Interview met Jaap van Ginneken

“Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken.”

Jaap van ginneken

Communicatiewetenschapper Jaap van Ginneken was tijdens zijn carrière een luis in de pels van de journalistiek. Deze maand publiceerde hij een boek over Kurt Baschwitz, de man die als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land. Eric van Beek sprak met Van Ginneken. “Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.”

Psycholoog dr. Jaap van Ginneken is een vreemde eend in de bijt van de communicatiewetenschap. Waar de meesten van zijn generatiegenoten hun ‘systeemkritiek’ op de nieuwsmedia afzwoeren, bleef Van Ginneken een luis in de pels van de journalistiek. Zijn in 1996 verschenen boek, De schepping van de wereld in het nieuws, waarin hij ‘101 vertekeningen van het nieuws’ uiteenzette, werd tot leerboek aan scholen voor journalistiek in tal van landen, waaronder laatst zelfs in nog China.

Het omvangrijke oeuvre van Van Ginneken beperkt zich niet tot de nieuwsmedia. De twee dozijn boeken die hij schreef gaan over uiteenlopende onderwerpen als de waanzin van personen op hoge posities (Verleidingen aan de top); de invloed van geld op menselijk gedrag (Gek met geld); zelfsturende organisaties (De kracht van de zwerm); massahysterie en rages (Brein-bevingen); de verbeelding van andere culturen in speelfilms (Exotisch Hollywood) en de verborgen trauma’s van Asterix, Donald Duck, Kuifje, Superman en Babar (Striphelden op de divan).

Biografie over Kurt Baschwitz

Deze maand verscheen van Van Ginneken een biografie over het bewogen leven van de joodse Duitser Kurt Baschwitz, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als correspondent naar het neutrale Nederland kwam, terug in de Weimar Republiek opklom tot hoofdredacteur van het gezaghebbende weekblad voor krantenuitgevers, in 1933 terugkeerde naar Nederland op de vlucht voor de nazi’s, tijdens de Duitse bezetting zat ondergedoken, korte tijd in kamp Westerbork zat opgesloten, na de bevrijding als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land.

JvGinneken_KB_voorplat_KL

De 74-jarige Van Ginneken gaat nu met pensioen. De Baschwitz-biografie is zijn laatste boek. Eerder, in 2004, stopte hij al met het doceren aan de vakgroep communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Een gesprek over het commerciële en propagandistische karakter van de nieuwsmedia, de actualiteit van Kurt Baschwitz – en de bijzondere loopbaan van Jaap van Ginneken, die, hoewel hij in 1989 cum laude promoveerde, een professoraat werd onthouden omdat hij ideologisch te bevlogen zou zijn geweest.

In de jaren zestig studeerde je psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, met als bijvakken massapsychologie en persstudies. In de jaren zeventig vestigde je je in Parijs. Hoe belandde je daar? Was dat de Parijse Studentenrevolte van 1968?

“Ja. Ik was er alleen net niet bij. Ik studeerde af in 1970 en kreeg aansluitend een vaste baan aan de universiteit. Maar ik ervoer de universiteit te veel als een kantoorbestaan. Zeker tegen de achtergrond van wat er toen in de wereld gebeurde. Mijn toenmalige vriendin die fotografe was kon in Parijs een baantje krijgen bij fotopersbureau KIPA. Ik liep even college aan de École Pratique des Hautes Études en Sciences Sociales, een derde fase-instelling voor promovendi, en ook aan het Collège de France, waar college werd gegeven door grote denkers van die tijd, zoals Michel Foucault.”

In Parijs stortte je je op de journalistiek. Artikelen van jou verschenen in de Groene Amsterdammer, en ook incidenteel in Engelstalige en Franstalige media als The Guardian en Le Monde. Je noemt de journalist die je toen was een ‘radical third worldist’ en zelfs een ‘fellow traveller’.

“Ik was erg begaan met de ellende in de Derde Wereld. Ik was daarom geïnteresseerd in bevrijdingsbewegingen en revoluties. Ik heb in die tijd veel ontwikkelingslanden bezocht, in Afrika, Azië en Latijns-Amerika, en heb daarover geschreven.”

Waar ging het mis?

“Ik had met eigen ogen de westerse ontwikkelingshulp zien falen. En ik dacht: Er moet een alternatief zijn voor het neokoloniale ontwikkelingsmodel. Een professor aan de Universiteit van Amsterdam, W.F. Wertheim, organiseerde een groepsreis naar China voor een paar van zijn medewerkers en studenten. Wertheim meende dat het vervolg op de Grote Sprong Voorwaarts, ondanks gemaakte fouten, wel kon werken. Dat was in 1971. Wij waren de eerste Nederlanders die China binnenkwamen, met uitzondering van de Rode Jeugd die we daar een keer tegenkwamen, de echte, harde maoïsten.

