Over creativiteit, pitchen, data en Tegels winnen: De beste tips van de VVOJ-Jongerendag

vvojjongerendag

Afgelopen zaterdag was Wouter van Dijke op bezoek op de redactie van het AD in Rotterdam. Daar werd namelijk de jaarlijkse Jongerendag van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) georganiseerd. Een stuk of tien jonge journalisten kregen vier workshops over onderzoeksjournalistiek. Een dag vol interessante discussies en vooral ook veel praktische lessen. Hier lees je welke tips Wouter het nuttigst vond.

1. Een onderwerp is geen idee

De eerste workshop was van Karel van den Berg, een freelance journalist die zich specialiseert in hoe journalistieke ideeën ontstaan. Hij vertelde allerlei wijze lessen en praktische tips om meer ideeën te verzinnen. En hoe meer ideeën, hoe groter de kans dat er een goed idee tussen zit.

Een belangrijke les voor mij was om tijd te nemen om over ideeën na te denken. Ik denk zelf vaak dat als ik maar lang genoeg met een onderwerp in mijn achterhoofd rondloop, er vanzelf iets komt, maar dat valt in de praktijk toch tegen. Goede ideeën verzinnen is gewoon werk waar je even voor moet gaan zitten.

Een goed idee begint volgens Van den Berg met een goede vraag: wat zoek je? Een goede vraag is open (‘hoe kunnen we…?’) en is positief (dus niet: ‘hoe voorkom ik..?’).  Ook is het goed om een ambitieus voornemen te hebben. Dus niet: ‘hoe kom ik komende week in de krant?’ maar ‘hoe win ik dit jaar een Tegel?’. Of het dan lukt of niet, je mikt sowieso al hoger. Aim for the moon, land among the stars, etc.

Vervolgens probeer je aan de hand van je vraag zoveel mogelijk ideeën te verzinnen. Een goede brainstorm, dus. Daarbij moet je je oordeel nog uitstellen. Schrijf alles op wat in je hoofd opkomt, zonder te denken aan dingen als haalbaarheid, kosten en of het al eens gedaan is. Dat komt daarna pas, als je lekker veel ideeën op papier hebt staan. Dan zoek je de beste ideeën er tussenuit. Het kan ook zijn dat dan blijkt dat je twee ideeën op geniale wijze kunt combineren.

2. Een goede pitch

Als je uiteindelijk een briljant idee hebt moet je het ook nog pitchen. Daarvoor gaf Van den Berg een handig recept. Als je naar een chef toegaat en begint met ‘ik heb een soort van idee, maar ik weet niet of het wat is, het is ook nog wel vaag, en ik heb er wel wat tijd voor nodig, en ook wat budget, maar goed..’, dan is het effect volgens hem dat je chef “nu allerlei problemen heeft die hij vijf minuten geleden nog niet had” en je hebt je idee nog niet eens verteld. Zeer herkenbaar, en toch ook zo begrijpelijk dat dat niet werkt.

We verzonnen met de groep een idee rondom de onderwijsstaking en Van den Berg deed voor hoe je daar een pitch van maakt:

  1. Verzin een werktitel voor je idee, het liefst een metafoor, waarmee je in één keer iemand nieuwsgierig maakt. Bijvoorbeeld: Minister van onderwijs voor één dag
  2. Leg het idee in één zin uit, liefst als open vraag.  Bijvoorbeeld: Wat zou een basisschoolleraar veranderen als die het voor het zeggen had?
  3. Vertel het achterliggende verhaal in één alinea, waarmee je je research laat zien. Bijvoorbeeld: Waarom de leraren staken, wat er verder gaat gebeuren, wat er in het regeerakkoord over staat, wie je zou willen interviewen.
  4. Pas als laatst zeg je wat je aan middelen nodig hebt en hoe je de uitvoering voor je ziet.

Met deze methode creëer je eerst enthousiasme voor je idee, voordat je tot de eventuele problemen komt.

3. Goede vragen stellen

De tweede spreker was Freek Staps, die lang bij NRC heeft gewerkt, onder andere als correspondent in de VS, chef van NRC Q en chef digitaal. Nu werkt Staps bij Second Degree (part of DEPT), waar hij ‘merkjournalistiek’ maakt voor verschillende bedrijven. Er kwam een discussie op gang over of we wat hij nu doet wel of niet ‘journalistiek’ mogen noemen, maar daar ga ik verder even niet op in. Wat hij daarna vertelde vond ik namelijk veel leerzamer.

Staps vertelde over hoe je met goede vragen betere verhalen kan maken. Een handige tip was om van iedereen die je spreekt, altijd naam en nummer te noteren. Wie weet denk je op het moment zelf dat je weinig aan ze hebt maar zijn ze later precies de persoon die je moet hebben. We kregen ook een goede vraag om aan het eind van een interview te stellen: ‘wie zou ik hier verder nog over moeten spreken?’. De meeste mensen zullen daarop een tip geven waar je echt iets aan hebt.

Ik vroeg me af hoe interviewers soms aan allerlei details komen die een verhaal mooi maken. Hoe krijg je een geïnterviewde zo ver dat hij of zij al die details vertelt? De tip: mensen vertellen in een gesprek vaak minstens drie keer hetzelfde, maar dan in net andere woorden. Vraag dus gerust naar dingen die je al weet, zodat je er meer details over te weten kan komen.

