Hoog tijd om de balans op te maken. Belangrijkste conclusie alvast: met het ontslag van manipulerende fotografen is het vertrouwen in de oorlogsjournalistiek niet hersteld. Die moet transparanter, zodat het publiek in staat wordt gesteld te kijken naar andere vormen van journalistieke manipulatie of vooringenomenheid dan de meest in het oog springende.

Eerst de aanleiding. Zaterdag 5 augustus jongstleden plaatste de Amerikaanse blogger Charles Johnson op zijn weblog, de erg populaire site Little Green Footballs, onderstaande Reutersfoto, vergezeld van de simpele vaststelling dat de foto gemanipuleerd is.
fotoshop-beiroet
Nadere bestudering van de foto’s leert niet alleen dat de rookpluimen digitaal zijn uitvergroot, maar ook dat hetzelfde gebouw meerdere keren voorkomt op dezelfde foto. (Een eenvoudige vergelijking met het origineel is te vinden op de weblog van Arjan Dasselaar.) Niet veel later werd bekend dat ook met een tweede foto, eveneens geproduceerd door de Libanese freelance-fotograaf Adnan Hajj, digitaal is gerommeld. Reuters was onmiddelijk overtuigd en besloot alle ruim negenhonderd foto’s van de inmiddels ontslagen Hajj offline te halen voor nadere bestudering.

De discussie die sindsdien is gevoerd heeft verschillende dimensies en invalshoeken. Ten behoeve van helderheid, een puntsgewijze opsomming van de belangrijkste inzichten.

  • De discussie met de kleinste inhoudelijke reikwijdte is die zoals geëntameerd door Reuters zelf. Strekking: nabewerking van foto’s is van alle tijden en volkomen verantwoord – binnen bepaalde grenzen welteverstaan. Kleurstelling verbeteren en vlekjes verwijderen is toegestaan, objecten toevoegen of verwijderen niet. “What we in the news photo community need to regulate is what tools are used for photojournalism and what are not.” Het is een heel technische benadering: fotografen moeten goed weten wat mag en wat niet, en daarmee is de kous af. Henri Beunders komt eergisteren in de Volkskrant (niet online) met vergelijkbare aanbevelingen: “De remedie tegen fotomanipulatie is drastisch maar simpel. Verplicht alle fotografen en cameramensen al het ruwe digitale metamateriaal mee te sturen.”

 

  • Ho ho, niet zo snel. Een belangrijke vraag is: hoe vaak gebeurt dit nu eigenlijk? Zijn dit incidenten, of is journalistieke fototrucage de gewoonste zaak van de wereld? Interessant is alvast de vaststelling van de LA Times dat de gevestigde media die vraag lijken te ontwijken. Want als het vaker voorkomt (gezien de knullige Photoshop-bewerkingen in bovenstaande foto is het niet ondenkbaar dat de beter gelukte trucages nooit worden ontdekt), zouden de journalistieke media zich in alle openheid moeten afvragen wat het probleem precies is, welke oorzaken het heeft en hoe het moet worden opgelost. Saillant detail: het was juist de LA Times die drie jaar geleden al door hetzelfde Little Green Footballs is betrapt op nog veel grovere fotomanipulaties (zie onderstaande foto’s) .

 

  • Helemaal uniek is Hajj in elk geval dus niet in zijn praktijken. Laten we daarom eens nadenken over redenen voor en achtergronden van het verschijnsel. De LA Times noemt een mogelijke financiële drijfveer: dramatisch ogende foto’s verkopen beter. Een gerelateerde reden is volgens deze krant dat dankzij de vermeende anti-Israel-stemming in de niet-Amerikaanse pers er een grote behoefte zou zijn aan schrijnende beelden uit door Israelische militaire acties getroffen gebieden, hetgeen de vraagprijs voor dramatische kiekjes van slachtoffers nog behoorlijk zou kunnen opstuwen. Een andere oorzaak is wellicht dat er nauwelijks Westerse fotografen aanwezig zijn in oorlogsgebieden zoals Irak zuid-Libanon, zoals Beunders in de Volkskrant meldt. Media zijn grotendeels afhankelijk van lokale fotografen, hetgeen twijfels doet rijzen over de professionele standaarden van de journalisten wier foto’s de internationale voorpagina’s sieren. Die twijfels gaan over méér dan enkel het al dan niet oneigenlijk gebruik van de clone-tool in Adobe Photoshop: van de rellen naar aanleiding van de Cartoon-oorlog is bijvoorbeeld bekend dat veel foto’s in scène zijn gezet.

 

  • Dat laatste brengt ons op een ander aspect van dit probleem: nieuwsfotografen zijn geen onzichtbare buitenstaanders. Vaak maken ze zelfs deel uit van de sociale gemeenschappen in welke zij opereren, waardoor ze zonder twijfel sterk emotioneel en ideologisch betrokken bij de gebeurtenissen die zij moeten verslaan. Wanneer je wat minder nadruk legt op het vernislaagje professionaliteit dat de fotograaf scheidt van zijn omgeving, en iets méér nadruk legt op het gegeven dat terroristische organisaties als Hezbollah actief medewerking verlenen aan fotografen zodat ze dramatische foto’s kunnen maken, zoals blijkt uit deze televisiereportage, zou je kunnen zeggen dat het de strijdende partijen en de slachtoffers zijn die vanuit politiek-strategische overwegingen fotomateriaal produceren en aan internationale persagentschappen aanbieden. Wanneer je daarbij bedenkt dat men zich in Israel juist veel terughoudender opstelt wanneer het gaat over het fotograferen van slachtoffers, en dientengevolge met name in Europese kranten disproportioneel meer Libanese dan Israelische slachtoffers worden afgebeeld, wordt duidelijk dat de discussie over manipulatie van journalistieke oorlogsfotografie meer dient te behelzen dan de vraag welke Photoshop-knopjes wel en welke niet geoorloofd zijn.

