Vorige week was Femke Halsema te gast bij het afscheid van Ed van Thijn als bestuurslid van Stichting Democratie en Media, voorheen Stichting Het Parool. Ze hield een toespraak over de jungle van de politiek, het autoritarisme daarin en de rol van de ‘persmuskieten’ in deze jungle. Over dat laatste onderwerp gaat het volgende gedeelte van haar rede.

Op de dag van de persvrijheid, bijna 2 jaar geleden, sprak Piet Hein Donner in deze zaal. Hij beklaagde zich erover dat zijn werk steeds meer bestaat uit het recht zetten van wat verslaggevers eerder uit hun verband hebben gerukt. De pers als waakhond sloeg te vaak loos alarm. En hij sloot zijn betoog af met de stelling: “De persvrijheid gaat niet verloren onder druk van externe bedreiging, maar door gebrek aan interne kracht en weerstand: niet door gebrek aan vrijheid, maar door te veel.”
Toegegeven, natuurlijk wordt er wel eens loos alarm geslagen. Maar de stelling dat dit de boventoon voert, dat de waakhond daarom meer aan banden moet worden gelegd is potsierlijk. Gelukkig liggen de jaren vijftig met de Raad van Tucht ver achter ons. En we moeten daar ook niet naar terugverlangen. Maar dit pleidooi blijft niet beperkt tot minister Donner, in veel opzichten cultuurdrager van de jaren vijftig.
Wie zien het ook bij politici uit de babyboom-generatie, met wortels in de jaren zestig.
Thom de Graaf sprak onlangs tijdens een college voor het Katholiek Instituut voor Massamedia scherpe woorden over de ‘dance macabre’ waarin de parlementaire journalistiek en Haagse politici gevangen zouden zitten. Hij pleitte voor slow politics.
Nog recenter, heeft de kersverse PvdA-voorzitter uit de generatie Nix, Michiel van Hulten een gedragscode voor zuivere journalistiek opgesteld. Tekenend is dat 9 van zijn 10 regels “do and don’ts” voor journalisten bevatten. De politicus hoeft in zijn ogen alleen maar af te zien van de praktijk van het autoriseren van een interview.

Mediacratie

Voor dit soort voorstellen haken deze politici aan bij doemanalyses van wetenschappers, die spreken over het ontstaan van de inquisitiedemocratie, de dramademocratie of de mediacratie. Het zijn fraaie termen maar ze doen de werkelijkheid geen recht. De politiek oefent nog steeds een veel grotere invloed uit op de samenleving dan de media. Het zijn de politici die een pad door het oerwoud aanleggen, niet de muskieten. Het overgrote deel van de zo vermaledijde mediahypes vinden hun oorsprong in daden of woorden van politici. Tijdens het debat vorige week in de Kamer meldde Eerdmans met aplomb dat hem was afgeraden nog naar de Amsterdamse wijk Slotervaart te gaan, omdat niet meer voor zijn veiligheid kon worden ingestaan. Nog afgezien van het feit dat ik er nog altijd gewoon rondfiets, creëert hier een politicus welbewust een mediahype. Meer nog, hij bedrijft op een zorgwekkende manier angstpolitiek. Zelfs de cartoonaffaire is het resultaat van politiek. De hype hierover ontstond pas nadat politieke vertegenwoordigers van weinig democratische regimes brood zagen in het creëren van een culturele confrontatie over cartoons die een half jaar eerder waren verschenen.
Met Ed van Thijn vind ik ook dat de politiek in haar kritiek op de media veel minder hoog van de toren moet blazen. Elk pleidooi voor inperking van de persvrijheid moet worden geschuwd als nieuw politiek autoritarisme. Om met Ed van Thijn te spreken: ‘mediabashing is even verwerpelijk als antiparlementarisme’. En ‘het politieke bestuur moet ervan doordrongen zijn dat voor de kwaliteit van de democratische besluitvorming een onafhankelijke pers even belangrijk is als een vrij en onverschrokken parlement’.
Maar ik wil nog verder gaan. Politieke strijd om de lege zetel van de beeldvorming is geen ‘dance macabre’. Het is geen sinister machtsspel, of vuil of vunzig om Pechtold te parafraseren. Het is een noodzakelijke strijd in dienst van de kwaliteit van onze democratie. Media vormen een noodzakelijke tegenmacht. Journalisten controleren regering én kamer. Waarbij elke journalist gaandeweg zal leren dat een goede controleur zijn handen niet schoon kan houden. De pers ontkomt er gewoon weg niet aan om ook politiek te bedrijven. Om soms een tijdelijk bondgenootschap aan te gaan met politici om informatie te ontfutselen. Dat is vast niet altijd even fraai, maar er is vrijwel altijd een democratische noodzaak. Watergate is een belegen voorbeeld maar ook voor de informatie over massavernietigingswapens in Irak, de geheime detentiekampen van de CIA etcetera geldt dat wij die kennis danken aan journalisten die hoog spel spelen, aan politici die lekken en ambtenaren die als ‘deep throat’ optreden.
Door het werk van de pers is het voor politici veel moeilijker geworden om de dubbele moraal die Machiavelli blootlegde – voor de vorst gelden andere privileges – dan voor zijn onderdanen, in stand te houden. Mede door het werk van de vrije pers is ook de tijd dat ‘de leugen regeert’ echt voorbij. Dat betekent ook dat niet langer elk klassiek middel in de strijd om de macht is geoorloofd, zoals Boris Dittrich recent ondervond.

