Oud-Brazilië-correspondent Katy Sherriff: “Iedere maand moest ik bekijken of ik het financieel gezien zou gaan halen”

katy sherriff

Afrika-correspondent Niels Posthumus vertelde in dit interview dat sommige freelancecorrespondenten stoppen met hun vak, omdat ze te lage vergoedingen voor hun werk ontvangen. Freelancer Katy Sherriff (36) was vijf jaar lang correspondent in Brazilië voor veel verschillende media, waaronder Trouw, BNR Nieuwsradio, de BBC en de VRT, tot ze eind vorig jaar terug naar Nederland keerde. Ze is trots op wat ze in die vijf jaar heeft bereikt: ‘Collega’s met vastere posities vertelden me wel eens dat ze mij bewonderden, omdat ik zoveel ballen tegelijk in de lucht kon houden.’

‘Wat leuk dat je Niels al eerder hebt geïnterviewd. Ik heb hem via Facebook leren kennen en ik heb regelmatig contact met hem via Facebook Messenger. Heeft hij je daarover verteld?’

Dat weet ik even niet meer, het is al een tijd geleden dat ik hem sprak.

‘Nou, rond de tijd dat ik in Brazilië begon – dat was in 2012 – is een aantal correspondenten een besloten groep op Facebook gestart voor correspondenten. Daar zijn in de loop van de tijd steeds meer correspondenten bijgekomen. Het was erg fijn om zo’n groep te hebben, want je kon met collega’s over de hele wereld praten die met vergelijkbare dingen worstelden als jij.

Het correspondentschap is heel interessant en heeft iets romantisch: je bent een echte veldwerker en gaat op pad om het vreemde te ontdekken. Maar daarnaast is het ook een eenzaam beroep. Je moet jezelf constant blijven motiveren om ideeën te bedenken en te pitchen. Daarom was die groep op Facebook zo fijn. We konden niet alleen tegen elkaar zeggen waar we mee worstelden, maar we konden elkaar ook vertellen wat we meemaakten. Daarnaast gaven we elkaar advies bij aanbiedingen van opdrachtgevers. Het werd een soort vertrouwelijke koffieclub en daar heb ik leuke contacten aan overgehouden, waaronder Niels dus. Sommige contacten heb ik overigens nog nooit in het echt ontmoet. Dat is eigenlijk wel gek.’

Is dat niet een beetje wat correspondenten missen, een gezamenlijk vereniging waar zaken collectief geregeld kunnen worden?

‘Daar heb ik het wel eens met collega’s over gehad. Freelancers in het buitenland – en veel correspondenten zijn natuurlijk freelancer – kunnen zich niet aansluiten bij een broodfonds. Dat maakt je best kwetsbaar en dat ben je sowieso al in het buitenland. Daarom hebben we wel gekeken om iets gezamenlijks op te richten, maar dat is nooit van de grond gekomen. De reden daarvoor is dat het correspondentenlandschap erg divers is. De een doet er ander werk naast, de ander werkt voor maar één opdrachtgever – en kan zich voldoende redden – en weer een ander is echt freelancecorrespondent. Dat maakt het ingewikkeld om een club op te zetten.

Dat zoiets er nog niet is, vind ik wel een gemis, want ik vond de contacturen met collega’s heel fijn. Toen Trouw op een gegeven moment een van mijn opdrachtgevers werd, kreeg ik voor het eerst een uitnodiging voor een correspondentendag. Zo’n dag organiseerde de krant wel eens voor hun correspondenten. Het is ontzettend leuk om daar bij te zijn en dat is niet alleen omdat je collega’s uit andere landen kan ontmoeten en herkenbare zaken kan bespreken. Door zo’n uitnodiging krijg je namelijk ook het gevoel dat je bij een club hoort, ook al ben je freelancer. Het is jammer dat ik dat niet bij meer media heb gehad. Ook wel begrijpelijk, want ik werkte toch veelal voor wat kleinere spelers.’

