Goed nieuws, zo lijkt het, in het onderzoek dat De Nieuwe Reporter afgelopen week publiceerde. Anders dan in de Verenigde Staten, waar correspondentschappen maar blijven sneuvelen en buitenland nieuws een “bedreigde nieuwssoort” geworden is, blijft het Nederlandse correspondentennetwerk redelijk intact.
Hoe dit te rijmen met pessimistische uitlatingen van, toch niet de eerste de beste, collega’s? Hans Nijenhuis van NRC Handelsblad zei twee jaar geleden in een special van de Scherpenzeel Stichting: “Buitenlandberichtgeving is achteruit gegaan. Het staat onder druk. De Volkskrant moest bezuinigen en deed dat op het aantal correspondenten. En wanneer opent het journaal nog met buitenland? Alleen NRC Handelsblad heeft nog niet op buitenland bezuinigd. We zijn daarmee wel een soort exotisch dier geworden. Vroeger had je buitenlanddocumentaires op televisie. Nu doet alleen Netwerk soms wat. Je moet wel aandachtig kijken want als je even niet oplet is het item alweer voorbij.”
Gert Corba, eindredacteur bij IKON, viel hem bij: “Buitenland trekt relatief weinig kijkers en dat betekent dat je eerst naar de ongunstige tijden verhuist en vervolgens helemaal verdwijnt. Er is geen buitenlandrubriek meer over. De ether wordt volgepropt met studiogesprekken waarin BN’ers de zendtijd vollullen.”
Volgens Corba gaat het ook niet goed met de waarheidsbevinding in de journalistiek. “Er is een soort vermoeidheid ingetreden. De drive voor waarheidsvinding ontbreekt.” Geld heeft daar veel mee te maken: “Vroeger kreeg je drie weken om een buitenlandreportage te maken. Tegenwoordig mag je van geluk spreken wanneer je acht dagen weg kunt.”
Als bewijs voor het falen toonde de Scherpenzeel Stichting in dezelfde uitgave welke belangwekkende buitenland verhalen het jaar ervoor niet gecovered werden.
Kort daarna uitte Aad van den Heuvel in Trouw de vrees dat de betrokkenheid van mensen er onder gaat lijden: “Er zou veel meer continuïteit in die berichtgeving moeten zijn. Want als de camera’s verdwenen zijn, vervliegt de solidariteit.”

Geen zaak van leven of dood meer

Ik vermoed dat Nijenhuis en Corba gelijk hebben, al ontbreekt het jammergenoeg aan wetenschappelijk onderzoek dat dit kan staven. Het comment van Fons Tuinstra laat ook zien hoe een correspondentschap van binnenuit kan eroderen. Afgezien daarvan, we hebben allemaal kunnen waarnemen hoe de stortvloed aan buitenland reportages uit de jaren zestig en zeventig opdroogde tot af en toe een buitje; de tijden dat Van den Heuvel wekenlange reportagereizen door Afrika kon maken, zijn voorbij (al zijn er creatievelingen die dat op eigen houtje organiseren).
Een vergelijkbare teruggang beleeft de Britse buitenland berichtgeving, waar kenners een cyclische beweging waarnemen. George Brock, managing editor van de Times: “Sinds de val van de Berlijnse Muur zien de krantenlezers, om heel rationele redenen, buitenlandse kwesties niet meer als een zaak van leven of dood, zoals ze tijdens de Koude Oorlog deden.”
Net als in Nederland leidt dat in Engeland niet meteen tot ontmanteling van het specialisme. Roger Mosey, hoofd televisienieuws van de BBC: “We hebben steeds onze infrastructuur intact gelaten, zodat we buitenlandse kwesties kunnen blijven coveren.”

Privé-zwembaden van celebrities

Ik geloof niet dat Nederlanders zich, zoals Van den Heuvel vreest, nu al in stilte van het buitenland afkeren. Uit onderzoek op dit terrein (zie het webarchief van NCDO) blijkt dat de belangstelling en het draagvlak voor armoedebestrijding, vredesmissies en rampenhulp nog redelijk intact zijn (ook door inspanningen van clubs als NCDO).
Wel zijn er aanwijzingen dat mensen hun mondiale nieuwsgierigheid op de ‘waakstand’ hebben gezet. Het dagelijks bijgepraat worden over oorlogen en diplomatieke processen spreekt met name jongeren niet tot de verbeelding. Maar bij belangrijke gebeurtenissen heeft iedereen zich binnen de kortste keren multimediaal geïnformeerd. Het is democratie volgens het model-Schudson, waarin burgers niet goed geïnformeerd zijn maar wel regelmatig hun sociale en politieke omgeving “monitoren” of “scannen”, net voldoende opstekend om in actie te kunnen komen als dat nodig is.
Een zekere moedeloosheid bij het publiek speelt misschien ook een rol. Toen het bekende Pew onderzoeksinstituut probeerde te achterhalen waarom de buitenlandberichtgeving de Amerikanen maar zo matig boeit, antwoordde de helft van de respondenten daar: “Omdat er toch nooit wat verandert.”
Zo’n contingent “maatschappelijk teleurgestelden” kennen we in Nederland ook, al is het hier kleiner: het zijn de mensen die het liefst naar zenders als SBS kijken, waar de horizon bij het einde van de straat of de privé-zwembaden van celebrities ligt. Representatief voor de Nederlandse bevolking lijkt die groepering me echter zeker niet.

Van ‘waakstand’ naar ‘slaapstand’?

Als ik desondanks ongerust ben op de afloop, komt dat doordat – lees deel II van het onderzoek van Van der Valk en Vasterman – de buitenlandberichtgeving de laatste jaren op peil is gebleven door samenvoegingen en fusies. Ik weet dat het de laatste vijftien jaar al vaker geroepen is, maar op dat vlak valt nu geen winst meer te behalen. De laatste grammetjes vet zijn weggeschraapt, ook in de tijdsbesteding van correspondenten; nieuwe bezuinigingen zullen de infrastructuur wel degelijk aantasten.
Voor de elite ben ik niet bang; die blijft haar weg naar het, eventueel Engelstalige, buitenland nieuws wel vinden. Maar welk aanbod resteert er voor het grotere publiek?
De regering begaat een enorme fout door de Publieke Omroep, voor de meeste mensen hèt informatiemedium over het buitenland, stukje bij beetje te ontmantelen (zie ook de ophef over het jongste wetsvoorstel). Dat vergroot de kloof. Nog even, en de ‘waakstand’ schiet toch door richting ‘slaapstand’.

N.B. Eén ingreep lijkt intussen goed voor zowel het publiek als de pers zelf: breng wat meer nieuws uit landen als Marokko en Turkije; het deel van onze bevolking dat daar zijn wortels of interesse heeft liggen, komt nu erg slecht aan zijn trekken.

Al 7 reacties — discussieer mee!