Qua thematiek kan er dit jaar al bijna geen belangrijker boek meer over journalistiek verschijnen: “De toekomst van het nieuws” behandelt de verstoorde relatie tussen de Nederlandse journalistiek en jongeren. De auteur, Irene Costera Meijer, presenteert een groot kwalitatief onderzoek onder jongeren, gedurfde stellingnames, en nieuwe modellen voor eigentijdse vormen van journalistiek.
Ze gaat de problematiek met lef en overtuiging te lijf. “De toekomst van het nieuws” is het betoog van iemand die niet bij de pakken neerzit: al bevestigt ook dit onderzoek dat jongeren geen kranten lezen (zelfs de meeste door haar onderzochte hbo-studenten journalistiek doen dat niet) en televisienieuws saai vinden, dat kan veranderen, is de teneur, als de journalistiek maar wil. Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-Journaal en opdrachtgever van Costera Meijer’s onderzoek, deelt in die mengeling van somberte en optimisme. “Laat ik het – te – sterk zeggen”, schrijft hij in zijn voorwoord, “de oude instituties wankelen, terwijl de vraag naar informatie naar mijn idee groter is dan ooit.”
De vraag naar informatie groter dan ooit, ook onder jongeren? Die conclusie is in strijd met die van de Amerikaanse hoogleraar David Mindich, die in zijn spraakmakende studie “Tuned Out: Why Americans Under 40 Don’t Follow the News” de massale afkeer van journalistieke informatie onder jongeren documenteert. Het zou mooi maar ook opzienbarend zijn als deze Nederlandse studie zicht op iets anders bood…

De door Costera Meijer verzamelde onderzoeksresultaten bieden weinig grond voor optimisme. De onderzochte jongeren tonen weinig belangstelling voor nieuws, zeker niet als dat over buitenland, economie en binnenlandse politiek gaat. En wat essentiëler is: hun schaamte daarover verdwijnt. “Steeds minder jongeren”, schrijft Costera Meijer, “voelen zich ongemakkelijk of beschaamd als ze aangeven dat ze liever naar soaps kijken dan naar het nieuws. Ze komen er openlijk voor uit dat ze nieuws saai vinden en niet met al die narigheid geconfronteerd willen worden.”
Denkbaar was geweest dat Costera Meijer de jongeren op hun woord geloofde, er een ‘sociaal-cultureel’ probleem van jewelste in zag en een pleidooi à la Mindich ontwikkelde: samenleving, zorg dat de belangstelling voor nieuws onder jongeren terugkeert, breng je kinderen aan het verstand dat het je afsluiten voor de wereld iets is om je voor te schamen. Voor die benadering kiest ze niet. In haar ogen gaat het niet om een sociaal-cultureel maar om een journalistiek probleem. En dus besteedt ze het grootste deel van het boek aan de vraag hoe de journalistiek zichzelf aantrekkelijker voor jongeren kan maken. Allerlei vormen van “mensgerichte journalistiek” en uitgekookte combinaties van “snack” en “slow nieuws”, staan de journalist daarbij ten dienste.

Geen principieel verschil tussen Journaal en RTL Boulevard?