 

  • Om de discussie daarom nog maar iets breder te trekken: Mark Deuze verbaast Trucage soldaat Irakzich in een prikkelende bijdrage op zijn weblog over de hypocrisie die wordt tentoongespreid in dit debat. Hij stelt – terecht – dat nieuws een geconstrueerde realiteit is: elke foto is gemanipuleerd door de vele keuzes die een fotograaf maakt bij het nemen van een foto, zoals onderwerpkeuze en compositie, waarbij het zelfs gebruikelijk en nastrevenswaardig is om een foto symbolische betekenis mee te geven. We zijn als publiek collectief verontwaardigd als een Amerikaanse militair in werkelijkheid een andere lichaamshouding had dan op een foto is afgebeeld, maar vinden het niet bezwaarlijk dat het origineel feitelijk eveneens (maar vooraf) is gemanipuleerd: de compositie van die foto is opzettelijk en heeft dezelfde, geconstrueerde boodschap als de achteraf gemanipuleerde foto. Is het verschil tussen beide technieken nu werkelijk zo fundamenteel dat het ene volledig geoorloofd is, en het andere volstrekt onverantwoord?

Het antwoord op de laatste vraag is natuurlijk ontkennend. Digitale inhoudelijke manipulatie van nieuwsfoto’s is en blijft terecht verboden, daaraan hoeft niet te worden getwijfeld. Maar de enorme stampij die wordt gemaakt over een paar extra rookpluimpjes maakt pijnlijk duidelijk hoe selectief die verontwaardiging is, en dat het publieke oordeel of een foto ‘echt’ of ‘nep’ is wordt gebaseerd op erg oppervlakkige, en – zo valt aan te voeren – deels onjuiste noties van wanneer een foto ‘objectief genoeg’ is en wanneer niet. Dit kan zelfs schadelijk zijn voor de journalistiek: de huidige crisis biedt Reuters en andere mediaorganisaties gelegenheid de gelederen te sluiten, te bezweren dat de foto’s van Hajj een anomalie waren en dat de objectiviteit weer is gewaarborgd, dankuwel alstublieft. Terwijl er ongetwijfeld nog veel méér fouten worden gemaakt, overigens om soms begrijpelijke redenen, waarvoor echter systemen zouden kunnen worden bedacht om ze tegen te gaan of de schade die zij veroorzaken te verminderen.

Hoe? Wel, wat in elk geval alvast een verbetering zou zijn, zo bepleit bijvoorbeeld ook Henk Blanken, is meer transparantie – zeker voor de oorlogsjournalistiek, waar verslaggeving afhankelijk is van lokale en daarom minder betrouwbare fotografen, embedded verslaggevers die onder de – journalistiek beperkende – bescherming van het leger opereren en strijdende partijen die hun persbeleid volledig afstemmen op hun eigen, vanzelfsprekend sterk gekleurde politieke agenda (waarover vorige week alles te lezen was in een special van de Volkskrant). .

Het gaat dus om meer dan foto’s. Een transparantere werkwijze van freelance-fotografen is een prima idee, maar iets meer openheid en discussie over de totstandkoming van alle andere aspecten van het oorlogsnieuws – en nieuws in het algemeen – is misschien wel een nog beter plan. Meer informatie over journalistieke werkwijzen en redactionele afwegingen kan bijdragen aan een betere afstemming van een controlemechanisme dat zich al heeft bewezen: dat van het publiek dat op internet de gevestigde media nauwlettend in de gaten houdt. Nu komen voornamelijk de overduidelijke manipulaties aan het licht, omdat elke leek ze kan waarnemen om er vervolgens luidkeels schande van te spreken – men is domweg niet getraind om kritisch naar andere journalistieke aspecten te kijken, mede omdat daartoe geen gelegenheid wordt gegeven. Wanneer het gebruikelijker zou worden om het publieke debat te voeden met meer informatie over de omstandigheden waaronder journalistiek wordt bedreven, waarbij redactionele besluitvormingsprocessen inzichtelijk worden gemaakt, krijgt het publiek het gereedschap om de journalistiek ook op andere aspecten te controleren. Maak inzichtelijk welke druk regeringen uitoefenen, vertel wie je fotografen zijn, vermeld wanneer een interview wordt aangeboden, bied volledige transcripties of opnames aan van gehouden interviews. Dat vereist wellicht een cultuuromslag, omdat de journalistiek zich daarbij kwetsbaarder moet opstellen, maar het is voor een goed doel: het verhogen van de betrouwbaarheid en kwaliteit van de journalistiek. Want die is met het ontslag van een knoeiende Photoshop-fotograaf niet zomaar hersteld.

Jaap Stronks

Directeur Bolster

Jaap Stronks is directeur van Bolster, een digitaal bureau gespecialiseerd in de ontwikkeling van digitale platforms voor nonprofits en …
Profiel-pagina
Al 8 reacties — discussieer mee!