Internet en de politiek Met de naderende verkiezingen(http://www.ukomttochook.nl/) in het vooruitzicht doemt de vraag op: hoe worden Informatie- en Communicatietechnologieën (effectief) ingezet door politieke partijen? En: hoe kunnen burgers of lobbygroepen nieuwe media inzetten om de verkiezingen naar hun hand te zetten? Om die vraag te beantwoorden is een vergelijking met de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004 zinvol. Deze nek-aan-nekrace tussen Republikein George W. Bush en Democraat John Kerry kan gezien worden als een omslagpunt met betrekking tot het gebruik van nieuwe media tijdens verkiezingen. Deze, deels digitale, strijd ligt al weer enige tijd achter ons en er heeft de nodige reflectie plaatsgevonden door journalisten, beleidsmakers, campagneleiders, academici en natuurlijk politici. Er is genoeg documentatie te vinden om een vergelijking te maken met de inzet van ICT tijdens de komende vaderlandse verkiezingen.

Verschil
Vooropgesteld, de Amerikaanse politiek verschilt fundamenteel van de Nederlandse. Ten eerste is er natuurlijk het districtenstelsel in combinatie met de dominantie van twee partijen. Republikeinse en Democratische Afgevaardigden kunnen alleen gekozen worden door geregistreerde kiezers in hun thuisstaat. Hoe graag de overige partijen, zoals de Libertarian Party , de Green Party of Constitution Party het ook zouden willen, hun directe politieke invloed is marginaal. Een tweede verschil met Nederland is dat een deel van de senatoren en alle afgevaardigden niet elke vier jaar, maar elke twee jaar, campagne voeren. Critici stellen dat dit systeem ervoor zorgt dat er in feite een continue campagne en geldinzamelingstrijd bezig is.

De hier volgende analyse bestaat uit twee delen. Het eerste deel zal bestaan uit een overzicht van het gebruik van nieuwe media tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004. Een van de voornaamste redenen om de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004 als leidraad te nemen is enerzijds haar enorme omvang. De campagnes in 2004 kostten in totaal 4.2 miljard dollar . Kosten die grotendeels opgegaan zijn aan intense mediacampagnes. Anderzijds laat de campagne van 2004 een interessante verschuiving zien wat betreft de inzet van ICT versus massamedia.
In het tweede deel gaan we in op de vraag of de Nederlandse politieke partijen, bewust of onbewust, de praktijklessen van de Amerikanen overgenomen hebben. De voornaamste vraag voor dit tweede deel is dan ook: Wat gebeurt er nu in Nederland wat betreft het gebruik van nieuwe media(technologieën) kijkende naar de komende Tweede Kamerverkiezingen?

Photoshop for Democracy
Een heldere en overzichtelijke analyse van de rol van nieuwe media tijdens de Amerikaanse verkiezingen van 2004 geeft de Amerikaanse mediawetenschapper en professor aan MIT, Henry Jenkins. In zijn nieuwe boek Convergence Culture – Where Old and New Media Collide wijdt hij een heel hoofdstuk aan de verkiezingsstrijd van 2004. Vast staat dat door het rap veranderende medialandschap niet alleen als vanzelfsprekend het mediagebruik verandert, maar dat ook de relatie tussen populaire cultuur en politieke cultuur geherdefinieerd wordt.

Laat een ding duidelijk zijn: de Amerikaanse verkiezingscampagnes spelen zich nog steeds voornamelijk af via de televisie. De onafhankelijke stichting Center for Responsive Politics (CRP) rekende uit dat er tijdens de tussentijdse Amerikaanse verkiezingen van 7 november maar liefst 2.6 miljard dollar uitgegeven gaat worden aan campagnes. En het grootste gedeelte van dit geld gaat nog steeds naar dure televisiereclames. Hoewel televisie oppermachtig is, waren de verkiezingen van 2004 ook een overgangsperiode, stelt Jenkins. Er heeft een enorme diversificatie van communicatiekanalen plaatsgevonden en via deze verschillende kanalen zijn steeds meer politieke boodschappen te consumeren. De (toekomstige) ‘digitale democratie’ zal dan ook een gedecentraliseerd karakter hebben; onevenredig verspreid over de bevolking en het zal nog even duren voor deze democratie werkelijkheid wordt. De ware kracht en toepasbaarheid van ICT zal in 2008 of misschien pas in 2012 merkbaar zijn. En niemand kan met enige stelligheid zeggen hoe dit proces zich zal voltrekken.

