Ter voorbereiding op mijn bijdrage zette ik een aantal overwegingen op papier, waarvan hier een uitwerking in de vorm van een essay.

Excellente journalistiek
Ik ben uitgenodigd om te vertellen welke voorbeelden van excellente journalistiek ik op het wereldwijde web heb aangetroffen. Dat is geen sinecure: je kijkt al snel naar websites die lijken op traditionele vormen van exceptioneel goede journalistiek: een unieke weblog van een oorlogscorrespondent, bijvoorbeeld, of de videoreportages van een documentairemaker. Ik kan best met een paar van zulke voorbeelden op de proppen komen – maar er wringt iets.

Om een antwoord te vinden op de vraag welke ‘journalistieke’ relevantie weblogs hebben in een nieuwemediawereld, is het hanteren van criteria die ontwikkeld zijn in een geheel andere context, voor andere media – kranten, televisie, radio – een heilloze excercitie. Als in de toekomst daadwerkelijk ‘iedereen journalist’ is (en daardoor, bij gebrek aan onderscheidend vermogen, helemaal niemand), zoals democratiseringstheorieën van begeisterte nieuwemediaprofeten ons voorhouden, heeft het weinig zin om bij de beoordeling van journalistieke communicatie een zender-ontvangermodel met een professionele journalist en een ontvangend publiek als uitgangspunt te blijven hanteren.

Een dergelijke handelswijze zou symptomatisch zijn voor wat cultuurfilosoof Marshall McLuhan het Horseless Carriage Syndrome heeft gedoopt, naar het eerste auto-ontwerp waarin de bestuurder een plaats op de ‘bok’ kreeg toebedeeld, buiten het voertuig – domweg omdat hij daar ook al zat toen het nog door paarden moest worden voortgetrokken. Waarmee maar gezegd is dat je nieuwe ontwikkelingen niet kunt begrijpen met een verouderd referentiekader.

Horrorscenario’s
In het publieke debat ten aanzien van nieuwe media wisselen utopische jubelprofetieën over de democratiserende invloed van het internet, grimmge dystopische horrorscenario’s over de teloorgang van de kwaliteitsjournalistiek (ten faveure van een nutteloze chaos van miljoenen weblogs) elkaar in rap tempo af; andere geluiden bagatelliseren de impact van nieuwe media: we kijken met z’n allen per slot van rekening nog altijd naar Dancing with the stars (disclaimer: ik niet), aan duidende en selecterende journalisten is ook behoefte bij een informatie-overschot en die webloghype waait wel over, kort samengevat.

Hoeveel waarheid al deze verschillende denktranten bevatten staat nog te bezien. Voor de sceptici onder ons: ik zal op deze plaats in elk geval geen gloedvol betoog afsteken over het einde van de journalistiek as we know it. Wel benadruk ik dat het belangrijk is om tijdig in te zien wanneer huidige begrippen en betekenissen hun uiterste houdbaarheidsdatum dreigen te overschrijden. Mediablogger Jeff Jarvis is zich bijvoorbeeld bewust van de beperkte houdbaarheid van het begrip ‘krant’: hij blijft herhalen dat het niet gaat om het redden van de krant, maar om het redden van de journalistiek.

Maar volgens mij leidt zelfs dat tot een dwaalspoor: wanneer je een multidimensioneel, hypercomplex begrip als ‘journalistiek’ met wortel en al uit de twintigste-eeuwse samenleving rukt, het vervolgens in de eenentwintigste eeuw katapulteert en dan krampachtig probeert de wortels weer in de aarde te planten, zal je arbeid weinig opleveren. De mogelijkheid bestaat immers dat het leeuwendeel van de huidige journalistieke taken niet langer door betaalde professionals wordt verricht. Niche-bloggers kunnen even goed of beter schrijven over popmuziek, de laatste toespraak van Bush of het kwakkelende Ajax, dat kan ik u verzekeren. Waarmee ik maar wil zeggen: de vraag of er straks nog wel zoiets bestaat als een volwaardige schrijvende journalistieke sector, is in elk geval alleszins legitiem.

Loop ik nu te hard van stapel? Neen. Internetjournalistiek, al dan niet excellent, is een contradictio in terminis, of in ieder geval als analytisch construct volstrekt onbruikbaar. Het is immers maar de vraag of de processen die op internet de maatschappelijke functie gaan vervullen die de journalistiek tot op heden heeft gedaan, nog wel ‘journalistiek’ genoemd kunnen worden. Natuurlijk, begrippen zijn rekbaar, maar als je te hard trekt aan het woord komen er scheuren in en dondert de inhoud eruit – en het is de vraag of het heel zinvol is om te speuren naar verschijnselen die al dan niet toevallig uiterlijke of inhoudelijke gelijkenis vertonen met de traditionele journalistieke beroepsuitoefening.

Semantische queeste
Het onderzoek naar de toekomst van de journalistiek – zowel de wetenschappelijke waarheidsvorsing als de publieke zoektocht die deze website onderneemt – vereist daarom een begrippenkader dat woorden als ‘journalistiek’ en ‘reporter’ houdt voor wat ze zijn: sociaal-culturele constructen, gevormd in een maatschappelijke context die in rap tempo aan het veranderen is.

Nogmaals, en wellicht ten overvloede: of burgers daadwerkelijk de rol van journalisten zullen overnemen (om er eens een obligate vraag tegenaan te gooien), staat nog volledig te bezien. Waar het om gaat, is dat het mogelijk is en dat de voortekenen onmiskenbaar aanwezig zijn. Daarom zijn goed toegepaste wiki’s interessant, is de netwerksite Hyves interessant (tip aan Wegener: nú kopen!), daarom zijn lokale gemeenschappen interessant. Daarom zouden kranten moeten zoeken naar intelligentere systemen om de collectieve kennis van hun vele lezers te kunnen bundelen, in plaats van te blijven jeremiëren over het Sodom en Gomorra dat thans oprijst in de reactiepanelen van hun websites.

Vrij naar burgerjournalistiek-goeroe Dan Gillmor: hoe goed een journalist ook is, zijn lezers weten altijd meer af van een onderwerp dan hij. En in de nieuwemediawereld kunnen lezers niet alleen terugpraten, ze kunnen ook journalisten van informatie voorzien, zelf berichten publiceren of in slimme collaboratieve nieuwsproductiesystemen participeren. Om die ontwikkelingen te onderzoeken, is het noodzakelijk om huidige concepties over ‘goede journalistiek’ te herkennen als de normatieve, dogmatische constructen die ze zijn.

Het zoeken naar ‘de Nieuwe Reporter’ behelst in mijn optiek méér dan een speurtocht naar de wijze waarop journalisten bijvoorbeeld van het internet moeten gebruikmaken; misschien is het wel in de eerste plaats een semantische queeste, een talige zoektocht naar nieuwe begrippen en betekenissen in welke we de nieuw opdoemende werkelijkheid kunnen vatten. Zoals het woord ‘reporter’, rijk van betekenissen en connotaties die betrekking hebben op een wereld van drukpersen, kladblokjes, persconferenties en die grote vellen papier met letters die je vader altijd opensloeg bij de keukentafel. Zo’n mooi woord, daarvan hebben we nieuwe nodig. Wie ze weet, mag ze zeggen.

Jaap Stronks

Directeur Bolster

Jaap Stronks is directeur van Bolster, een digitaal bureau gespecialiseerd in de ontwikkeling van digitale platforms voor nonprofits en …
Profiel-pagina
Al 18 reacties — discussieer mee!