Hoe ben je eigenlijk correspondent geworden?

‘Ik werkte vanaf 2006 als buitenlandredacteur op de radioafdeling van de NOS tot ik in 2009 voor de VPRO bij het radioprogramma Bureau Buitenland aan de slag ging. In 2012 liep mijn derde jaarcontract af en wist ik dat ik geen vast contract aangeboden zou krijgen. Er waren namelijk bezuinigingen op komst bij de omroep, dus ik zou zonder werk komen te zitten.

Inmiddels had ik al redelijk wat ervaring opgedaan bij de NOS en de VPRO in de buitenlandjournalistiek. Ik had altijd al de droom om correspondent in Latijns-Amerika te worden, dus het was voor mij het geschikte moment om te gaan. Dat neemt niet weg dat ik geen idee had hoe het me in Brazilië zou vergaan. Daarom ben ik in eerste instantie voor een half jaar op proef gegaan. Ik wilde even afwachten of het me beviel en daarna zou ik nog wel zien.’

Uiteindelijk heb je van dat half jaar vijf jaar gemaakt.

‘Toen het half jaar verstreken was, vond ik dat nog niet klaar was in Brazilië; ik begon pas net. Gelukkig zag mijn man – toen nog mijn vriend – een avontuur in Brazilië ook wel zitten. Hij was na drie maanden op bezoek gekomen en hij vond Brazilië net als ik een interessant land. Mijn man is muzikant en hij had in het verleden al eens in een Braziliaanse band gespeeld, dus de feeling met het land was er bij hem ook. We hebben nog anderhalf jaar een latrelatie gehad, voordat hij zich uiteindelijk bij mij voegde.’

Wat maakt Brazilië zo bijzonder?

‘Op mijn achttiende ben ik naar Paraguay geweest om vrijwilligerswerk te doen. Daarna heb ik nog een maand door Brazilië gereisd en het land sprak mij direct aan. De geuren, de kleuren, de mensen, de muziek, de geschiedenis, het is allemaal heel fascinerend en indrukwekkend. En de taal vind ik erg mooi, veel mooier dan Spaans. Bovendien was het land op journalistiek vlak erg interessant. Het was destijds – en nu nog steeds overigens, ondanks de economische crisis – een economische grootmacht en het WK en de Olympische Spelen zouden eraan komen. Er lagen dus veel kansen om over het land te schrijven.’

Vond je het niet spannend om naar de andere kant van de wereld te vertrekken?

‘Het is best wel wat als je ineens van jezelf gaat zeggen dat je Brazilië-correspondent bent als je pas net bent gearriveerd in het land. Gelukkig had ik een hele goed tip van Arjen van der Ziel gekregen, nu werkzaam bij Trouw, maar toentertijd zat hij voor de Volkskrant in Turkije. Hij zei tegen mij: ‘Katy, vanaf de eerste dag ben jij correspondent en ga je fulltime aan het werk. Dat betekent elke dag kranten lezen en ideeën pitchen, anders kom je er niet tussen en wordt het een verkapte vakantie.’ Dat heb ik toen wel in mijn oren geknoopt.

Ik had overigens meerdere freelancecorrespondenten om advies gevraagd naast Arjen. Ik ben dus niet op de bonnefooi naar Brazilië vertrokken. Ik nam bijvoorbeeld ruim voor mijn vertrek Portugese lessen. Gelukkig sprak ik al goed Spaans en die basis hielp wel. Daarnaast had ik al veel potentiële opdrachtgevers in Nederland benaderd. BNR had direct interesse en de VPRO ging natuurlijk met mij in zee, omdat ze me al kenden. Ook bij het magazine OneWorld vertelden ze dat ik altijd met ideeën kon komen. Andere opdrachtgevers kreeg ik tijdens mijn tijd in Brazilië erbij, zoals Trouw, het Financieele Dagblad en zelfs de BBC. Zo is het dus gaandeweg gaan groeien, maar dat komt ook omdat ik iedere dag actief met mijn vak bezig was.’

