Floortje Bakkeren en Simon van den Berg (oprichters van theaterwebsite Moose) geven hun visie op de toekomst van de theaterkritiek: minder kritische recensies in de kranten, meer meningen – van oppervlakkige beschrijvinkjes tot zware kunstkritiek – op internet. Een zoekmachine bedient de theaterbezoeker met informatie op maat.

De afgelopen jaren lijkt de theaterkritiek meer bezig met introspectie en herbezinning dan met het becommentariëren van voorstellingen. Enkele malen per jaar organiseert het Theater Instituut Nederland een debatsalon waarin critici en makers in discussie gaan. Leden van de Kring voor Nederlandse Theatercritici bespreken deze materie onderling. En maandelijks vergelijkt Max Arian, een door leeftijd en ervaring boven de partijen verheven toneelbeschouwer, in de rubriek Kritiek op Kritiek van het tijdschrift Theatermaker verschillende recensies over één voorstelling. De bedaagde wijze waarop Arian het veld overziet en de dagbladrecensenten de mantel uitveegt geeft blijk van een consistente visie op theaterkritiek, waarbij een voorstelling welwillend tegemoet wordt getreden, zorgvuldig bekeken en mild beoordeeld.

Als jonge en nog een beetje wilde cultuurcritici verbazen wij ons over de smalle blik van deze debatten. Kritiek op Kritiek bestaat -net als de positie van Max Arian- bij de gratie van een praktijk van dag- en weekbladkritiek die nogal twintigste-eeuws is. Maar zijn er geen grotere veranderingen dan de veronderstelde laksheid en gebrek aan nuance die Arian en de zijnen signaleren? Om het even visionair te schetsen: is zo’n rubriek over tien jaar nog wel denkbaar? Kunnen gepassioneerde theaterbeschouwers zoals wij nog Max Arian worden, later als we groot zijn?

Kranten: minder recensies, meer ‘community-activiteiten’
Laten we beginnen met het doortrekken van een inmiddels behoorlijk uitgekauwde trend: kranten zullen minder en minder ruimte en aandacht aan kunstrecensies besteden. De oorzaken zijn bekend: kunst is geen ‘lekker’ onderwerp, recensies zijn saai, interviews en voorbeschouwingen zijn beter. Dat vinden kranten niet per se zelf, maar dat blijkt uit lezersonderzoek. Schreven kranten vroeger voor hun zuil, nu schrijven ze voor hun lezersprofiel.

De nieuwe krant NRC.next heeft bijvoorbeeld erg goed onderzocht wat haar lezers willen en besteedt daarom weinig aandacht voor kunst in het algemeen en theater in het bijzonder. De jonge urbane professional, op wie die krant zich richt, is sowieso slechts met zeer veel moeite het theater in te krijgen. Kansen voor een brede theaterbeschouwing liggen eerder bij een krant die de oudere witte vrouw tot haar doelgroep rekent.

Als we uitgaan van de (ook al zo uitgekauwde) trend dat theateraanbod blijft groeien, zullen over tien jaar in één seizoen rond de 10.000 voorstellingen te zien zijn. Theatermarketeers, ook niet gek, zullen ook steeds meer gebruik maken van bezoekersprofielen en weten welke kanalen ze voor welk soort theater moeten gebruiken. Kranten met lezersprofiel A zullen voorstellingen met bezoekersprofiel B links laten liggen. En producenten van die voorstellingen zullen zich de energie besparen om die kranten uitgebreid op de hoogte te houden.