Door die strategie te kiezen, distantieert Costera Meijer zich van de door haar team ondervraagde jongeren. Die jongeren kunnen het verschil tussen “echt” nieuws en andere, leukere soorten informatie, prima omschrijven. Naar het “echte” nieuws, zeggen ze, kijk je niet voor je lol; dat doe je om te weten wat er in de wereld speelt en om erover te kunnen meepraten met de mensen om je heen. Jongeren vinden het belangrijk dat dat echte nieuws er is – zodat je er in geval van nood meteen een beroep op kunt doen – en het moet vooral blijven zoals het is: grijs maar betrouwbaar, saai maar objectief. Als zij er zelf maar niet elke dag naar hoeven te kijken.
Costera Meijer weigert zich bij dat standpunt neer te leggen. “Opvallend is”, schrijft ze, “dat informatieve programma’s die qua presentatie en aankleding ‘leuker’ en ‘meer aantrekkelijk’ bleken voor jongeren, niet als nieuws beschouwd worden. Een goed voorbeeld hiervan is het paradoxale oordeel van studenten over programma’s als RTL Boulevard: erg leuk om naar te kijken, maar geen ‘echt’ nieuwsprogramma.”
Paradoxaal? Het oordeel van de jongeren valt alleen ‘paradoxaal’ te noemen, als je het principiële verschil tussen het Journaal en RTL Boulevard niet wilt zien of erkennen, en dat is exact waar Costera Meijer heen wil: de journalistiek moet zichzelf ruimer definiëren. En niet zo’n klein beetje ruimer: SBS Actienieuws, Hart van Nederland, de interviews van Rik Felderhof, allemaal bevatten ze journalistieke elementen, en de “oude” journalistiek kan daar wat van lenen, er wat van opsteken. “Televisie wordt door jongeren gekeken voor ontspanning”, betoogt ze, “maar dat wil niet zeggen dat jongeren niet aangesproken of geboeid kunnen worden door een informatief programma. Jongeren kijken geboeid naar Jackass en naar MTV. Maar jongeren kijken ook geboeid naar Discovery Channel en Friends.” Is dit overigens een slip of the pen, of is ook de comedy serie Friends in haar definitie een informatief programma?

“Snack” en “slow nieuws”

Er valt ongetwijfeld het nodige te verbeteren aan de klassiek-journalistieke benadering, en Costera Meijer’s modellen kunnen daarbij helpen. Ze maakt, bij voorbeeld, onderscheid tussen conventionele, populaire en publieke benaderingen van het nieuws, en schetst de gevolgen van die driedeling in een bruikbaar schema. In klare taal maakt ze duidelijk dat journalisten die perspectieven naast elkaar moeten gebruiken, willen ze de aansluiting bij een jonger publiek niet verliezen.
Maar de achterliggende strategische keuze is er meer een van geloof dan van wetenschap. Nergens wordt aannemelijk gemaakt dat jongeren inderdaad naar de aldus gerestylede media zullen terugkeren en er hun eigen conventionele principe – echt nieuws kan en mag niet “leuk” zijn – voor zullen prijsgeven. De lage kijkcijfers van Talpa’s NSE – een programma dat de door Costera Meijer bepleite mix van “heavy” en “light” nieuws biedt – doen weinig florissants vermoeden.
Bovendien biedt ze geen echte oplossing voor het risico dat oudere publieksgroepen de nieuwe formats verwerpen en óók gaan afhaken (een effect dat men overigens bij het NOS Journaal wil proberen te voorkomen door de schepping van het aparte, op jongeren gerichte project NOS Headlines).

Costera Meijer suggereert dat “slow nieuws” – goed verbeelde menselijke verhalen die de kijker het achterliggende nieuws doen “verstehen” – jongeren richting media zal trekken, maar is dat niet wat talloze reportage- en documentairemakers al jaren in slecht tot niet door jongeren bekeken programma’s bij de publieke omroep doen?
Een sterk voorbeeld van “slow nieuws” is in Costera Meijer’s ogen de documentaire Otpor over de gelijknamige Servische jongerenoppositiebeweging in de tijd van Milosevic. Ze beschrijft hoe een grote groep jongeren de film op school zag en erdoor gefascineerd en aangedaan raakte. “De film”, schrijft ze, “was een schoolvoorbeeld van een goed verhaal, een verhaal waarin je kon wegzinken, dat je als jongere van begin tot eind kon navoelen en tot het diepst van je ziel wilde en kon meemaken.”
In mijn ogen bewijst dit voorbeeld niet dat jongeren vanzelf geïnteresseerd raken wanneer je zulke documentaires als “slow nieuws” op televisie of internet vertoont. Het bewijst vooral dat jongeren nog bereikbaar en ontvankelijk zijn als iemand het initiatief neemt ze met zo’n film te confronteren, en dat kunnen uiteraard ook jongeren zelf zijn. Niet alleen de journalistieke inhoud en vormgeving, ook de plaats, de afzender en het kader doen ertoe. Anders gezegd, misschien wordt het pas wat als naast de journalistiek ook de rest van de samenleving en jongeren zelf hun verantwoordelijkheid nemen.

Irene Costera Meijer – De toekomst van het nieuws
Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam 2006

Al 9 reacties — discussieer mee!