Wat bedoel je daarmee?

‘Ik maakte voorheen dus alleen radio, maar om als correspondent het hoofd boven water te houden moet je ook kunnen schrijven en eventueel videoreportages kunnen maken. Ik wilde me ook graag op die gebieden verbreden. Daarom probeerde ik over een onderwerp verhalen te maken voor verschillende platformen, zodat ik meer uit een onderwerp kon halen. Dan maakte ik bijvoorbeeld een radioreportage voor de Nederlandse radio, maakte ik er een kleinere versie van voor de Belgische radio, deed ik het in het Engels voor de BBC en schreef ik erover voor een krant. Op die manier kon je een verhaal als het ware uitsmeren. En niet onbelangrijk, ik fixte soms voor televisieprogramma’s die in Brazilië wilden filmen.

Ik denk dat je tegenwoordig op die manier moet werken als freelancer, al is dat niet makkelijk. Een verhaal in de krant steekt heel anders in elkaar dan een radioverhaal. Om die werkzaamheden te combineren voor zoveel verschillende media is best pittig. Daarnaast is werken in verschillende talen lastig. Voor radioreportages moest ik het Portugees soms ter plekke in het Nederlands en Engels vertalen. Omdat ik zo hard werkte, zat ik af en toe tegen overspannenheid aan. Ik nam soms iets te veel hooi op mijn vork.’

‘Toen ik naar Brazilië ging, was me wel verteld dat het een relatief duur land is, maar als je daar dan eenmaal woont merk je dat pas. Dat had ik wel onderschat. Ik woonde in São Paulo en dat is een dure stad. De huurprijzen zijn vergelijkbaar met grote steden in Nederland en eten is zelfs nog duurder. Het is niet zo dat je van een paar euro per dag kan leven, zoals andere correspondenten wel kunnen, terwijl die hetzelfde tarief uitbetaald krijgen. Verhoudingsgewijs moest ik dus veel harder werken om dezelfde levensstandaard te behalen als collega’s in andere landen. Sommigen konden zelfs sparen, terwijl ik iedere maand moest bekijken of ik het financieel gezien zou gaan halen. Dat is best zwaar, vijf jaar lang.’

Verdient die discussie niet meer aandacht? Dat redacties hun correspondenten proportioneel zouden moeten betalen?

‘Ik zou het wel goed vinden als er meer over wordt nagedacht op redacties. Nu zie je dat er nooit over wordt gediscussieerd. Alleen is de afstand tussen redacties en freelancers best groot. Dat merk ik nu zelf, nu ik weer in Nederland op de redactie van Bureau Buitenland van de VPRO werk. Iedereen is toch bezig met de dagelijkse deadline die gehaald moet worden.

We staan allemaal onder druk, niet alleen de correspondenten in het buitenland. Daarom is er weinig tijd om veel bezig te zijn met de situaties van de mensen die in het buitenland werken. Bovendien is het erg moeilijk te realiseren dat iedereen proportioneel betaald krijgt en loop je het risico dat redacties minder verhalen afnemen uit de ‘dure’ landen, zoals Brazilië. Dat zou zonde zijn.’

Heeft het financiële plaatje bijgedragen aan het feit dat je eind vorig jaar bent gestopt als correspondent?

‘Dat ik stopte kwam door een combinatie van factoren. Op een gegeven moment wil je je op journalistiek vlak verder ontwikkelen. Als freelancer houd je natuurlijk je oren en ogen open voor nieuwe kansen en die kwamen ook. Zo zochten RTL en NRC naar een freelance correspondent in de regio. Als correspondent voor deze media had ik waarschijnlijk ook in de omringende landen van Brazilië verhalen kunnen maken en zou mijn financiële positie iets zekerder worden. Helaas gingen die opdrachtgevers aan mijn neus voor bij.

