Hoe gaat het Nederlandse medialandschap van de toekomst eruit zien? Welke mogelijkheden en bedreigingen wachten de Nederlandse journalistiek? De Nieuwe Reporter zal zich vanaf vandaag met die vragen bezighouden. Ter gelegenheid van onze lancering peilden we vast de mening van zestig deskundigen: hoofdredacteuren van kranten, omroepbestuurders, webloggers, trendwatchers, hoogleraren en cultuurcritici. Een kleine veertig van hen retourneerden de vragenlijst.

Deel 1: De traditionele journalistiek wankelt
Deel 2: Nieuwe Media, Nieuwe Kansen
Overzicht alle antwoordformulieren

De belangrijkste boodschap uit de peiling luidt dat de traditionele journalistiek haar monopoliepositie kwijtraakt. Bijna niemand verwacht een herovering van die positie. Integendeel, Google, Yahoo, KPN, internetgemeenschappen, collectieve en individuele weblogs, commerciële aanbieders van gratis informatie: ze zijn er en zullen er blijven, in sterkere mate nog dan nu het geval is.

Maar eerst die andere indringende boodschap. Dat hoofdredacteuren, hoogleraren, internetbazen, trendwatchers en andere kenners de gevestigde journalistiek een barre tijd voorspellen, is op zich niet verrassend. Dalende oplages, onbereikbare jongeren, knelgeraakte publieke omroepen, we weten het allemaal. Verrassend is wel de razende snelheid waarmee ze zich de terugloop zien voltrekken.

De helft van de ondervraagden zou niet vreemd opkijken als de gezamenlijke oplage van betaalde papieren kranten de komende vijf jaar met meer dan dertig procent ging dalen. “De snelheid van het verval is momenteel spectaculair”, signaleert Hendrik-Jan Schoo. “In dit tempo zijn we (als branche) tegen 2010 een derde van de oplage kwijt”, voorspelt Henk Blanken, adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden. “Medium en concept (van de krant) voelen doomed”, huivert trendspotter Reinier Evers. En het kan nog krachtiger. Volgens de directeur van Nu.nl, Bert Wiggers, is de papieren krant over vijf jaar al “compleet achterhaald”. Met sardonisch genoegen voorspelt hij dat “de ambachtelijke journalist over vijftig jaar net zoiets als een mandenvlechter of klompenmaker zal zijn: leuk voor de braderie.” Ad van Liempt, eindredacteur van Andere Tijden, richt zijn zorgen vooral op de regionale pers. De met het Algemeen Dagblad gefuseerde kranten acht hij ten dode opgeschreven. “Als andere regionale kranten dat voorbeeld gaan volgen”, vindt hij, “ziet het er voor de berichtgeving op regionale schaal heel slecht uit.”

Marginalisering publieke omroep?

De publieke omroep, een tweede bolwerk van gevestigde journalistiek, zal het volgens de meeste respondenten niet veel beter vergaan. Vrijwel unaniem wordt een verdere daling van het marktaandeel voorzien; veertien van de bijna veertig gepeilden verwachten de komende vijf jaar zelfs een afname van boven de veertig procent (dat wil zeggen, van 32 procent nu, tot minder dan 20 procent in 2010). Anders dan bij de krant komt dat niet doordat men het medium achterhaald vindt; iedereen denkt dat de televisie nog jaren mee kan. De direct betrokkenen zien vooral een verband met de (overigens nog niet aangenomen) kabinetsplannen. “Als het kabinet haar plannen doorvoert”, schrijft NOVA-hoofdredacteur Carel Kuyl, “leidt dat tot een verregaande marginalisering”. Zijn collega Van Liempt: “Er blijven met de kabinetsplannen twee onherkenbare en niet te besturen netten over.” En Peter Schrurs, directeur VPRO: “Als het plan van Van der Laan niet van tafel gaat, zal het marktaandeel ongetwijfeld onder de 20 procent zakken.” Inmiddels heeft de Raad van Bestuur van de Publieke Omroep haar eigen plannen voor de drie netten gelanceerd; een reactie daarop kon niet meer in de peiling worden meegenomen.

De meesten voorspellen de publieke omroep echter ook zonder deze plannen een minder prominente plek. Frank van Vree, hoogleraar journalistiek en cultuur, denkt dat het bereik van de publieke omroep redelijk constant zal blijven maar voorziet een laag marktaandeel voor met name de “moeilijke” programma’s, waaronder uiteraard de journalistieke paradepaardjes. Evers vindt de vraag naar toekomstige marktaandelen al niet meer interessant omdat “omroepen, zo niet zenders zullen verdwijnen, en alles à la websites per item of per half uur of uur zal verlopen.”

