Review: Dan Gillmor We the Media

Het was even schrikken bij de Washington Post. Uit een onderzoek bleek dat zelfs als de krant gratis werd weggeven, sommige lezers echt geen abonnement wilden. Al dat papier in je huis, dat levert zo’n rommel op, luidde het argument.
Het zijn moeilijke tijden voor de traditionele krant. De abonnementenverkopers hebben het dankzij gratis dagbladen en internet moeilijk. Op de advertentieafdeling is – met dank aan Marktplaats of Ebay – de stemming evenmin opgetogen. En ook de redactie heeft het niet altijd even makkelijk. Bij maatschappelijk trammelant zijn het al snel ‘de media’ die de schuld toegeschoven krijgen.
Toch is er nog hoop. De traditionele kwaliteitsjournalistiek kan gered worden door … brave, geïnteresseerde burgers zoals u en ik. Dat is tenminste de oplossing die de Amerikaanse journalist Dan Gillmor aandraagt in zijn boek We the media. De media moeten beter leren luisteren, meent Gillmor. Vanuit de hoogte een verhaal vertellen past niet meer bij deze tijd. Om te overleven zullen media samenwerking moeten zoeken met de lezers en kijkers. In Zuid-Korea is het al een succes, Amerikanen beginnen er langzaam aan te wennen, en hier in Nederland wil De Nieuwe Omroep er mee gaan experimenteren. Het is, aldus Gillmore, tijd voor citizens’ journalism – burgerjournalistiek.
Een voorbeeld? In oktober 1999, op het hoogtepunt van het dotcom-optimisme, besloot het Amerikaanse tijdschrift Jane’s Intelligence Review – een toonaangevend blad over veiligheid en defensie – het eens over een andere boeg te gooien. Terwijl de hele Amerikaanse pers juichverhalen publiceerde over jonge internetmiljonairs, stond Jane’s stil bij de dark side van de nieuwe beloftevolle technologie. ‘Maakt de opmars van het internet onze samenleving niet veel kwetsbaarder voor cyberterrorisme?’, vroeg het blad zich af.
De redactie plaatste het artikel echter niet rechtstreeks in het tijdschrift, maar liet een eerste versie circuleren op Slashdot – de website die als ondertitel de geuzennaam ‘News for Nerds’ voert. “Klopt het een beetje, wat we hebben geschreven?” wilde Jane’s weten van de Slahdot-lezers. Er kwamen honderden reacties binnen. De journalisten konden vrijwel helemaal opnieuw beginnen. Maar het werd wél een veel beter en accurater artikel.
‘Bij de grote mediabedrijven is het net alsof het nieuws een hoorcollege is. Wij vertellen u wel even hoe het allemaal in elkaar zit’, schrijft Gillmor. Dat is niet meer van deze tijd. De journalist van de toekomst moet in gesprek gaan met zijn lezer. Geen les geven, maar een conversatie voeren.
In Nederland lijkt De Nieuwe Omroep, die vanaf dit najaar zendtijd heeft op radio en televisie, Gillmors visie te onderschrijven. Leden van de omroep kunnen straks een perskaart aanvragen, en onder de paraplu van DNO een eigen weblog beginnen. De traditionele scheiding tussen programmamakers en hun publiek verdwijnt daardoor. ‘Wij willen onze luisteraars en kijkers een platform bieden’, zegt zakelijk directeur Robert van Doesburg. ‘Traditionele actualiteitenrubrieken kiezen allemaal dezelfde onderwerpen, en vaak ook nog dezelfde invalshoek. Bij ons krijgt iemand de kans over een onderwerp te schrijven omdat het hem bezig houdt, niet omdat het toevallig in de actualiteit is.’ Dat moet ook een meer betrokken journalistiek opleveren. ‘Niet het verhaal van een journalist die even langskomt en dan snel een verhaal maakt, maar van iemand die betrokken is bij zijn onderwerp, en af en toe nog eens terug gaat om te kijken hoe het er nu mee staat.’
Dan Gillmore baseert de visie die hij in We The Media uitdraagt op zijn eigen ervaringen. Als IT-journalist bij de San Jose Mercury News – het dagblad van Silicon Valley – was hij een van de eerste journalisten met een eigen weblog. Via zijn weblog ontving hij regelmatig aanvullingen of kritiek op zijn artikelen. ‘Mijn lezers weten meer dan ik’, is sindsdien het credo van Gillmor. Aanvankelijk was dat als journalist een enge gedachte, geeft hij toe. Maar uiteindelijk kan dit besef ook in het voordeel van de journalist werken. Gebruik de kennis van je lezers, is zijn advies. Op zijn weblog gaat hij dan ook in discussie met zijn lezers.