Ik heb geschreven over mijn ervaringen daar, en omdat er in die tijd weinig was over China, kon ik mijn artikelen slijten bij de kranten. Zo ben ik in de jaren zeventig in de China-watching beland. Maar in het voetspoor van professor Wertheim schreef ik redelijk positief, en dacht ik ook echt dat de Chinese aanpak een alternatief vormde voor het westerse ontwikkelingsmodel. Pas geleidelijk kwam ik er achter wat een ellende er achter schuil ging en dat ik teveel met een roze bril naar China had gekeken. Eind jaren zeventig dacht ik: Ik moet hier mee stoppen. Ik zit op het verkeerde spoor.”

Terug in Nederland, in 1981, pakte je de draad weer op van de wetenschap. Aan de Universiteit van Amsterdam was je jarenlang parttime senior docent aan de afdeling communicatiewetenschap. Tegelijk volgde je een parallelle carrière als onafhankelijk onderzoeker, schrijver, spreker en adviseur.

“Ik heb mij in het vervolg van mijn loopbaan alleen nog bezig gehouden met onderwerpen die aansloten op mijn academische specialiteit, de sociale, politieke en massapsychologie.”

Toch ben je altijd een geëngageerde persoon gebleven. In jouw latere werk zijn westers etnocentrisme en imperialisme, en oorlogen en armoede in de Derde Wereld terugkerende thema’s.

“Ja. Maar ik ben daar wel voorzichtiger in geworden. Ik heb geleerd dat het het verstandigst is jezelf te positioneren in het maatschappelijke midden, en vandaaruit je kritiek te uiten, in termen van common sense, en vooral nooit woorden te laten vallen als ‘het kapitaal’ en ‘monopolie’.”

Jij bent stiekem nog steeds een marxist?

“In een aantal opzichten wel. Ik geloof dat Karl Marx een groot sociaal-wetenschapper was. Veel van zijn redeneringen en begrippen zijn ten onrechte weggepoetst uit de economische wetenschap. Zo geloof ik nog steeds in het idee van ‘ongelijke ruil’. Er was in de jaren zeventig een hele literatuur van alternatieve economen die zei: ‘Ontwikkelingslanden zitten gevangen in ongelijke ruil in het neo-koloniale systeem, waardoor ze gedwongen zijn te lage prijzen voor hun grondstoffen te aanvaarden en te hoge prijzen te betalen voor westerse industriële producten. Ook al zitten ze officieel op een vrije wereldmarkt, ze worden er niet beter van, althans in de mate waarin ze er beter van zouden moeten worden.’ Ik geloof nog steeds dat daar een kern van waarheid in zit. Maar de mainstream-economen denken daar anders over. Zij zeggen: De markt werkt op zo’n manier dat prijzen altijd perfect op elkaar zijn afgestemd.”

Cees Hamelink en jij zijn misschien de enigen van jullie generatie communicatiewetenschappers die geprobeerd hebben de systematische kritiek op de nieuwsindustrie levend te houden?

“Wij waren radicale systeemcritici, en er zijn er niet veel over. Later heb je mensen gekregen als Joris Luyendijk die vanuit een heel ander temperament, een andere sociale positie en een andere invalshoek radicale dingen hebben gezegd. Over het functioneren van de parlementaire, financiële en Midden-Oosten berichtgeving. Maar hij voelt zich niet een radicale systeemcriticus zoals wij dat waren, en hij zou waarschijnlijk het liefst zo weinig mogelijk met ons geassocieerd willen worden.”

In de jaren zeventig was er vanuit de Nederlandse communicatiewetenschap veel kritiek op het ‘kapitalistische’ karakter van de pers. Sindsdien is de invloed van adverteerders alleen maar toegenomen en is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden. Maar de kritiek daarop vanuit de communicatiewetenschap lijkt verstomd. Hoe zie jij dat?

“Die is inderdaad afgestorven, maar daar zitten twee kanten aan. De systeemkritiek van de jaren zeventig was te primair en te simpel. Die had in die zin geen bestaansrecht meer. Mijn boek De schepping van de wereld in het nieuws is een poging geweest om te laten zien de commerciële invloeden op de nieuwsmedia complexer zijn dan tot dan toe werd gedacht.”

Je hebt het geprobeerd, maar het is niet gelukt?

