Wat moet er gebeuren om de Nederlandse journalistiek intact te houden? Deze week publiceert De Nieuwe Reporter daarover twee betogen. Vandaag het eerste, afkomstig van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Journalist, dat is een vak om trots op te zijn.
Maar op sombere momenten denk ik dat het de treurige trots is van een ambachtsman op vakmanschap waar niemand nog om maalt.
Er is reden voor zulke somberheid.
Als aasgieren zwermen de betweters boven mijn professie. De journalistiek is ten dode opgeschreven, want iedereen is zijn eigen journalist, profeteert ondermeer mediawatcher Mark Deuze. Van alle kanten worden journalisten bovendien bedolven onder goede raad van communicatiewetenschappers en andere buitenstaanders. Positief nieuws, dat is wat lezers, luisteraars en kijkers willen! Weg met dor feitenonderzoek, leve het ooggetuigenverslag! Digitaal, dat is het toverwoord – al overziet nog niemand waar die digitale toekomst precies naartoe leidt.

Koester ik mijzelf, met mijn beroepstrots, in een voltooid verleden? Ben ik mijnwerker in een tijd dat er aardgas wordt gevonden?
Ik geloof er niets van.

Interessant nieuwtje: ik lees op een website dat ik mij, als voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, door het Telegraafconcern heb laten trakteren op een gratis vakantie op de Antillen.
Dankzij het internet beginnen het gerucht, de mythevorming, de vaag gefundeerde angst voor bedreigingen vanuit een boze buitenwereld weer net zo’n rol te spelen als in ver voorbije eeuwen, toen betrouwbare informatie peperduur was en daardoor alleen beschikbaar voor een kleine klasse van heersers en handelaren.
Gelukkig herhaalt de geschiedenis zichzelf nooit.
De paradox van de informatiemaatschappij is dat informatie zo overvloedig beschikbaar is, dat er op korte termijn groeiende behoefte zal ontstaan aan vakmensen om rook, vuur, kaf, koren, bomen en bos te onderscheiden.

Gevaarlijk cynisme

Met het in stand houden en verder ontwikkelen van journalistieke vakkennis is dan ook een groot maatschappelijk belang gemoeid. De dood van kwaliteitsjournalistiek in de traditionele betekenis – onafhankelijk, op het vinden van de waarheid gericht onderzoek om zo een breed publiek te kunnen informeren – zou onherroepelijk leiden tot ontwrichting van de democratische samenleving. De Irakoorlog bewees nog eens opnieuw hoe makkelijk een samenleving waarin de ideologie met de feiten op de loop gaat gemanipuleerd kan worden. En het gebrek aan onafhankelijke informatie over Uruzgan, omdat daar behalve de alom aanwezige Arnold Karskens van Nieuwe Revu geen Nederlandse verslaggever poolshoogte is gaan nemen, maakt de volksvertegenwoordiging afhankelijk van oncontroleerbare inlichtingenrapporten en maakt het voor de kiezers onmogelijk om een gefundeerd oordeel over de uitzending van militairen te vormen.

Het succes van Metro, dat door een in verhouding tot betaalde dagbladen piepkleine redactie wordt volgeschreven en niettemin vele honderdduizenden lezers bereikt, is benijdenswaardig, lovenswaardig en leerzaam. Maar het is onzin om daaruit, zoals de hoofdredacteur van Metro recent deed, de les te trekken dat dagbladen dus maar de helft van hun redactie naar huis moeten sturen of, beter nog, de handdoek in de ring moeten gooien. Jammer maar helaas: consumenten zijn niet meer geïnteresseerd in kwaliteit, ze hebben nu eenmaal liever frikadel dan biefstuk.

Ik vind dat gevaarlijk cynisme. Koren op de molen van een visieloze overheid die een mediabeleid voert waarin dagbladen nauwelijks lijken te bestaan, radio vergeten wordt, het televisiedebat gemarginaliseerd dreigt te worden tot een discussie over reclame-inkomsten en de digitale wereld grotendeels terra incognita blijft. Pleidooien voor, bijvoorbeeld, een BTW 0-tarief voor dagbladen of andere fiscale maatregelen om de pers te steunen, subsidie voor innovatieprojecten en verruiming van mogelijkheden voor multimediale activiteiten blijken tot nu toe aan dovemansoren gericht.