 Foto Paul SchramDe deelnemers aan de VVOJ Jongerendag tijdens de workshop van Jerry Vermanen. Foto: Wouter van Dijke.

De deelnemers aan de VVOJ Jongerendag tijdens de workshop van Jerry Vermanen. Foto: Paul Schram.

4. Je eerste dataproject

Datajournalist Jerry Vermanen (KRO-NCRV, daarvoor Nu.nl) vertelde hoe je een begin kan maken met datajournalistiek en een eerste dataproject op kan zetten. Ik volgde een aantal jaar geleden al eens een workshop van Jerry, leerde daar wat een draaitabel is en sindsdien is mijn interesse in data behoorlijk aangewakkerd. Een goede inleidende les uit deze workshop: ‘Jaloezie is een goede drijfveer voor journalistieke ideeën’. Als je denkt: ‘dat is zo vet, kon ik dat maar, was ik maar op dat idee gekomen’, dan moet je dat aanpakken als inspiratie om zélf ook zulke dingen te gaan doen.

Eigenlijk is datajournalistiek niet zo anders dan andere journalistiek, volgens Vermanen. Je begint met het verzamelen van bronnen en informatie, dit verwerk je om een vraag te beantwoorden of een verhaal te vertellen en tot slot presenteer je het aan een lezer/kijker/luisteraar/overig. Alleen de invulling van de stappen is anders.

5. Het menselijke verhaal

Verder staan data niet op zich. Je kunt verhalen vertellen met grote hoeveelheden data, maar pas als je inzoomt op individuele gevallen kom je bij het menselijke verhaal. Een praktijkvoorbeeld: Vermanen probeert met zijn team veiligheidscamera’s in Nederland in kaart te brengen, maar vertelt ook wat er mis kan gaan met zo’n camera.

Het kan ook de andere kant op: van incident naar trend. Oftewel, er gebeurt iets en je zoekt met data uit of het vaker voorkomt, en waar dan, en of daar patronen in zijn te ontdekken. Het helpt ook als je data lokaal en persoonlijk kan maken. Niet ‘zoveel auto-ongelukken gebeuren er in Nederland’ maar ‘zo vaak ging het mis in uw gemeente’.

Het gaat ook nog wel eens mis, als je als journalist de cijfers niet goed op een rij hebt, maar vooral als je iets probeert te zeggen wat je eigenlijk niet uit de data kan halen. Denk na: welke cijfers gebruik je, en waarom deze? Heeft de bron van de cijfers een belang? Kan ik deze conclusie wel trekken? Moet ik relatieve aantallen gebruiken? Bedenk ook dat de data heel veel kan vertellen over wie, wat, wanneer, waar en hoe, maar zelden over ‘waarom?’

Mooie uitsmijter: ‘De eerste stap in ergens heel goed in zijn is ergens heel slecht in zijn, maar toch doorzetten’.

6. Een Tegel winnen

De laatste spreker was Peter Groenendijk, onderzoeksjournalist bij het AD. Groenendijk heeft veel geschreven over de DuPont-fabriek in Dordrecht, inmiddels Chemours, die allerlei schadelijke stoffen uit blijkt te stoten en voor dat onderzoek ook een Tegel gewonnen.

Groenendijk werkte voor de verhalen samen met een verslaggever van de stadsredactie in Dordrecht. Die was zeer goed ingevoerd in de stad, waardoor er een goede samenwerking kon ontstaan. Ook hielp het volgens Groenendijk dat de twee journalisten erg verschillend waren van karakter, zodat ze elkaar goed aanvullen.

Groenendijk liet zien hoe je door telkens onderzoek te blijven doen en door te blijven vragen een dossier jarenlang kan volgen en telkens weer nieuwe dingen op het spoor kunt komen. Hij vertelde ook over de uitdagingen. Zo wordt elk stuk gelezen door een advocaat, om te voorkomen dat het AD of de journalisten aangeklaagd kunnen worden. Ook ontstond er veel ophef nadat het AD beschreef dat de stof GenX in heel Zuid-Holland in het drinkwater was aangetroffen. De dosis GenX was nergens zo groot dat het gevaar opleverde, wat ook vermeld was, maar toch ontstond er bij sommige lezers paniek. Volgens Groenendijk is het dan ook belangrijk dat je goed uitlegt wat er aan de hand is en wat de gevolgen zijn. Doe dat ook niet pas in de laatste paragraaf van je stuk, want veel lezers zullen dat misschien niet eens lezen.

Thanks, VVOJ!

Al met al was het een bijzonder leerzame dag en een goed bestede zaterdag. Bedankt aan de VVOJ voor het organiseren en aan de sprekers voor het, eh, spreken. Tot volgend jaar?

Heb jij ook tips voor beginnende onderzoeksjournalisten, vond je dit verslag al mega leerzaam of was je ook op de VVOJ Jongerendag?  Laat het me weten met een reactie hieronder of stuur me een mail of tweet.

Dit verslag verscheen eerder op het weblog van Wouter van Dijke.

Wouter van Dijke –

Wouter van Dijke is online redacteur bij NRC.

Alle artikelen van Wouter van Dijke op De Nieuwe Reporter.