“De schepping van de wereld in het nieuws heeft jarenlang aan de scholen voor journalistiek als leerboek gegolden, wereldwijd. Maar toch is het type kritiek in onbruik geraakt. Misschien ook omdat het voor de doorsnee lezer te ingewikkeld is.”

Zijn het inmiddels de adverteerders die bepalen of een publicatie kan overleven? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor de manier waarop ons het nieuws wordt gepresenteerd?

“Adverteerders oefenen zelden rechtstreeks invloed uit. Als je een lelijk stuk schrijft over bodymilk van Dove is het niet zo dat meneer Unilever op hoge poten met de hoofdredactie belt. Het belangrijkste hier is wat ik heb genoemd het ‘Umfeld’. Er zijn bepaalde redactionele omgevingen waarin een adverteerder graag verschijnt. Glossy-magazines bijvoorbeeld. Die krijgen maar een fractie van hun inkomsten uit de verkoop van losse nummers. Het grootste deel komt uit dure advertenties. Die bladen staan vol redactioneel materiaal waar adverteerders graag tussen willen staan. Stukje over mode, een nieuwe bodycreme, leuke reisjes. De glossy’s venten comfortabele illusies uit die zich helemaal hebben losgezongen van de werkelijkheid.

Het omgekeerde zie je bij een blad als de Groene Amsterdammer, met alsmaar intellectuele stukken, en vroeger: kritisch gezeur over dit is niet goed en dat is niet goed, en de wereld gaat naar de kloten. Dat is voor adverteerders niet erg aantrekkelijk. De Groene heeft een geniaal ding gedaan in de meer dan honderd jaar dat ze bestaan: ze hebben nooit met geld gesmeten, en hebben de verleiding weerstaan geld te lenen om te kunnen expanderen. HP/De Tijd en Vrij Nederland hebben meer financieel risico genomen. Die zijn daardoor van weekbladen tot maandbladen gedegradeerd. Ook het afnemende aantal drank- en tabaksreclames in de opinietijdschriften heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen. Daar bestonden die bladen vroeger goeddeels van. “

Je hebt gezegd: “Op zichzelf is er met commercie en reclame niks mis, als de pluriformiteit verder goed gewaarborgd blijft.” Vind jij dat we in Nederland een pluriforme pers hebben?

“Op het eerste gezicht als je de kiosk binnenloopt en je ziet al die wanden met bladen, dan denk je: pluriform. Maar dat wordt anders als je ziet dat het bijna allemaal glossy’s en modebladen zijn, dat er nog twee opinieweekbladen over zijn en dat de weekendbijlagen van de kranten zijn verworden tot een soort advertentiefuiken met human interest en rubriekjes over ditjes en datjes. De algemene trend is dat de consumptiepropaganda in de media moeiteloos de echt kritische analyses overstemt.”

Wat betreft pluriformiteit: Zien we alle visies die er leven in de maatschappij voldoende weerspiegeld in de Nederlandse pers?

“Het is niet zo dat wat het publiek denkt gereflecteerd zou moeten worden in de media. Het is juist de pers die het voortouw zou moeten nemen in het vormen van een visie op wat er in Den Haag gebeurt, hoe onze economie reilt en zeilt, enzovoort. Journalisten worden ervoor betaald kritisch te zijn en met een eigen visie te komen, en dat geldt trouwens ook voor wetenschappers.”

We hebben voorbeelden gezien van breed gedragen visies in de maatschappij waar de pers volledig aan voorbij ging. Zoals over de problemen met multiculturele samenleving, of, meer actueel, over de demonisering van Rusland in de media, waarover in lezersrubrieken veel geklaagd wordt.

“Het is waar dat er te weinig en op de verkeerde manier is bericht over problemen die gepaard gingen met de multiculturele samenleving.”

Maar je zegt dus eigenlijk: pluriformiteit moet niet komen van een pers die alle geluiden in de samenleving een stem geeft? Pluriformiteit moet komen van journalisten die van bovenaf het publiek vertellen waar de problemen liggen?

“Populisme, zoals het genoemd wordt, heeft zeker bijgedragen aan het op de agenda plaatsen van onderwerpen die ten onrechte onbelicht of onderbelicht zijn gebleven. Maar waar het mij om gaat: veel kritiek blijft aan de oppervlakte hangen, graaft niet erg diep, is niet in staat de achterkant van het gelijk inzichtelijk te maken. Er is in de pers te weinig radicale systeemkritiek. Er staan wel kritische artikelen in de krant, maar dat gaat vooral over de ene columnist tegen de andere. Youp van ’t Hek die flink tekeer gaat is natuurlijk wel geestig, maar het is niet wat een kritische pers inhoudt. Het gaat er om dat je redacties uitrust met voldoende middelen om de onderste steen boven te krijgen. Er zou veel meer onderzoeksjournalistiek moeten zijn. Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.”