In gesprekken met uitgevers die ik voer als voorzitter van de NVJ, komt na een minuut of tien steevast het conservatisme van journalisten ter sprake. Daar loopt, volgens hen, iedere innovatiepoging op stuk! Het is een makkelijk verwijt uit de mond van ondernemers die zelf te laat tot zich hebben laten doordringen welke revolutie zich binnen hun branche voltrekt (en die recent nog weigerden mee te werken in een door de NVJ geïnitieerd innovatieplatform).
Maar helemaal onterecht is het verwijt niet.
In reactie op reorganisaties, op media-bashing door kabinetsleden (Balkenende, Remkes, Donner, ja wie in Den Haag heeft de afgelopen jaren de pers eigenlijk niét verweten dat de berichtgeving te negatief, te hijgerig, te onbetrouwbaar, te bevooroordeeld was), op wetenschappers die het journalistieke vak een snelle dood voorspellen, op welgemeende maar helaas onnavolgbare adviezen van een heel scala aan mediadeskundigen en andere profeten, heeft bij veel van mijn vakgenoten de verstarring toegeslagen.

Voor mijn generatie, die nog altijd een zwaar stempel drukt op het ambacht en die is opgegroeid met lood, telexen en treinbrieven, gaan veel ontwikkelingen bovendien wel heel erg snel. Te vaak koesteren we ons in nostalgische anecdotes over een veilig verleden om ons af te schermen voor de toekomst. Ik zag het bij mijn collega’s bij de publieke omroep, ik heb het als NVJ-voorzitter ook gezien bij de dagbladen: ondanks talloze tekens aan de wand weigerden journalisten vaak te lang om de consequenties onder ogen te zien van dalende oplages, teruglopende kijkcijfers bij de publieke omroep (met de luistercijfers viel het daar nog mee, maar radio wordt helaas meegezogen in het zog van de televisie). Fusies, reorganisaties, nieuwe netindelingen – het is veel journalisten vooral overkomen. Een irrationeel geloof dat de zondvloed ons niet zou overspoelen bleef overheersen, zelfs toen we al tot onze nek in het water stonden. Redacties hebben te laat en te halfslachtig geprobeerd zélf invloed uit te oefenen. En als ze al in actie kwamen, was dat meestal alleen gericht op beperking van de directe schade.

Ook innovatieve taak voor NVJ

En de NVJ? Heeft die dan gefaald?
De NVJ is behalve vakvereniging ook beroepsvereniging. Dat is een boeiende maar ook riskante combinatie. De NVJ houdt zich bezig met salarissen, onregelmatigheidstoeslagen, fatsoenlijke afvloeiingsregelingen. En óók met de ontwikkeling van het journalistieke vak.
De vakbondstaak is bijna steeds een behoudende: bescherming van de individuele belangen van de leden.
De tweede, innovatieve taak vraagt om durf, om de bereidheid belangen op korte termijn opzij te zetten om ruimte te scheppen voor de toekomst.
De ene taak kan de andere in de weg zitten. En dat kan leden kosten.

Het accent is bij de NVJ de laatste jaren sterk op het vakbondswerk komen te liggen. Begrijpelijk en ook terecht: er zijn vele honderden journalistieke banen verloren gegaan en het is de plicht van een vakvereniging de directe belangen van de leden te beschermen.
Maar op den duur is het een dood spoor als de NVJ zich daartoe zou beperken. Dat blijft een gevecht van handarbeiders tegen de komst van de stoommachine.

Dat wordt ook erkend door de NVJ. Daarom publiceert de vakorganisatie, zoals zij dat altijd al gedaan heeft, discussienota’s over de toekomst (‘Hoe verder met de journalistiek?’) en organiseert zij bijeenkomsten om het journalistieke debat gaande te houden. Met uitgevers, omroepdirecties en hoofdredacteuren wordt gedelibereerd over mogelijkheden om de journalistiek een nieuw élan te geven, met opleidingen wordt overleg gevoerd over de eisen waaraan de Nieuwe Journalist zou moeten voldoen.
En toch worden de stemmen van negenduizend NVJ-leden (de organisatiegraad onder journalisten is gelukkig onveranderd hoog in Nederland) niet genoeg gehoord, omdat die niet voldoende verheven worden.
Als wij, individuele journalisten, niet achter de ontwikkelingen in ons eigen vak aan willen blijven hobbelen, zullen we juist in deze magere jaren vaker en luider onze mond moeten roeren over de toekomst van ons vak. We mogen die discussie niet overlaten aan goeroes en piskijkers en zelf alleen in het geweer komen voor behoorlijke afvloeiingsregelingen. De journalistiek overleeft wel. Maar de trots van journalisten overleeft alleen als wij daar zelf voor vechten.

Al 17 reacties — discussieer mee!