Op de heilzame uitwerking van de digitale kanalen is ook niet iedereen gerust. “De start van digitale themakanalen van de Publieke Omroep is een aardige ontwikkeling”, meent Robert Briel, hoofdredacteur van Broadband TV Nieuws, “maar houdt tegelijkertijd een bijzonder groot risico in: door te kiezen voor specialistische onderwerpen werkt men zelf een verdere marginalisering van de PO in de hand.” Bauke Freiburg van Fabchannel vraagt zich sceptisch af of “andere organisaties dergelijke themakanalen niet beter kunnen produceren. Waarom zou het AVRO gezondheidsplein/kanaal wèl en het VGZ gezondheidskanaal niet gesubsidieerd worden?”

Grote invloed etnische diversiteit

Ten dele heeft de televisiejournalistiek met dezelfde problemen te maken als de krantenjournalistiek; de afnemende belangstelling voor achtergrondnieuws is daar een van. Ook de grotere cultureel-etnische diversiteit in de samenleving speelt haar parten. “De toenemende cultureel-etnische diversiteit”, voorspelt onderzoeker en consultant Bas Raijmakers (ex Lost Boys), “zal het komende decennium de grootste invloed op de markt voor journalistieke informatie uitoefenen. Er komt meer behoefte aan verschillende perspectieven op informatie, en de democratisering van de distributie kan dat goed ondersteunen. Iedereen kan in principe gaan ‘uitzenden’ zonder hoge kosten te hoeven maken.”

Het woord “versnippering” keert in veel antwoorden terug. Van Vree verwacht dat er een veelvoud aan media en bronnen zal zijn, de populariteit van elk ervan sterk aan specifieke gebruikersgroepen (sociaal, etnisch, cultureel) gebonden: “voor sommige (vnl. middle- en lowerclass ouderen) zal de televisie no 1 blijven, voor anderen (hoogopgeleiden) de krant en internet, voor jongeren internet en gratis krant, enzovoorts.”

De meeste respondenten zien ook nieuwe kansen voor de journalistiek, waarover morgen uitgebreid meer. Maar de vraag is of de klappen voor “oude partijen” als omroepen en krantenuitgevers niet te snel achtereen komen, of zij overtuigende nieuwe producten of diensten op de markt brengen vóór de hierboven beschreven “downsizing” hen heeft vermorzeld. Behalve tijd kost zo’n overgang geld, véél geld, en ook op dat punt knelt het. Gevraagd naar de oorzaak van de verwachte neergang benadrukken veel respondenten nu juist het moeizame financiële perspectief. Niet alleen de overheid weigert meer geld in kwaliteitsjournalistiek (lees: publieke omroep) te steken (het tegendeel is het geval), ook het publiek laat het afweten.

“De beschikbaarheid van “gratis” nieuwsbronnen gaat het komende decennium de grootste invloed op de markt voor journalistieke informatie uitoefenen”, voorspelt de hoofdredacteur van Elsevier, Arendo Joustra. “De neiging bij mensen om te betalen voor informatie zal nog verder afnemen”, zegt ook Harm Taselaar, hoofdredacteur van RTL Nieuws Groep. En Henk van Ess, internetchef bij het Algemeen Dagblad: “De afnemende prijs van informatie zal de Nederlandse journalistiek de meeste schade toebrengen. De beleving van mensen is dat ‘nieuws gratis’ is, zie het web, Spits en Metro. En ook duiding kost niks, kijk maar naar de grote problemen bij PC-bladen; mensen halen de achtergronden gratis van het web.”

Inscript sponsoring alom

Vera Keur, voorzitter/directeur van de Vara, ziet in het niet (willen) betalen voor goede informatie een bedreiging voor het voortbestaan én de onafhankelijkheid van de journalistiek, “temeer daar om advertenties kan worden heengezapt en reclame-inkomsten als inkomstenbron aan betekenis zullen inboeten. Op de commerciële televisie kiezen adverteerders nu al massaal voor inscript sponsoring; dat zal ook in allerlei gratis media en op internet de trend worden.”

Dat bijna alle respondenten het medium “gratis krant” een rooskleurige toekomst voorspellen, zal inmiddels geen verbazing meer wekken (al tekent Nico van Eijk, hoogleraar Media- en telecommunicatierecht, terecht aan dat deze kranten natuurlijk niet echt “gratis” zijn; er is sprake van een veranderend business model). Een verdubbeling van de totale oplage zit er in, denkt een overgrote meerderheid van respondenten. “Meer grote uitgevers’”, schrijft trendwatcher Frank Janssen, “zullen gratis edities gaan verzorgen. Het business model voor een uitgever zal anders worden. Verder zullen nieuwe uitgevers en media nieuwe gratis titels starten, mogelijk niet op dagelijkse basis.”