Hoe zie jij de concentratie van de pers? De monopolievorming op de dagbladenmarkt?

“Het feit dat er nu twee bedrijven zijn die meer dan negentig procent van kranten in handen hebben hoeft niet per se te leiden tot een slechte journalistiek. Het betekent wel dat winstbejag een grotere rol is gaan spelen. Een onrendabele krantenonderneming kan niet bestaan anno nu. In het verleden waren er veel onrendabele ondernemingen. Die werden gesubsidieerd door de zuil waar ze toe behoorden. Het nadeel daarvan was dat ze de zuil naar de mond praatten. Daar stond tegenover dat ze zich weinig aan de adverteerders gelegen hoefden te laten liggen. Maar in elk geval hadden we in de tijd van de verzuiling wel vijf verschillende ideologieën die met elkaar streden over onderwerpen. Nu is alles onderhorig gemaakt aan de commerciële ideologie, het Umfeld-effect wat ik noemde.”

IMG_4796

Heeft in de afgelopen decennia het onderzoek van communicatiewetenschappers enige invloed gehad op de manier waarop journalisten hun werk doen?

“Er is van geleerd. Maar een aantal perversies zit gewoon ingebouwd in het vak, en komen telkens weer naar voren. Enerzijds de blinde ambitie om een paar minuten eerder te zijn dan de concurrentie, vaak ten koste van de kwaliteit van de verslaggeving, en neerslaand in een eeuwige recycling van steeds dezelfde impliciete stereotypen. Anderzijds ook het conformisme van de meute die een bepaald onderwerp of ministerie, gezagsdrager of kandidaat moet coveren, met ook het aanschurken tegen de macht en het ‘ons kent ons’ patroon.”

De nieuwsmedia zijn al een halve eeuw een studieobject voor jou geweest. Kun jij nog een krant openslaan of naar een tv-journaal kijken met het doel kennis te nemen van wat er in de wereld gebeurt?

“Nee. Ik kan alleen nog naar het nieuws kijken met de vraag: Wat gaat er achter schuil? Waarom is dit opeens in het nieuws? Waarom wordt iets opeens heel groot, terwijl andere zaken nog geen seconde aandacht krijgen? Wie heeft daar belang bij? Was die of die persoon of instelling in de positie om dat nieuws een handje te helpen? Past het binnen een cultuurverschuiving waardoor er opeens iets zichtbaar wordt?”

Journaals zijn niet jouw favoriete nieuwsvoorziening?

“Zoals de meeste mensen van mijn generatie kijk ik nog trouw naar het journaal, zowel op de Nederlandse als de Franse televisie. Ik zie het televisienieuws als een soort collectieve psychotherapie. Mogelijke bedreigingen van ons wereldbeeld worden opgeroepen, geïdentificeerd, geëtiketteerd, gecategoriseerd, ‘behandeld’ en vervolgens weer opgeborgen. Voor dit doel voert de presentator iedere dag een hele stoet autoriteiten en experts ten tonele. Zij stellen gerust, zodat we onbezorgd kunnen gaan slapen.”

Jij hebt vaak gesteld dat objectiviteit niet bestaat, en dus ook niet voor journalisten. Wat is dan volgens jou de juiste grondhouding?

“Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken. Je moet je altijd afvragen: ‘Wie heeft er belang bij dat dit verhaal op dit moment bij mij terecht komt?’ Behalve als je te maken krijgt met zoiets als vulkaanuitbarsting in een ver land, dan zal het niet snel gebeuren dat iemand er een speciaal belang bij heeft dat in de krant te krijgen.”

Je werd destijds waarschijnlijk ook niet voor niks uitgenodigd voor een reisje naar China. Die professor Wertheim zal dat hebben georganiseerd omdat hij een bepaalde boodschap wilde overbrengen?

“Het was inderdaad de bedoeling positieve aandacht te krijgen voor het Chinese ontwikkelingsmodel. Ik heb daarom zelf met schade en schande ondervonden dat je niet kritisch genoeg kunt zijn als journalist.”

Als je als journalist niet objectief kunt zijn, mag je wel geëngageerd zijn?

“Het kan legitiem zijn om als journalist begaan te zijn met een bepaalde zaak, en dat je daar alsmaar aandacht voor vraagt. Maar je moet dan uitkijken dat je niet in een bubble belandt, waarin kritische geluiden en relevante tegenspraak je niet meer bereiken.”