Op een gegeven moment dacht ik bij mezelf: in hoeverre bouw ik hier iets op? Sparen zat er niet in en door de economische crisis was ook het werk van mijn man weggevallen. Omdat er bij onze familie in Nederland en bij ons in Brazilië wat privéomstandigheden speelden, vonden we het tijd om terug te keren. We waren het avontuur voorbij en een basis opbouwen in Brazilië zat er niet in.

Je ziet daarom steeds vaker dat beginnende correspondenten tussen de 25 en 30 jaar oud zijn. Zo was ik zelf 30 toen ik met het correspondentschap begon. Dat zijn de avonturiers die vrij zijn en willen ontdekken. Wanneer ze dan heel veel hebben geleerd over het vak, stoppen ze omdat zekerheid inbouwen erg lastig is. Dat komt volgens mij het vak niet ten goede. Je moet natuurlijk niet vastroesten en het is goed als er nieuwe frisse blikken bij komen, maar op deze manier gaan we de verkeerde kant op.’

Wat zou een oplossing kunnen zijn?

‘Ik weet dat sommige media gebruikmaken van retainers. Dan krijg je als freelancer een vast bedrag per maand als een soort basisgarantie van een opdrachtgever. Dat bedrag blijft gelijk en is onafhankelijk van het aantal producties dat je aflevert. Zo heb je in ieder geval een beetje zekerheid. Dat betekent natuurlijk wel dat je je ideeën eerst pitcht bij dat medium, maar dat lijkt me niet meer dan normaal.

Ik denk dat het werk door retainers een stuk aantrekkelijker wordt voor de ervaren journalisten, want sommige vergoedingen zijn nu wel erg karig. Bovendien geeft het niet alleen financiële zekerheid, maar krijgen correspondenten ook het gevoel dat ze erbij horen. De media waar ik voor werkte maakten geen gebruik van retainers; dat was helaas de keuze die zij maakten.

Zo kozen de meeste media er ook voor om tijdens de sportevenementen werknemers naar Brazilië te sturen die het land helemaal niet kenden. Dat zijn de snoepreisjes die het werk ook leuk maken voor de journalisten die normaal aan het bureau zitten op Nederlandse redacties. Die keuze kan ik me heel goed voorstellen. Toch blijft het jammer dat de media waar ik voor werkte mij in die tijd nauwelijks hebben benaderd. Ik heb in aanloop naar het WK en de Olympische Spelen wel veel voorverhalen kunnen maken, maar tijdens die evenementen had ik minder werk dan ik had gehoopt. Daardoor heb ik een commerciële klus moeten doen om de rekeningen te kunnen betalen.

Toch wil ik benadrukken dat het mijn eigen keuze is geweest om op die onzekere basis naar het buitenland te gaan. Ik ben hartstikke trots ben op wat ik die vijf jaar heb bereikt. Ik heb vaak van collega’s met vastere posities gehoord dat ze me bewonderden, omdat ik zoveel ballen tegelijk in de lucht moest houden in een onzekere positie. Het was niet makkelijk, maar ik heb zoveel meegemaakt, gezien, beleefd en geleerd, dat ik de ervaring nooit had willen missen.’

Zou je daarom ooit nog eens correspondent willen worden?

‘Ik heb erg veel geluk gehad dat ik na mijn periode in Brazilië direct aan de slag kon bij Bureau Buitenland. Wat de volgende stap wordt, weet ik niet. Ik heb in Brazilië wel geleerd om me daar niet druk om te maken. Tot het eind van het jaar heb ik een contract en wat daarna komt zie ik wel. Het is zeker niet uitgesloten dat ik correspondent word, want het is erg mooi werk. Ik ga alleen niet meer op dezelfde manier als in Brazilië: daarvoor was er te weinig financiële zekerheid.’

Dit interview verscheen eerder op Queester.nl.

 

Pim Pauwels

Pim Pauwels doet de master Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden.

Alle artikelen van Pim Pauwels op De Nieuwe Reporter.