Maar ook de krant die zich expliciet op kunstliefhebbers gaat richten zal dat speerpunt waarschijnlijk niet met extra recensies vormgeven. Die gaat dat zoeken in communities, lezersaanbiedingen en speciale reizen. Deze mix van verslaggeven en participeren geeft nieuwe ingangen voor een andere relaties met de lezers over het kunstaanbod. Nu al kiest NRC Handelsblad nu boeken waarover lezers op hun site en in de krant kunnen discussiëren, begeleid door redacteuren als Pieter Steinz en Elsbeth Etty. Het Parool investeerde in een coach-spel voor voetballiefhebbers. De perspectieven voor het theater zijn gunstig. Misschien gaat Hein Janssen gezellig inleidingen geven voor het speciale Volkskrant Toneelgroep Amsterdam-abonnement en kan Wilfred Takken bemoedigend commentaar geven bij geweblogde lezersrecensies. Pieter Bots mag dan leuk theaterreizen naar de Wiener Festwochen of Avignon begeleiden. Journalistieke onafhankelijkheid of strenge grenzen tussen makers en pers -laatst in TM nog onderwerp van een felle polemiek tussen Bots en Loek Zonneveld- zijn over tien jaar nog slechts echo’s in theoretische discussie’s. Kranten zullen enthousiast participeren in de distributie van het aanbod.

De morele scherpslijpers zijn al lang aan de verliezende hand. NRC Handelsblad is al enige jaren sponsor van het Oerol festival, terwijl in de krant ook recensies over de voorstellingen staan en twee redacteuren een dagelijkse talkshow verzorgen. De Telegraaf is mediapartner van de voorstelling Alegría van Cirque du Soleil, het Brabants Dagblad is zeer zichtbaar aanwezig op Festival Boulevard. Het nieuwe festival TF-1 zal binnen een paar jaar bezoekersprogramma’s samenstellen voor het publiek van zijn mediapartners, zoals het International Filmfestival in Rotterdam en het IDFA al jaren doen.

Weblogs: vooral voor amateurrecensenten
Terwijl in de getroubleerde kranten de ruimte voor klassieke recensies afnam, diende zich de afgelopen jaren een nieuw podium aan. Op internet schrijven inmiddels enkele tientallen veelal jonge theaterbezoekers regelmatig recensies. Op Moose was kort en krachtig zo’n negen jaar het adagium, nieuwe sites zoals TheaterCentraal , 8Weekly en een aantal weblogs van theaterbezoekers maken gebruik van de oneindige ruimte die internet biedt. Op TheaterCentraal zijn de recensies zo’n 500 woorden, op 8Weekly zelfs 700 tot 800. Ter vergelijking: in de Volkskrant tellen recensies ongeveer 500 woorden, in het Parool hoogstens 400.

Het verbazende is dat al deze woorden gratis en voor niks geschreven worden. Blijkbaar is er een groot aantal theaterbezoekers dat om niet of met hoogstens een vrijkaartje als vergoeding een uitgebreid artikel over een voorstelling wil schrijven. Overigens zal Max Arian op dit moment nog maar matig tevreden zijn over de kwaliteit van deze kritieken. De recensies op deze sites zijn over het algemeen opvallend mild, maar analyse of interpretatie ontbreken geheel.

Op deze sites is niet alleen het schrijven van recensies vrijwilligerswerk, maar ook het begeleiden van de schrijvers, de redactiewerk en het werven van de schamele advertentie-inkomsten. Het is dus nog maar de vraag hoeveel continuïteit deze sites de komende tien jaar kunnen bieden, zolang er geen economisch model is voor geschreven tekst op internet. Aan schrijvers zal internet de komende tien jaar geen gebrek hebben, aan professionele werkomgevingen, redacties en context des te meer.

De bezoekscijfers van deze websites zijn overigens heel aardig, maar staan nog niet in verhouding tot de oplagecijfers van de kranten. De sitebeheerders malen ook niet om marketingplannen en doelgroepanalyses. De nieuwe vormen van theaterkritiek bestaan louter vanwege de behoefte van de schrijvers, en lijken dan ook niet een nieuw lezerspubliek voor theaterbeschouwing aan te boren.

Internet: naast oppervlakkigheid ook verdieping.
Kortom, in de kranten moet het korter, op internet dreigt de oppervlakkigheid. In reactie daarop zoeken schrijvende dramaturgen en theaterwetenschappers ruimte voor afgewogen argumentatie, doorwrochte analyse en onafhankelijke expertise. Een jaar geleden richten drie dramaturgen en een criticus het internet-uitprint-tijdschrift Lucifer op, theaterwetenschappers creëerden met Theater Topics een nieuw tijdschrift voor theaterwetenschap en theaterwerkplaats het Gasthuis startte Volume, een onregelmatig verschijnende blad met artikelen over eigen makers en voorstellingen. Tenslotte werkt Sonja van der Valk op het Theater Instituut Nederland aan een workshoptraject voor jonge cultuurjournalisten, wat jaarlijks een publicatie oplevert.