Wat zijn sinds de jaren zestig de belangrijkste veranderingen die je hebt gezien in de nieuwsmedia?

“Over misschien de belangrijkste grote verandering hebben we het al gehad. De media zijn vrijwel allemaal commercieel geworden. De publieke omroepen een beetje minder dan de rest. Maar de strijd om de kijkcijfers werkt deels in het verlengde daarvan.
Een andere grote verandering is de audiovisualisering. Beeld en geluid zijn leidend geworden. Als er geen beeld van is dan zullen de journaals er niet snel mee openen, en dan zullen vervolgens de kranten er minder snel aandacht aan besteden. Het audiovisuele is de belangrijkste bron geworden van informatie en educatie.

De elektronisering heeft er bovendien toe geleid dat elke nieuwtje dat ergens op de wereld bekend wordt een paar seconden later bij ons op internet verschijnt of op de journaals. Met alle hijgerigheid en pseudo-actualiteit van dien.

Dan is er de BN’erisering. Op tv zie je de hele dag Bekende Nederlanders die van het ene naar het andere spelletje rennen en van quiz naar talkshow doorschuiven. Ook in de kranten en bladen is het een komen en gaan van BN’ers.”

Je schrijft dat weinig beroepsgroepen zo zelfgenoegzaam en lichtgeraakt zijn als journalisten. Kritische boeken of studies van buiten de beroepsgroep worden vaak unaniem neergesabeld.

“Ik leerde al snel als je je polemieken op Nederlandse personages en media richtte je dat snel kreeg terugbetaald. Als je je polemieken op het buitenland richtte, bijvoorbeeld op wat er in de VS gebeurde, dan was dat veel veiliger.”

Niettemin schreef De Journalist, het toenmalige huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, over jouw boek De schepping van de wereld in het nieuws: “Men kan Van Ginnekens boek afdoen als oude, linkse koek. Maar wie het leest, komt net iets te veel voorbeelden tegen die tot nadenken stemmen.”

“Ja, dat was fair. Maar verder heeft het boek weinig veranderd. Behalve misschien dat het de grond rijp heeft gemaakt voor de prachtige boeken die Luyendijk later schreef, over deels dezelfde onderwerpen.”

Je hebt een boek geschreven over de joods-Duitse Kurt Baschwitz, die je als een van de grondleggers beschouwt van de communicatiewetenschap in Nederland, en die als eerste een journalistenopleiding begon. Wat is het belangrijkste dat je van hem hebt geleerd?

“Het belang van ruimte voor systematische tegenspraak. Die is er vaak niet. Baschwitz heeft dat gemerkt tijdens de opkomst van het nazisme en antisemitisme in Duitsland. Ik heb dat bijvoorbeeld gemerkt aan de vooravond van de Tweede Golfoorlog. Ik heb toen vergeefs lopen leuren met een Nederlands artikel waarin uitvoerig beargumenteerde dat die atoomwapens van Saddam Hoessein waarschijnlijk helemaal niet bestonden. Niemand wilde het hebben. Het verscheen uiteindelijk pro forma in een klein wetenschappelijk blad.

Noam Chomsky cum suis hebben vastgesteld dat er in de mainstream media impliciete ‘limits of acceptable discourse’ worden gehanteerd, dat de ruimte voor tegenspraak vaak maar zeer beperkt is. Dat geldt bij uitstek bij hoog-emotionele kwesties in het internationale nieuws, en aan de vooravond van interventies en oorlogen. Het blijkt vaak pas decennia later, dat de werkelijkheid daarbij geweld werd aangedaan.”

Opvallend aan Baschwitz is dat hij een vrije pers en de vrijheid van meningsuiting als voldoende voorwaarden lijkt te zien voor een goed geïnformeerd publiek. Hoe zie jij dat? Is dat niet een beetje naïef?

“Baschwitz leefde in een tijd van totalitarisme, crisis en oorlogen. De vrije pers en de vrijheid van meningsuiting stonden toen heel erg onder druk. Later is het allemaal een stuk ingewikkelder geworden. Co-optatie is volgens mij een van de meest effectieve maar goeddeels onzichtbare controlemechanismen in onze maatschappij geworden. Fabrikanten co-opteren wetenschappers en onderzoek die laten zien dat hun producten gezond en geenszins schadelijk zijn. De rijksten in de VS co-opteren een beleid en instellingen die hun visie onderbouwen en veel breder verspreiden dan logisch is. Toppolitici co-opteren staf en lagere echelons die inschikkelijk zijn. In al die gevallen wordt er formeel nergens dwang gebruikt, en blijft de fameuze keuze-vrijheid schijnbaar onaangetast.”