Elke politicus krijgt de journalist die hij verdient

Politici kunnen zich, dat is de moraal van mijn verhaal, beter om zichzelf bekommeren, dan om de journalistiek. Het was ook Machiavelli die er meer dan vijfhonderd jaar geleden al op wees dat grote politieke daden alleen door mensen met virtù, met politieke deugd, verricht kunnen worden. Deze deugd, deze politieke moed, is cruciaal om het politieke gezag te (her)winnen. Want ook toenemend autoritarisme, jegens de samenleving, jegens de pers, kan niet verhullen dat het ons politici vaak ontbreekt aan gezag. De hang naar meer autoritaire verhoudingen maakt het gebrek aan gezag juist pijnlijk zichtbaar.
Een klein voorbeeld. Sinds enige tijd geeft premier Balkenende zijn wekelijkse persconferentie niet meer zittend, op de zelfde hoogte als de journalisten tegenover hem. Hij staat achter een katheder, om ouderwets autoritair van boven naar beneden te spreken. In plaats van gezag uit te oefenen in een gelijkwaardige verhouding tot de media en het publiek dat zij representeren, is hij zichtbaar bang en verschanst zich. Even zo pijnlijk is dat Minister Donner zijn in potentie grote politieke gezag ondermijnt door regelmatig af te geven op de pers. Ook hij geeft dan blijk van autoritarisme, door de stabiliteit van onze democratie te willen bestendigen tegen mediahypes, en uiteindelijk zelfs tegen openbaarheid die hem niet uitkomt.

Daar zit voor mij een cruciaal verschil van mening. Donner maakt zich vanuit een autoritaire opvatting druk om de stabiliteit van de democratie. Terwijl wij ons vooral druk moeten maken om de kwaliteit van onze democratie. En daarin gaan vrije pers en onverschrokken politiek hand in hand. Wij hoeven – om er nog eens wat Engels jargon tegenaan te gooien – niet bang te zijn voor fast journalism en dat niet te beantwoorden met slow politics. Uiteindelijk krijgt elke politicus de journalist die hij verdient. Dat repareer je niet door je autoritair op te stellen, door media bashing, door je te verschansen of door te vertragen. Dat vraagt om ‘smart politics’. Smart politics betekent kwetsbaar zijn, open zijn. Partners zoeken, ook bij de pers, en af en toe zeggen – om met Van Mierlo te spreken – ‘dat je het niet weet’.

Politieke etiquette van het kapmes

En noest doorkappen. Tegenover de ‘eed van zuiverheid’ voor de pers van Michiel van Hulten, zou ik dan ook de politieke etiquette van het kapmes willen stellen.

1. Durf alleen te staan (minimaal 10 minuten).
2. Zeg alleen sorry als je het echt meent.
3. Wees scherp, zo nodig confronterend, maar mijd kwetsuur.
4. Laat anderen altijd uitspreken, maar niet heus.
5. Politiek is klein en praktisch handwerk: beter één kind uit achterstand verheven dan acht jaar principieel en hoogdravend gedebatteerd over de vrijheid van onderwijs of ‘de ware islam’.
6. Kom op voor alle burgerlijke vrijheden, vooral die van je tegenstanders.
7. Houd je snavel als de rechter spreekt.
8. Heb de pers en de openbaarheid lief, ook als je ze tijdelijk en om goede redenen haat
9. Accepteer het als je houdbaarheidsdatum verstrijkt, overschreeuw jezelf niet en open een bloemenwinkel.

En dan wil ik er nog één heel serieuze aan toevoegen:

10. Om het lekken te verminderen moet je de openbaarheid vergroten.

Met deze laatste etiquetteregel doel ik vooral op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB), die na 25 jaar gebrekkig functioneren nodig op de schop moet. Als eerste moeten de bestaande gronden voor weigering van openbaarmaking drastisch worden ingeperkt. Daarnaast moeten ook verzelfstandigde overheidstaken onder de werking van de WOB vallen. Tot slot moet het indienen van een verzoek tot openbaarmaking zo worden vereenvoudigd dat je er niet meer voor gestudeerd hoeft te hebben en de wet een echte lekenwet wordt.
Tot slot, één woord over journalisten. Een bijzondere beroepsgroep, zonder tuchtrecht. Dat past ook niet bij een beroep dat volgens artikel 7 van de Grondwet iedere burger mag uitoefenen. Op z’n Veronica’s: De journalist dat ben je zelf. Maar die stand verplicht tot zelfkritiek. Niet onder dwang, maar – gewoon – omdat je er beter van wordt.

Nog geen reactie — begin de discussie!