Voor de traditionele uitgevers levert dit een dilemma op, dat Hendrik-Jan Schoo goed verwoordt: “Voor het op de markt brengen van gratis kranten zijn financieel krachtige partijen nodig. PCM zou wat dat betreft een kandidaat zijn voor een up-market gratis krant, maar dan begint men tegelijk de tak af te zagen waarop men thans nog zit. Hetzelfde geldt voor de – resterende – regionale krantenbedrijven.”

Onze respondenten zien tal van vernieuwingsmogelijkheden voor de gevestigde journalistiek, maar geven haar ook waarschuwingen mee. Ze zal steeds op de huid worden gezeten door andere, nieuwe spelers. Doordat de veranderingen zo sterk digitaal gedreven zijn, ziet Hille van der Kaa, manager digitale media bij Wegener, de journalistiek in handen raken van diegenen die de digitale kanalen het beste beheersen. “De macht”, stelt ze vast, “ligt hierdoor niet meer bij de uitgeverijen met de beste persen of het meeste geld.”

De Google-revolutie

De naam “Google” ligt menig respondent voor op de tong. Gevraagd welke technologische ontwikkeling de grootste invloed gaat uitoefenen op de ontwikkeling van de journalistiek meldt Arendo Joustra kortweg: “de Google-revolutie”. Zeven respondenten, onder wie Broertjes en Raijmakers, denken dat partijen als Google, Yahoo, MSN en KPN met hun multimediale aanbod de eerstkomende tien jaar tot de populairste brengers van journalistieke, maatschappelijk relevante informatie zullen horen. Daarnaast zullen traditionele exploitanten van krant, radio en tv een rol blijven spelen, zij het voor een kleinere publieksgroepen dan voorheen.

De verschillende partijen zullen ook in toenemende mate met elkaar de concurrentie aangaan. ‘Journalistieke activiteiten’, zo verwacht bijzonder hoogleraar Media- en Telecommunicatierecht Nico van Eijk, ‘zullen meer en meer losgekoppeld worden van een specifieke verschijningsvorm.’ Welke verschijningsvorm de lezer/kijker zal kiezen zal steeds sterk afhangen van zijn situatie, vermoedt Joustra. ‘Thuis is er de betaalde krant, het (opinie)tijdschrift en wordt tv gekeken (via ether, kabel of internet), in de auto wordt naar radio geluisterd (via ether), in openbaar vervoer wordt de gratis (of betaalde) krant/tijdschrift gelezen en op het werk is er internet.’

Niet iedereen weet of de traditionele journalistiek haar kansen wel zal grijpen. Henk Blanken beschouwt “de journalistiek zelf” als de grootste bedreiging voor zijn vak. Het krachtige “open source” idee achter het web ziet hij ze niet, of te traag omarmen. Journalisten, weet hij, hebben altijd de neiging alles bij het oude te laten. Ook Paul Aelen dicht de beroepsgroep een “gebrek aan innovatief vermogen” toe.

Internetcriticus Geert Lovink haalt op dit punt vernietigend uit. Hij omschrijft de journalisten als een groep mensen “die uit pure arrogantie denkt dat al dat computergedoe sowieso niks voorstelt.” De Nederlandse journalistiek, fulmineert hij, is “een handjevol opiniemakers bij VN, de VPRO en NRC Handelsblad, (…) een clique die vooral aan zichzelf refereert.” Dat steeds meer geïnformeerde Nederlanders zich niks meer van hun “gebabbel” aantrekken, beschouwt hij als een positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd wil hij diezelfde journalistiek nog wel een welgemeende raad meegeven: “Het is niet de vraag wat journalisten met de technologie doen, maar hoe zij zelf de richting waarin de technologie zich ontwikkelt, mede kunnen bepalen.” Een schijnbaar simpel advies met verstrekkende implicaties: dat bepalen zouden journalisten immers moeten leren, en spoedig ook.

Maar laten we eens aannemen dat journalisten bereid (en in staat) zijn om Lovinks raad op te volgen, op welke punten kunnen zij de ontwikkeling van de technologie dan mee bepalen? Daarover meer in deel II.

——
deze bijdrage is geschreven door Theo van Stegeren en Martijn de Waal

Al 11 reacties — discussieer mee!