Bijzonder aan Baschwitz is dat hij tegen de tijdsgeest inging van het interbellum, toen de democratie onder druk stond, vooral in Duitsland, met de zegen van veel intellectuelen. Die laatsten zagen ‘het volk’ als een bedreiging, als een blinde, kolkende massa die met propaganda in de goede richting moest worden gestuurd.

“Baschwitz zag het inderdaad precies andersom. De gewone mensen waren volgens hem begiftigd met gezond verstand en medemenselijkheid. De massa is niet dom, maar wordt steeds door de terreur van een kleine minderheid op één hoop gedreven. Het kwaad kwam vooral van de elites, de intellectuelen inbegrepen. Als het volk al moest worden aangestuurd dan vond Baschwitz dat het moest gebeuren door een beroep te doen op hun goedheid, niet door misbruik te maken van hun zwaktes.”

Je beschrijft dat Baschwitz ten tijde van de Weimarrepubliek zag hoe in Duitsland banken, ondernemers en overheden telkens opnieuw probeerden om een vinger in de pap te krijgen bij de pers, op zoek naar politieke steun. Hoe ver reikt volgens jou de invloed van de elites?

“Uit het Amerikaanse Project Censored komt naar voren dat kwesties die zowel het bedrijfsleven als de overheid heel erg onwelgevallig zijn niet snel het nieuws halen. Terwijl er continu vaste contacten zijn tussen journalisten en ‘establishment’, zijn er veel minder contacten tussen journalisten en alternatieve nieuwsbronnen. Het grootste deel van het nieuws wordt bepaald door persberichten, persconferenties, officiële gebeurtenissen en uitingen van westerse overheidsinstellingen en bedrijven.”

Welke onderwerpen mis jij het meest in de dagelijkse berichtgeving? En hoe verklaar je dat er geen aandacht voor is?

“Pogingen tot radicale tegenspraak en intellectueel verantwoorde systeemkritiek, in alle domeinen. Zelfs de goede oude Karl Popper stelde dat je iets pas voor waar mocht aannemen, als je eerst linksom en rechtsom geprobeerd had er gaten in te schieten.”

In hoeverre zijn wij allen gehersenspoeld, propaganda-slachtoffers? In hoeverre worden wij in ons denken beïnvloed door The Powers That Be?

“In de communicatiewetenschap wordt vaak gewezen op het proces van agendasetting: het establishment en de media bepalen niet zozeer wat we denken, maar waarover we denken, de onderwerpen die ons bezighouden. “

Frank Zappa zei: ‘Politics are the entertainment branch of industry. Staart de pers zich blind op de poppetjes in de politiek?

“Ja. Een steeds groter deel van het nieuws bestaat niet uit serieuze informatie maar uit ‘celebrity theater’. Neem de voormalige premier van Italië, Silvio Berlusconi. Media en publiek waren nauwelijks geïnteresseerd in diens vermeende banden met de maffia en het geheime P2-genootschap, maar des te meer in zijn orgies met minderjarige meisjes. Of neem de voormalige president Bill Clinton. Zijn affaire met een stagiaire overschaduwde lange tijd alles wat zich in de Amerikaanse politiek afspeelde. Zelfs de kat en de hond van de Amerikaanse president krijgen meer aandacht in de internationale media dan sommige grote landen elders bij elkaar.”

IMG_4801

Terug naar Baschwitz. Die verbleef een deel van de Eerste Wereldoorlog als correspondent in Nederland. Je beschrijft hoe hij zich verbaasde over het gemak waarmee geallieerde propaganda in de Nederlandse kranten verscheen. Zoals het verhaal dat de Duitsers hun gesneuvelde soldaten tot veevoer verwerkten. En ook over de cartoons zoals in de Telegraaf over Duitsers afgebeeld als Neanderthalers die vrouwen verkrachtten en hun slachtoffers kruisigden. Er lijkt weinig te zijn veranderd sindsdien?

“In mijn boek Verborgen Verleiders heb ik een apart hoofdstuk gewijd aan oorlogspropaganda. Ik beschrijf daarin hoe de VS steeds weer met succes de media gebruiken door met hele en halve leugens ‘nieuwe bedreigingen voor het Westen’ en hun oorlogen te verkopen. Het proces van agendasetting speelt daar een belangrijke rol in. De regering van de Verenigde Staten bepalen meer dan enig andere instelling in de wereld wat mensen bezig houdt.

