Serie: Nepnieuws en de bestrijding ervan (2)

Fact-checken: gevecht tegen de bierkaai?!

De roep om nepnieuws te bestrijden klinkt steeds luider. Vorige week maakte de Europese Commissie maatregelen bekend om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan. Een van de maatregelen is het opzetten van een Europees netwerk van fact-checkorganisaties. In dit vierluik verkennen Maurits Kreijveld en Chris Aalberts wat nepnieuws is en hoe het kan worden bestreden. In dit tweede deel de vraag of fact-checkers nuttig zijn.

Hét antwoord van de traditionele media op nepnieuws zijn fact-checkers. Hierbij wordt een stelling, bewering of uitspraak van iemand op waarheid getoetst. Het is in veel media inmiddels een vaste rubriek geworden: kloppen bijvoorbeeld de beweringen van Thierry Baudet over klimaatverandering? Het antwoord is vaak niet zo simpel: de uitkomst van dit soort fact-checks is regelmatig ‘waarschijnlijk waar’ of ‘grotendeels waar’.

Gespecialiseerde fact-checkers

Internationaal bestaan talloze gespecialiseerde fact-checkers die op grote schaal nieuws controleren. De oudste is de website Snopes die in 1994 is opgericht. Snopes bekijkt de echtheid van foto’s, legt in begrijpelijke taal een wetsvoorstel uit en het controleert allerlei uitspraken en beweringen. Het probeert zich zoveel mogelijk op peer reviewed artikelen en wetenschappelijk onderbouwde feiten te richten en zo min mogelijk op uitspraken van zelfbenoemde experts of uitspraken waarvan je nooit zeker kunt zijn dat er geen verborgen agenda achter zit.

Een andere grote speler is PolitiFact waar men kijkt naar beweringen die Amerikaanse politici doen in persberichten, advertenties en interviews. Regelmatig prikken ze de beweringen van Trump door. PolitiFact controleert onder de naam PundiFact ook uitspraken van experts, opiniemakers, columnisten, bloggers, politiek journalisten en presentatoren van talkshows. De Truth-o-Meter van PolitiFact kent maar liefst zes verschillende beoordelingen die variëren van ‘waar’, ‘half-waar’ tot ‘onwaar’ en ‘pants on fire’ als een uitspraak ronduit belachelijk is.

pants on fire

Daarnaast organiseert en coördineert het Poynter Institute het International Fact-Checking Network (IFCN) dat de kwaliteit van het fact-checken wil verbeteren en borgen. Daarvoor heeft het een ‘code of principles’ ontwikkeld, die door andere media worden gebruikt.

De omgekeerde logica van checken achteraf

Eigenlijk zijn fact-checkers een raar fenomeen, want alles wat journalisten schrijven zou waar moeten zijn. Het fenomeen past in een versnelling van het nieuws waarbij berichten worden verspreid nog voordat ze gecontroleerd zijn. In plaats van dat de lezer na afloop een nieuwsfeit verneemt via de krant, is hij onderdeel van het nieuws als het nog aan het ontstaan is.

We kennen dit van live verslaggeving bij rampen: er wordt vanaf het prille begin door journalisten gespeculeerd, ook als er nog formeel weinig bekend is over de gebeurtenissen. Media brengen continu updates en herroepen daarmee soms hun eerdere verslaggeving. We zien dus een verschuiving in de journalistiek in de richting van weergeven wat er gebeurt terwijl het gebeurt, en uitspraken waarvan het waarheidsgehalte (nog) niet zeker is.

Eyeballs, clicks en views

Dat er tijdelijk mogelijke onwaarheden worden verspreid lijkt voor nieuwsmedia steeds minder een probleem. Zolang de reputatie van het medium niet in het geding komt en zolang het maar veel eyeballs, clicks en views oplevert: dat is sneller, goedkoper en commercieel aantrekkelijker. Juist sensationele verhalen of uitspraken die een grote kans hebben om onwaar te zijn, leveren veel clicks op.

Dit is niet los te zien van de trend dat kwaliteitsjournalistiek onder druk is komen te staan. Dit maakt het vaak te duur om uitgebreid onderzoek te doen. Het is commercieel niet interessant zo streng te zijn wat wel en niet waar is. Dit maakt de wereld van nieuws, feiten en meningen nog diffuser. Zeker wanneer de burger niet de volledige nieuwsberichtgeving volgt maar flarden van de live discussie meekrijgt en niet goed kan inschatten wat daarvan waar is.

Misschien dan toch maar vertrouwen op de hulp van gespecialiseerde fact-checkers? Bij het initiatief Nieuwscheckers van de Universiteit Leiden controleren studenten berichten die door gebruikers van Facebook zijn gerapporteerd als mogelijk nepnieuws. Studenten doen dit werk als onderdeel van hun studie. Berichten moeten eerst gemeld worden voordat ze worden onderzocht.

Vechten tegen de bierkaai

Het is de vraag of fact-checken een rendabele business is. Ook voor gespecialiseerde fact-checkers is er maar beperkt geld beschikbaar en zijn de advertentie-inkomsten beperkt. Ministers juichen fact-checkers toe maar investeren er vooralsnog niet in. De studenten aan de Universiteit Leiden doen hun werk gratis. Het aantal berichten en beweringen is enorm, het aantal fact-checkende personen is zeer beperkt: tientallen per instituut, misschien honderden wereldwijd.

Dat brengt willekeur met zich mee: alleen berichten die veel opschudding hebben veroorzaakt, die aangemeld worden of in het oog springen worden gecheckt. In het ideale geval zou dit systematisch gebeuren. In verkiezingstijd zou je bijvoorbeeld willen, dat er net zoveel gekeken wordt naar uitspraken van linkse als rechtse politici en niet naar diegene waarvoor het meest betaald wordt of die het meest (of minst) bij de politieke kleur van het fact-checkende medium past. Zo beschuldigen de Amerikaanse Conservatieven fact-check-organisaties van een ‘liberal bias’: een voorkeur voor liberale ideeën. Politici als Geert Wilders beschuldigen de publieke omroep al jaren van een linkse voorkeur.

Hoewel veel fact-checkers de ‘code of principles’ van het IFCN hanteren is het de vraag of alle uitspraken zich zo gemakkelijk van achter een bureau door studenten of journalisten laten checken. Eigenlijk moeten ook de uitspraken van fact-checkers regelmatig worden gecontroleerd.

Fact-checkers kunnen dus wel een bijdrage leveren aan de bestrijding van nepnieuws maar ze kunnen het probleem nooit volledig oplossen: er is simpelweg te veel werk. De hoeveelheid te controleren informatie op bijvoorbeeld Facebook is vrijwel oneindig. Er zijn dus andere methoden nodig. In onze volgende bijdrage kijken we hoe diverse spelers proberen om nepnieuws geautomatiseerd te bestrijden.

Lees ook deel 1 van deze serie: Een betere definitie van nepnieuws is broodnodig.

Lees ook deel 3 van deze serie: Facebook en Google pakken nepnieuws aan maar kunnen het niet bestrijden.

Chris Aalberts en Maurits Kreijveld

Chris Aalberts (@chrisaalberts) schrijft over politiek voor onder meer The Post Online en Noordhollands Dagblad. Hij is auteur van onder meer De Puinhopen van Rechts en Achter de PVV. Maurits Kreijveld (@wisdomofcrowd) is futuroloog en auteur van 'De kracht van platformen'.

Alle artikelen van Chris Aalberts en Maurits Kreijveld op De Nieuwe Reporter.