Met deze diepgravende publicaties, die slechts voor een kleine groep interessant zijn, is ook geen droog brood te verdienen. In een landschap waarin het serieuze theater wordt gedomineerd door subsidie, moet serieuze beschouwing en reflectie ook gesubsidieerd worden. Die situatie geldt nu voor TM, dat ook grotendeels van subsidie afhankelijk is om reflectie te bieden op de podiumkunsten. Er zijn echter zeer weinig fondsen beschikbaar voor publicaties, maar het is zeer wel denkbaar dat daar de komende jaren, mede onder invloed van de ontwikkelingen bij de kranten, verandering in komt.

Beroep van toneelcriticus verdwijnt
Door het teruglopend aantal krantenrecensies, het gebrek aan geld voor schrijvers op internet en het gebrek aan subsidies voor diepgravende theaterbeschouwing zal het beroep van toneelcriticus verdwijnen. Mensen die nog professioneel recensies schrijven doen dat als flexwerkers naast een groot aantal andere activiteiten, soms journalistiek van aard, maar ook binnen het theaterveld, zoals educatie, dramaturgie of publiciteit. Het aantal hobby-recensenten zal het aantal professionele critici ruimschoots overtreffen. Want hoewel de fulltime toneelcriticus zal uitsterven, over tien jaar zal er meer over theater worden geschreven dan ooit tevoren.

De combinatie van gesubsidieerde uitgaven, de nieuwe rol van de pers in het theaterveld, de sterke aanwas aan amateurcritici en het al maar groeiende aantal voorstellingen zal leiden tot een theaterbeschouwing die even divers is als het theateraanbod zelf. In 2016 zijn er voorstellingen die aanleiding geven tot zowel dramaturgische analyses van twaalf pagina’s in gespecialiseerde tijdschriften, als tot twee vernietigende regels op een website; worden festivals gevolgd door honderden webloggers, terwijl de kwaliteitskranten er geen aandacht aan besteden; rapporteert een gesubsidieerd tijdschrift over jonge makers en hun werk bij de productiehuizen; vult een gratis ochtendkrant zijn hele cultuurpagina met advertorials; en is er een website met uitsluitend recensies over uitvoeringen van Shakespeare, een andere site die kinderen zelf laat oordelen over jeugdtheater, en een derde die consequent een muziekfreak en een theaterfan naar operavoorstellingen stuurt en de recensies naast elkaar publiceert. Al die verschillende vormen zijn niet op dezelfde manier te vergelijken als tien recensies uit de huidige dag- en weekbladen. De rubriek ‘Kritiek op kritiek’ zal over tien jaar onmogelijk zijn.

Maar niet alleen onmogelijk, ook overbodig. Internet zal het verbinden van al die ongelijksoortige vormen van reflectie automatiseren. Nu al krijgen krantenrecensies een tweede leven op sites van kranten, individuele recensenten of gezelschappen. Maar als over tien jaar de grote problemen met auteursrechten opgelost zijn, wordt alles nog veel beter. Omdat alle artikelen over theater, van kranten, tijdschriften en websites aan elkaar gekoppeld zijn–bijvoorbeeld via de database van het Theater Instituut- kun je per voorstelling of regisseur niet alleen oordelen, maar ook manieren van kijken en schrijven vergelijken. De lezer –theaterbezoeker of professional- kan dan per voorstelling zelf bepalen welke soort kritiek hem of haar op dat moment het meeste aanstaat. En de zoekmachine die dat mogelijk maakt noemen we dan Max Arian.


Dit artikel verscheen in een aangepaste vorm eerder in het tijdschrift Theatermaker

Al 6 reacties — discussieer mee!