Om een voorbeeld te noemen: iedere paar maanden maakt de Amerikaanse regering bekend dat uit haar satellietwaarnemingen blijkt dat deze of gene vijandige mogendheid ‘gevoelige’ technologie importeert, militaire installaties bouwt of legerdivisies in grensgebieden plaatst en daarmee een bedreiging voor anderen vormt. Vaak nemen de media dergelijke beschuldigingen klakkeloos over. Diezelfde bronnen en media vestigen haast nooit de aandacht erop dat de VS en hun bondgenoten ook voortdurend bezig zijn met de ontwikkeling van niet-conventionele wapensystemen en met de verplaatsing van militaire eenheden op een manier die door anderen als een bedreiging kan worden waargenomen.”

Is er een kruid gewassen tegen deze oorlogspropaganda? Je citeert in Verborgen Verleiders met instemming CBS-anchorman Walter Cronkite die zei: “Als de directeuren van de nieuwsdiensten een fractie van de middelen die ze inzetten om de Golfoorlog te verslaan hadden besteed aan datgene wat op het punt stond haar te veroorzaken, dan had de oorlog wellicht voorkomen kunnen worden.” Moeten nieuwsmedia hun middelen anders inzetten?

“Dat vind ik inderdaad.”

Vergis ik mij of wordt er in de communicatiewetenschap nauwelijks nog studie gemaakt van oorlogspropaganda?

“Er wordt vrijwel niets aan gedaan. Daarom trappen de regering en het parlement ook steeds opnieuw in leugencampagnes om bepaalde militaire interventies te rechtvaardigen. Keer op keer op keer, zonder dat er iets geleerd wordt. Na een paar jaar zijn die politici weer weg. Vaak worden ze pas kritisch als ze geen verantwoordelijkheid meer dragen.”

Je schrijft: “Het principe van hoor- en wederhoor dat voor binnenlands nieuws hoog in het vaandel staat, wordt bij internationale conflicten waarbij het Westen partij is slechts hoogste zelden op een evenwichtige manier toegepast. Zodra een bron als ‘vreemd’ of ‘vijandig’ wordt aangemerkt. krijgt die vaak niet langer een serieuze behandeling.” Misschien heeft dat er mee te maken dat de Amerikanen communicatief sterker zijn dan andere volkeren?

“De Amerikaanse pers zit in het hart van het wereldwijde communicatiesysteem, en laat zich in hoge mate aansturen door de autoriteiten. Op een conferentie over de Golfoorlog stelde Ed Cody van The Washington Post dat als er een conflict is waar de VS bij betrokken zijn de Amerikaanse regering met zoveel informatie komt dat het vrijwel automatisch de definitie wordt van wat er aan de hand is. Als er een reporter in Saudi-Arabië, Koeweit of Bagdad zit die zegt: “Ho, wacht eens even, ik zit hier, ik praat juist met een betrokkene, en die zegt dat het helemaal anders zit”; dan wordt het geluid van die persoon wel doorgegeven, maar het legt geen gewicht in de schaal omdat het  overstemd wordt door de lawine aan informatie die de Amerikaanse regering dagelijks over de media uitstort.”

Hoe zie jij de strijd van overheden tegen wat ‘nepnieuws’ is gaan heten? Is dat een legitieme strijd? Volgens Cees Hamelink zijn overheden de grootste producenten van nepnieuws en zijn journalisten de belangrijkste distributeurs hiervan.

“Hij heeft helemaal gelijk.”

Voel jij een verwantschap met Baschwitz?

“Baschwitz is begonnen met het rijden van een scheve schaats, net als ik. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdedigde hij als Duitser heel erg het Duitse standpunt, onder meer over wie de oorlog begonnen was. In elk geval wekte zijn Werdegang mijn sympathie. Hij is uiteindelijk een verstandig man geworden. Ook daar voel ik een verwantschap.”

Jouw collega-communicatiewetenschapper Tabe Bergman schrijft over jou: “Van Ginneken is meer een Baschwitz type dan een mainstream academicus. Met zijn achtergrond van reporter zwervend door ontwikkelingslanden had hij te zeer het stempel gekregen van radicaal om in aanmerking te komen voor een voltijdsaanstelling als professor. Kort gezegd, hij paste niet in de heersende mode van zijn tijd en plaats.”

“Mijn radicalisme was modieus jaren zestig, zeventig. Dat ik daardoor niet in aanmerking kwam voor een professoraat bleek achteraf een blessing in disguise. Ik kon mijn eigen projecten gaan doen. Het fijne daarvan was dat ik lekker eigenwijs kon zijn, dwarse onderwerpen kon kiezen, als ik de aanvullende financiering tenminste een beetje rond kon krijgen. Soms kun je bovendien een kritisch publieksboek maken dat toch verkoopt, zoals Gek met geld of Verleidingen aan de top.”