Het inzicht dat lezers meer weten dan reporters is niet nieuw. Gaf niet Charles Lindbergh journalisten er decennia geleden al op subtiele manier van langs? Lindbergh vertelde iedere dag met veel plezier de krant te lezen. Knap dat die journalisten van al die onderwerpen zoveel afwisten en hem als leek zoveel bij konden brengen. Gek genoeg was er een uitzondering. Toevalligerwijze bevatten net de artikelen de luchtvaart wel erg veel fouten. Die sloeg de luchtvaartpionier dan ook maar over.
Wat wel nieuw is, is dat de doorsnee lezer mondiger is geworden. Traditionele gezagsrelaties kalven af en de lezer gelooft al lang niet meer zomaar wat hem wordt verteld. Nieuw is ook dat de lezer daar – dankzij internet – iets tegenover kan stellen. Oneens met de verslaggeving over George Bush? Begin je eigen weblog. Zitten berichten over de medische sector vol fouten? E-mail de auteur van die artikelen. Of start een eigen krantje op internet. Dit is een van de redenen waarom in Nederland sites als Maroc.nl zo populair zijn. Jonge Marokkanen herkennen zich onvoldoende in het beeld dat de media van hen schetst, en zoeken daarom elkaar op.
Gillmor ziet een belangrijke rol weggelegd voor dit soort burgerinitiatieven. ‘De problemen van onze tijd zijn te complex, en te genuanceerd voor kranten en televisiejournaals’, schrijft hij. Een krant kan bij de verkiezingen niet ieder programmapunt van iedere partij helemaal uitdiepen. Maar burgers die in een specifiek thema zijn geïnteresseerd kunnen dat wel. Een weblog is zo opgezet. De krant kan niet iedere vergadering van iedere stadsdeelraad verslaan. Bewoners van dat stadsdeel hebben daar misschien wel tijd voor. In Engeland experimenteert de BBC inmiddels met deze gedachte. Lezers van de BBC nieuwswebsite konden al enige tijd hun eigen nieuwsfoto’s insturen, waarvan wekelijks een selectie wordt gepubliceerd. Onlangs heeft de Britse omroep ook een speciale website – onder de vlag iCan – opgezet voor burgerjournalisten. Lezers mogen er reportages schrijven over hun eigen buurt of onderwerp. En stelt iemand een misstand aan de kaak? De iCan website kan ook worden gebruikt om een actiecomité op te richten.
De ontwikkelingen die Gillmor schetst, passen in een bredere trend: de opkomst van de Pro-Am, de ‘professionele amateur’, een term bedacht door de Engelse denktank Demos. ‘In de twintigste eeuw’, schrijven Charles Leadbeater and Paul Miller in het onderzoeksrapport The Pro-Am Revolution ‘ontstond er op veel vakgebieden een professionele klasse, van onderwijs tot het bankwezen, van de zakenwereld tot de sport.’ Dat leidde binnen die beroepsgroepen tot een steeds strakkere hiërarchische organisatie. Beroepscodes werden vastgelegd, certificaten en dipoma’s geïntroduceerd. Maar de laatste twintig jaar zien Leadbeater en Miller een tegengestelde ontwikkeling. Buiten de officiële beroepsorganisaties en –structuren om laten de amateurs weer van zich horen. Vaak zijn ze bovendien nog goed opgeleid en kundig ook. Denk aan de ontwikkeling van open source software. Het Windows-alternatief Linux is door amateurs in hun vrije tijd in elkaar gesleuteld. Of neem de astrologie. De komst van goedkope telescopen leidde ertoe dat goed ingewijde amateurs vanaf hun balkon bijdragen hebben geleverd aan belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen. Of denk aan de DoeHetZelf-cultuur van het internet, waar burgers zelf de restaurantrecensent uithangen op Iens.nl of op hun weblogs een vorm van amateurjournalistiek bedrijven. Iets waar sommige officiële journalisten wat zenuwachtig van worden. Zo pleitte de Amerikaanse hoogleraar journalistiek Philip Meyer eind vorig jaar voor de invoering van een certificaat voor journalisten. Dat zou een betrouwbaardheidsstempel moeten zijn, waarmee ze zich zouden kunnen onderscheiden van die amateurwebloggers.
Komt het enigszins utopische verhaal van de burgerjournalistiek u bekend voor? Dat kan. Al sinds het begin van de jaren negentig roepen techno-optimisten dat het internet een tijdperk van nieuwe democratie in zal luiden. Burgerinitiatieven zouden de oude garde van commerciële mediabedrijven omver werpen. Dit was het begin van een geheel nieuw mediatijdperk. Maar veel is daar nog niet van terecht gekomen.
