Ik noem het altijd het ‘IT-prekerssyndroom’, en het is weer ‘in’. Over de relatie van internet en journalistiek kan dan alleen maar in grote woorden worden gesproken. Grote omwentelingen, machtsverschuivingen, ze vliegen je om de oren. Dat is ergens ook logisch, want als je claimt dat het allemaal zo schokkend niet is, ben je saai en nuchter. Geen goeroe. Want visionairs zijn niet saai en nuchter.

Het mechanisme mag begrijpelijk zijn, maar ik zit er als internetjournalist – 10 jaar in het vak – wel eens meewarig naar te kijken: voorspellen is een leuke bezigheid, maar een beetje rekening houden met de feiten van vandaag hoort daar naar mijn smaak wel bij. Doordat er simpelweg te weinig bruikbaar onderzoek wordt gedaan naar het gebruik van ‘nieuwe media’ is het niet vreemd dat er inmiddels een aantal dubieuze clichés zijn uitgesleten. En omdat ik inmiddels net wat teveel symposia heb meegemaakt waarin ze instemmend door de lucht vlogen, wil ik er een viertal even uitlichten.

Laat ik meteen met de belangrijkste gedachtefout beginnen. Velen claimen dat door de nieuwe technieken iedereen uitgever of journalist wordt. Vaak worden er twee verschillende zaken mee bedoeld. Allereerst, nieuwsconsumenten maken tegenwoordig zelf wel uit waar ze hun nieuws vandaan halen. Ze nemen dus de nieuwsselectie in eigen hand en daarmee zijn ze zelf journalist geworden. Tenminste, dat is het verhaal. Maar ik zie niet in waarom het zo revolutionair is dat mensen in plaats van één krant lezen nu snuffelen in de nieuwsbak van verschillende media. Uiteraard is het voor abonnementenverkopers lastig, voor de mediabureaus ingewikkeld, maar het betekent voor het wezen van de journalistiek nu niet bepaald een doodsklap. De feiten moeten immers nog door journalisten geleverd worden, RSS-feeds of niet.

Hobby-Kuifjes

De tweede meer revolutionaire betekenis die aan de “iedereenjournalist-theorie” wordt vastgehangen, is het feit dat nieuwsconsumenten nu zelf steeds meer nieuws kunnen produceren. Door middel van nieuwe technische mogelijkheden als het laagdrempelige weblogsysteem, de internetfora en de interactieve community’s wordt de grote schare der hobby-Kuifjes gemobiliseerd.
Dat beeld wordt ons journalisten nu al tien jaar met een waarschuwende vinger voorgehouden, maar ik moet er de eerste geweldige voorbeelden nog van zien. Kan iemand mij vijf amateursites noemen die het afgelopen jaar een uniek journalistiek item brachten? In werkelijkheid is het een prachtige fantasie die stoelt op een volstrekt onbegrip van hoe de journalistiek werkt en hoe de gemiddelde mens in elkaar steekt.

Maatschappij bestaat bij gratie van taakverdeling

Uiteraard is het technisch mogelijk dat de journalistiek overspoeld wordt door de feitenkennis van een bevolking. Die zijn immers in theorie opgeteld veel deskundiger en alwetender dan die 15000 journalisten. Maar als het technisch kan, is het nog niet direct werkelijkheid. Niet alleen is de mens lui, zoals Gert Jan Bogaerts, chef internet van de Volkskrant onlangs niet onterecht betoogde, maar een maatschappij bestaat nu eenmaal bij de gratie van de taakverdeling. Als mijn bakker nu even het brood bakt, dan zorgt mijn automonteur dat ik nog naar de eerder genoemde symposia kan. Ik kan het met heel veel oefenen wellicht ook zelf, maar waarom zou ik? Het heeft weinig met luiheid te maken dat ik ervoor kies om dat wat efficiënter te regelen. Voor mijn bakker en automonteur geldt dat ook, zij hebben ongetwijfeld geen enkele ambitie om journalist te spelen. Laat staan dat zij over de tijd of vaardigheden beschikken. Ooit al eens een slager bij een nieuwtje over zijn vleesleverancier hoor- en wederhoor zien toepassen? Ooit je moeder een verhaal zien checken of een alinea zien herschrijven? Ik vermoed hier een beroepsdeformatie van wetenschappers en journalisten: zij en hun sociale omgeving bezitten een bepaald interesseveld en opleidingsgraad en zien overal schrijvers en debateerders om zich heen. Het is echter heilzaam op straat tien willekeurige mensen te vragen naar hun mediagedrag.