Is jou ooit te verstaan gegeven: “Wij moeten je niet. Je bent te radicaal?”

“Nee, maar dat ving ik op in de wandelgangen. Bijvoorbeeld bij benoemingen waar ik bovenaan had gestaan, en opgeschoven was naar beneden.”

Misschien was het niet alleen jouw radicale verleden dat een professoraat in de weg stond? Je hebt de onbedwingbare neiging altijd alles im Frage te stellen, tot de fundamenten van de wetenschap aan toe.

“Je hebt een categorie mensen die academisch het meest deftig zijn. Die alles keurig volgens de regels doen, nooit een foutje maken en in de beste kringen verkeren. Je hebt ook een categorie dwarsliggers die overal tegen aan schoppen, en zich daarmee binnen de universiteit niet populair maken, en ook in de mediawereld niet. En verder heb je alles er tussenin.”

Zou Baschwitz zich thuis voelen op de Universiteit van Amsterdam anno 2018? Tabe Bergman schrijft: “Ik vermoed dat Baschwitz (..) wiens boeken (..) over propaganda de nadruk legden op de schuld van de elites voor twee wereldoorlogen en andere ellende zich nauwelijks thuis zou voelen tussen de wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam, die zich, ondanks al hun deugden, hebben toegelegd op kwantitatieve onderzoeken, die moeilijk leesbaar en te doorgronden zijn, zelfs voor de hogeropgeleide leek.”

“Tijdens de presentatie van mijn boek in Spui25 in Amsterdam werd de vraag opgeworpen of Baschwitz zou worden aangenomen aan de UvA als hij nu zou solliciteren. De meningen liepen daarover uiteen. Er waren er die weerspraken dat Baschwitz aan de basis heeft gestaan van de communicatiewetenschap. Zij zien Baschwitz eerder als iemand die deel uitmaakte van de voorgeschiedenis, en ook als studeerkamergeleerde. Ik zeg in antwoord daarop: ‘Erudiet aan de huidige universiteit is eerder een vloek dan een zegen. De huidige universiteit is overgespecialiseerd en overmethodologisch.’

De vakgroep communicatiewetenschap zoals die ooit was opgetuigd, wilde met computers en harde cijfers werken, en afstand nemen van mensen als Baschwitz die vanachter hun bureau, maar ook vanuit hun eigen ervaringen als journalist, nadachten over de rol van de pers is in de maatschappij. Er kwam een taboe op dat soort denken. Goede wetenschap moest over cijfers gaan en door een computer heen gehaald zijn. Dat heette vroeger positivisme, omdat het verwees naar zogenaamd ‘positieve’ of harde feiten. Communicatiewetenschap was een nieuwe wetenschap die zijn legitimiteit heeft bevochten door heel erg met het positivisme mee te gaan in de sociale wetenschappen. Dus door te zeggen: “Meten is weten is voorspellen is beheersen.” Het is een opvatting van wetenschap die heel nuttig is, maar ook z’n beperkingen heeft. Onmeetbaar kleine oorzaken kunnen namelijk onmeetbaar grote  gevolgen hebben. Zie mijn boeken Brein-bevingen en Schokgolf, over   chaostheorie, opkomende patronen en plotselinge omslagen.

De huidige psycho-sociale wetenschap leunt nog steeds sterk op een achterhaald mechanistisch wereldbeeld en gaat voorbij aan veel inzichten uit de wetenschapsgeschiedenis. Ik zeg: een wetenschap die zichzelf serieus neemt moet eerstejaars studenten tenminste twee vakken bieden die lang bij communicatiewetenschappen hebben ontbroken en ten dele nog steeds ontbreken: brede wetenschapsgeschiedenis en wetenschapsfilosofie. Het leert studenten dat je op verschillende manieren naar de werkelijkheid kunt kijken. Dat er door de hele geschiedenis steeds anders is gedacht over de vraag hoe wij tot geldige kennis komen.”


Jaap van Ginneken (2018). Kurt Baschwitz – Peetvader van journalistiek en communicatie. Diemen: AMB. ISBN 97890 79700 91 2, 267 pagina’s, paperback, € 24,75.

Eric van de Beek –

Eric van de Beek schrijft voor Novini.nl. Hij studeerde journalistiek aan de hogeschool Windesheim en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte als journalist onder andere voor het weekblad Elsevier.

Alle artikelen van Eric van de Beek op De Nieuwe Reporter.