorzien, een methode afgekeken van Jon Franklin. Daarna heb ik dat ook gedaan met mijn eigen versie, die ik een jaar of wat geleden al schreef.

Het NRC-verhaal opent zo:

Tristan van der V. parkeert zaterdagmiddag rond twaalf uur zijn zwarte Mercedes op het Carmenplein bij winkelcentrum de Ridderhof. Hij heeft drie wapens bij zich. Hij stapt uit en schiet iemand neer. Dan gaat hij een stenen zijtrap op en door een deur het winkelcentrum in. In zijn auto, die later door de Explosieven Opruimingsdienst wordt onderzocht, ligt een briefje. Daarop staat dat er explosieven liggen in drie andere winkelcentra in Alphen aan den Rijn.

Wat meteen opvalt, is de keuze voor de onvoltooid tegenwoordige tijd (ott). Daarmee geven de twee auteurs, die zoals gebruikelijk in traditionele reportages ‘verborgen’ zijn, hun verhaal vaart en urgentie. Ze geven de lezer de gelegenheid zich te verplaatsen in het moment, ‘zaterdagmiddag rond twaalf uur’, waarop Tristan aan zijn moordpartij begon.

Verhaalheden

Daarmee ligt het ‘verhaalheden’ vast, zoals ik het noem. Dat heden is uiteraard een ander heden dan het ‘reële heden’ van de lezer (op zijn vroegst die maandagmiddag toen NRC op de mat plofte).

Met de keuze voor de ott en dat verhaalheden proberen de NRC-verslaggevers de lezers het gevoel te geven dat die lezers zelf getuige zijn van de schietpartij. Heel even, in de eerste vier zinnen, zou een geoefende lezer nog kunnen denken dat het verhaal wordt verteld vanuit het personale perspectief van Tristan. Alleen hij weet op dat moment immers dat hij ‘drie wapens’ heeft meegenomen. Maar in een bijzin – de flash forward over het EOD-onderzoek – wordt dat perspectief doorbroken. Niet Tristan vertelt, maar een alwetende journalist.

Met die traditionele keuze doet de reportage zichzelf tekort. De mogelijkheid van identificatie met de mensen in het Alphense winkelcentrum, het ‘getuige’ kunnen zijn, wordt beperkt.

Bovendien ontnemen de auteurs zichzelf met hun alwetendheid de kans spanning op te bouwen. Want hoe zou een getuige, stel dat die het allemaal had kunnen volgen, het hebben meegemaakt? Misschien zo:

Het moet rond het middaguur zijn geweest toen de zwarte Mercedes zaterdag het Carmenplein in Alphen aan den Rijn opdraaide. De bestuurder parkeerde de auto en stapte uit, een man van rond de twintig, een jonge, blanke man die de parkeerplaats overstak en met een vuurwapen de eerste voorbijganger die hij tegenkwam doodschoot, willekeurig, terloops en rustig, alsof hij een sigaret uitdrukte.

Toen beklom de man de stenen trap. Door een deur ging hij de Ridderhof binnen.

Helikopterperspectief

In deze versie is geen sprake van een alwetende verteller, maar van een fly on the wall, een vlieg die zelfs wat boven het Carmenplein vliegt, een helikopterperspectief misschien. De vlieg ziet alles, maar weet nog niet wat er staat te gebeuren.

Dat heel beperkte point of view probeerde ik te versterken door de onzekerheid over het precieze tijdstip (‘Het moet rond het middaguur zijn geweest’). Zou een getuige achteraf het verhaal niet zo navertellen?

Ook de allicht wat tegendraadse keuze voor de verleden tijd, de ovt, heeft daarmee te maken. Het moet de onzekerheid en het nog-niet-alles-weten versterken.

Bovendien geeft ott– die minder gehaast en newsy is dan de ott – een verhalende reconstructie meer het karakter van een dramatisch verhaal. En dat wilde ik graag.

Geen misverstand over de tijd

Na verteller, perspectief en citaatvormen is ‘tijd’ het vierde stuk gereedschap waarmee je als journalist aan een narratieve reportage kunt sleutelen. Ik ben er nogal overgevoelig voor, misschien meer dan de meeste lezers.

Vooral in volledig narratief opgebouwde verhalen die zich als een film van scène naar scène ontwikkelen, wil ik als lezer bij elke nieuwe scène weten op welk moment we nu zijn aanbeland.