Het tweede misverstand hangt met de eerste nauw samen. Doordat het monopolie van de journalist is doorbroken, zou de professionele journalistiek voor haar bestaan moeten vechten. Journalisten sterven uit, als oude mijnwerkers, dat is de trieste sage. Ik zou niet weten wat, behalve winstbeluste directeuren en aandeelhouders van grote mediabedrijven, het gevaar zou moeten zijn. Ik geef toe dat de economische waarde van journalistiek onder druk staat, maar dat is natuurlijk niet het resultaat van een afnemende vraag. Met de hoeveelheid tijdschriften in de kiosk, het aantal krantenabonnementen en TV-zenders in het achterhoofd, er wordt meer professionele journalistiek geproduceerd, geconsumeerd en geherkauwd dan ooit tevoren. Er zijn ook meer journalisten dan ooit. In een informatiemaatschappij ontstaat juist de behoefte om van vakmensen een samenvatting te krijgen van de gebeurtenissen, om van hen te horen hoe het zit.

Reuma van tante Ans

Zijn weblogs dan irrelevant? Hoe zit het dan met de veelgehoorde bewering – misverstand nummer drie uiteraard – dat weblogs de macht in medialand gaan overnemen?
Ik zal zeker niet beweren dat de weblogbeweging niets om het lijf heeft. Het is een zegen dat de lezer of kijker op grote schaal terugpraat, dat niet alleen de kleine kring der professionals het debat voert. Maar we vergeten vaak dat 99,9% van de weblogs journalistiek volkomen irrelevant is en gaat over het konijn of de reuma van tante Ans; als ze dat al langer dan een paar maanden volhouden.
De rest betrekt het nieuws van de gevestigde journalistiek en geeft er commentaar op. Dat betekent dat het debatcircuit wel veel groter is geworden en dat de platformfunctie van de traditionele media er een belangrijke concurrent heeft bij gekregen. Maar er is, een handvol amateursites uitgezonderd, geen sprake van eigen nieuwsgaring. De concurrentie van de weblog bestaat simpelweg uit de tijd die het van de mediaconsument afsnoept.

Wat er wél gebeurt

Laat ik de vraag eens van de andere kant benaderen: wat gebeurt er nu wel? Twee ontwikkelingen spelen naar mijn mening door elkaar. De journalistiek heeft nooit een informatiemonopolie gehad, maar daarvan is nu helemaal geen sprake meer. Jan Marijnissen richt zich met zijn weblog nu ook rechtreeks aan zijn kiezers, Greenpeace heeft een online nieuwsbrief en Shell zet de jaarverslagen zelf ook op de site. Daarmee wordt Jan Marijnissen of de webredacteur van Shell geen journalist, maar het betekent wel dat de bronnen zich ook rechtstreeks aan de lezers kunnen richten. Juist de grote vlucht die de communicatie- en voorlichtingsbranche neemt maakt het informatielandschap steeds complexer. Het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, zij ruiken de grote kans mensen aan zich te binden door de kritische journalistiek te omzeilen.

Daarbovenop is het voor mij helder dat de laagdrempelige en goedkope technieken om journalistiek te publiceren en te distribueren vooral de kleinschalige producties bevoordelen. Het is niet vreemd dat de grootste succes in de online journalistiek behaald worden door de lokale journalistiek (let op: vaak gepensioneerde journalisten!) of de doelgroepensites. Internet kan een massamedium zijn, maar faciliteert bij uitstek een versplintering. Steeds kleinere doelgroepen hebben de beschikking over een eigen redactioneel medium. Dat is niet – en dat beschouw ik maar even als het vierde misverstand – hetzelfde als zeggen dat massamedia uitsterven. Waarom, als het mogelijk word je als journalist op steeds kleinere doelgroepen te richten, het onmogelijk grote groepen te bereiken? Waarom zou het één het ander uitsluiten?

Journalist onmisbaarder dan ooit

De professionele journalistiek zal naar mijn vaste overtuiging juist inhoudelijk kunnen profiteren van het stijgen van de deskundigheid op deelgebieden. De rol van de journalist zal daardoor ongetwijfeld langzaam veranderen. Hij/zij wordt veel meer een samenvatter, een richtingwijzer, een bronnenduider, een spin in het steeds complexere web dat informatiemaatschappij is gaan heten. De journalistiek verandert, maar het is mijn vaste overtuiging dat journalisten – mits onafhankelijk – zich over de toekomst van het vak geen zorgen hoeven te maken. De journalist wordt juist onmisbaarder dan ooit. Ik geef toe, dat klinkt wat saai en nuchter. Maar ik heb mijn ambitie om goeroe te worden dan ook al lang laten varen…

Erik van Heeswijk is freelance internetjournalist (www.capablanca.nl) en vice-voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten

Al 20 reacties — discussieer mee!