Het interessante van Gillmors verhaal is echter dat hij de burgerjournalistiek niet lijnrecht tegenover de traditionele journalistiek plaatst, maar als een noodzakelijke aanvulling daarop ziet. De opkomst van webloggers betekent niet dat de traditionele krant overbodig wordt. Integendeel – mits de krant zich tenminste openstelt voor dergelijke bijdragen. Een krant kan helpen het debat te organiseren. Een redactie kan links maken naar de beste weblogs. De krant kan deze categoriseren, of er in artikelen naar verwijzen. Een krant kan lezers waarschuwen voor mogelijke vooroordelen van burgerjournalisten. De krant maakt dan niet meer alleen zelf nieuws. Ze wijst lezers door naar andere non-professionele publicaties, en staat lezers in staat het nieuws ter discussie te stellen. Redacteuren moeten de discussie met de lezers aangaan.
De krant kan ook thema’s oppikken die burgerjournalisten aandragen, en die uitdiepen. Daar heeft de krant dan weer de slagkracht en vaardigheden voor in huis. ‘Want’, zo vraagt Gillmor zich retorisch af. ‘Welke blogger zou een Watergate-schandaal zo op kunnen pakken als de Washington Post dat deed?’
De traditionele journalisten en de burgerjournalisten hebben elkaar nodig. Traditionele journalisten kunnen hun voordeel doen met de kennis en alertheid van de burgerjournalisten. Die hebben op hun beurt weer de krant nodig om hun verhaal voor het voetlicht te krijgen. Neem de recente ophef over de diensttijd van de Amerikaanse president Bush. Vlak voor de presidentsverkiezingen van afgelopen najaar bracht het journaal van televisie-omroep CBS naar buiten dat de jonge Bush uitzending als soldaat naar Vietnam had weten te voorkomen dankzij een bevriende connectie. Het journaal toonde als bewijs een brief waarin dat zwart op wit stond. ‘Wacht eens even’, dacht een weblogger die naar het journaal keek en toevallig was gespecialiseerd in lettertypes. ‘Op typemachines uit die tijd komt het lettertype van die brief helemaal niet voor.’ De brief bleek een vervalsing, en het CBS-nieuws moest het bericht rectificeren. Maar dat gebeurde pas nádat de traditionele kranten het berichtje van de weblogs hadden opgepikt en in hun kolommen hadden gepubliceerd. De krant is een institutie die een bericht een gewicht mee kan geven, en die rol blijft belangrijk, meent Gillmor.
Dat klinkt allemaal leuk en aardig. De grote vraag luidt natuurlijk: werkt het ook? Levert het journalisten een beter imago op, wanneer ze beter luisteren naar hun lezers? Of monden die discussies alleen maar uit in een oeverloos geouwehoer? Hoe voorkom je dat een artikel over een aanslag in Jeruzalem niet uitmondt in een eindeloos welles-nietes? En is dat webloggen niet vooral een Amerikaans fenomeen, dat in andere landen veel minder aanslaat? Zitten de lezers er ook wel op te wachten om zelf met pen en blocnote stadsdeelraadvergaderingen te bezoeken? Gillmor denkt van wel en onderbouwt zijn stelling met veel tekenende anekdotes. Maar harde bewijzen heeft hij niet.
En dan die andere belangrijke vraag: krijgen de abonnementenverkopers het hierdoor ook drukker? Kan de advertentieafdeling meer banners gaan verkopen omdat de pagehits op gaan lopen? Is de burgerjournalistiek echt de redding van de traditionele media?
Ook dat blijft na het lezen van We the media nog even de vraag. Klinkende successen zijn er nog niet. Op een na: de Zuidkoreaanse internetkrant Ohmynews. Die krant wordt grotendeels gemaakt door de lezers. De krant heeft een redactie van een man of 50, en wordt verder volgschreven door zo’n zestienduizend lezers die zich als journalist hebben aangemeld. Het dagblad is in Korea heel populair, vooral bij de jongere generatie, en maakt winst. Er wordt zelfs beweerd dat de internetkrant ertoe heeft bijgedragen dat de hervormer Roh Moo Hyun in 2002 tot president werd gekozen. Maar of dat model nu zomaar te kopiëren valt naar Amerika of Nederland?
Gillmor gelooft van wel. Hij heeft na een decennium trouwe dienst zijn vaste baan bij de San Jose Mercury opgezegd om zich helemaal te wijden aan zijn nieuwe project: een nieuwswebsite gemaakt voor en door de lezers.

Dan Gillmor, We The Media
Uitgeverij O’Reilly
ISBN 0596007337
Euro 24,95 (Scheltema)
http://dangillmor.typepad.com/

Dir artikel is eerder verschenen in Intermediair

Al 2 reacties — discussieer mee!