Wie daar onduidelijkheid over laat bestaan, of binnen een scène zomaar naar een ander moment in de chronologie springt, brengt de lezer in verwarring.

Benoem de tijd, dus. En doe dat ook met de plaats van handeling, als die niet meteen uit de context duidelijk wordt.

Terzijde: Aan het slot van de eerste alinea’s doe ik iets wat ogenschijnlijk indruist tegen mijn keuze voor het vlieg-perspectief. Een fly on the wall hoort zich niet uit te spreken over de gebeurtenissen. Maar mijn vlieg is de getuige die ziet hoe zich een verschrikkelijke gebeurtenis voltrekt, en kan zich niet inhouden.

Hij spreekt zijn afschuw uit in vier kwalificaties van het handelen van de schutter. ‘Willekeurig’ en ‘rustig’ zijn nog betrekkelijk neutrale adjectieven. In ‘terloops’ zit al iets van de verbijstering. En met de metafoor ‘alsof hij een sigaret uitdrukte’ valt de vlieg helemaal uit zijn rol – hij wordt een mens.

Of dit kan? Misschien. Smaak speelt mee. De metafoor die doet denken aan Dirty Harry-films en goedkope Amerikaanse detectives, is niet bijster origineel. Maar als het werkt, mag het.

Wisselend point of view

Vanaf de derde alinea, waarin een oude man wegvlucht voor de schutter, verplaatsen de NRC-verslaggevers zich in steeds andere getuigen – dat is althans het effect van de keuze voor de tegenwoordige tijd.

In welke volgorde ze die getuigen opvoeren, wordt niet duidelijk. Telkens wordt de plaats van handeling benoemd (de Albert Heijn, de C1000, etc), maar op welk moment in het drama – in het verhaalheden – we ons bevinden? Het blijft gissen.

Het kan zijn dat ze de chronologie strikt volgen, wat niet onlogisch is – het is de beste, want meest natuurlijke volgorde als er geen betere is. Maar misschien, de verslaggevers maken hun keuze niet duidelijk, is de volgorde wel bepaald door de kwaliteit van de getuigenissen: de belangrijkste eerst, als bij de omgekeerde piramidestructuur van de traditionele reportage.

Die onduidelijkheid doet afbreuk aan het narratieve karakter van het verhaal en verkleint dus de mogelijkheid van identificatie met de getuigen, net als de keuze voor ‘direct quotes’:

„Ik dacht eerst dat er iets op de grond viel.” (alinea 4)

„Je weet niet wat er gebeurt” (10)

„Er stonden mensen te filmen met handycams.” (17)

Die uitspraken worden gedaan tegen de verslaggevers (tegen wie anders?) en verstoren de eenheid van tijd en perspectief die nodig zijn om een scène de schijn van authenticiteit te geven.

Eenheid

Nog meer schade loopt de continuïteit van het verhaalheden op als de verslaggevers citaataanduiders gebruiken met een tijdsbepaling (‘Het leek wel oorlog’, zegt hij de volgende dag), terwijl zij tegelijkertijd hun best doen het verhalend perspectief te volgen (‘Maar dat weet hij dan nog niet’).

Ten slotte wordt halverwege het verhaal, in alinea 9, de eenheid van plaats nog doorbroken. Zonder nadere toelichting zwenkt de camera ineens van het winkelcentrum naar ‘de politie’:

De politie krijgt kort na twaalf uur de eerste melding.

Met die jumpcut belanden we wat ruw in de meldkamer. Dat is jammer omdat vanaf alinea 20 het perspectief van de politie leidend wordt; het tijdstip van de eerste melding had daar ook gemeld kunnen worden – zoals ik besloot te doen toen ik nadacht over een andere narratieve, scene by scene-structuur.

Lees op De Verhalengarage de NRC-reportage met voetnoten waarin Henk Blanken commentaar geeft.


Lees ook:

Deel 1: Vertellen werkt.

Deel 2: De journalist als verteller.

Deel 4: Behendigheid en de stem van de verteller.


cropped-garage-kleinDit artikel verscheen eerder op De Verhalengarage, de website over verhalende journalistiek van Henk Blanken en Rik Kuiper.

Henk Blanken

Henk Blanken is schrijver en journalist.

Alle artikelen van Henk Blanken op De Nieuwe Reporter.