Publieke opinie
Nieuwe media werden in 2004 ingezet om oude doelen van politieke partijen op een nieuwe manier te verwezenlijken. Het belangrijkste doel, en dat geldt ook voor de Nederlandse context, is het op enige manier beïnvloeden van de publieke opinie. Een veelgebruikte strategie in de Amerikaanse strijd is het zwart maken van de tegenstander. ‘For better or worse, negative campaigning works’, stelt CompleteCampaigns.com dan ook, een bedrijf dat software verkoopt om verkiezingscampagnes gesmeerder te laten verlopen.
Daarnaast worden nieuwe media gebruikt om stemmers (op te roepen zich) te registreren, iets wat in Nederland niet nodig is. En tenslotte worden sociale netwerken gebouwd met als doel de achterban te mobiliseren en hun collectieve kracht effectief in te zetten.

De politiek van de convergentie
Zoals gezegd is het absoluut niet het geval dat de ICT het overnemen en ‘oude’ media overbodig maken. Nieuwe media zijn eerder complementair aan massamedia. Jenkins stelt dat het uitzenden op radio en tv zorgt voor een gemeenschappelijke deler. Het web aan de andere kant zorgt voor meer gelokaliseerde kanalen om een antwoord te geven op die gemeenschappelijke cultuur. Of anders gezegd, ICT aggregeren en mobiliseren terwijl massamedia publiceren. Zo werd er in 2004 geld ingezameld via het web en met dit geld werden tv-spotjes gekocht.

Wie al vroeg tijdens de campagne, nog voordat er een Democratische kandidaat gekozen was, doorhad wat de mogelijke kracht van nieuwe media zou kunnen zijn, was Joe Trippi. Hij schreef een boek over zijn ervaringen, met de veelzeggende titel: The Revolution Will Not Be Televised: Democracy, the Internet, and the Overthrow of Everything. Zijn introductiehoofdstuk staat in zijn geheel online en is het lezen waard.

In 2003 begon Trippi met zeven man personeel, honderdduizend dollar en slechts 132 sympathisanten de “Dean for America campaign”, bedoeld om Howard Dean de democratische presidentskandidaat te maken. Trippi zegt in zijn boek altijd al gefascineerd te zijn geweest door zowel politiek en technologie. Het resultaat was er naar. Na een paar maanden grotendeels virtueel campagne voeren waren er:

“(…) 600,000 firedup supporters, not just a bunch of chicken-dinner donors, but activists, believers, people who have never been politically involved before and who are now living and breathing this campaign. Through them, we have tapped into a whole new vein of democracy and proven the Internet as a vibrant political tool.”

Jenkins noemt een aantal zaken die Trippi’s campagne zo succesvol maakten. Vooral email en het web werden succesvol ingezet om mensen samen te brengen, bijvoorbeeld via de social network website meetup.com . Om niet meer afhankelijk te zijn van corporate sponsors werd er geld ingezameld door sympathisanten door met name kleine bijdrages te vragen. Trippi:

“The truth of this campaign, the “tell all,” the juicy behind-the-scenes details are these: a woman who sold her bike for democracy and inspired hundreds, maybe thousands of people to do the same; a man who raised $400,000 in one week by himself by doing nothing more than sending out an e-mail; an eighty-nine-year-old man who said that he thought he was done living until the Dean campaign re-engaged his life with meaning and civic purpose.”

Het voorbeeld van Trippi laat zien hoe het web succesvol ingezet kan worden om oude doelen niet alleen effectiever te bereiken, maar ook op een manier die veel meer democratisch potentieel heeft. In het geval van de Dean-campagne is het ontsnappen aan het door grote bedrijven laten financieren van campagnes hier een goed voorbeeld van.

Populaire politieke cultuur
Naast de mogelijkheden die email en het web bieden om mensen samen te brengen, leggen zowel Jenkins als Trippi de nadruk op het samenkomen van politiek en populaire cultuur. Trippi wijst naar de rol van televisie die het voeren van verkiezingscampagnes voor altijd veranderd heeft. Tussen de reclames voor wasmiddelen en fastfood door, kwamen politici met hun boodschap, legt hij uit in zijn boek. De (Amerikaanse) verkiezingen zijn verworden tot een show, een van de vele memorabele televisiemomenten. Om tussen het geweld van de zwaar met elkaar concurrerende nieuwszenders op te vallen gebruiken politici en campagneleiders dan ook steeds meer strategieën uit de populaire cultuur om hun boodschap te verspreiden. Denk hierbij aan de (verpakking van de) verkiezingsboodschap zelf maar ook hoe deze verspreid wordt. Strak geregisseerde campagnespots worden verspreid door virale campagnes.

Aan de andere kant stellen genetwerkte PC’s burgers in staat om aan de haal te gaan met de eindeloze stroom audiovisueel materiaal dat aangeboden wordt door websites, televisie, blogs en kranten. Ironisch genoeg was het Howard Dean zelf die al snel ondervond wat er kon gebeuren als je onderdeel wordt van een ongeleide bottom-up campagne. Tijdens een van de vele bijeenkomsten in Iowa maakte Dean de ‘fout’ door in zijn enthousiasme een rare schreeuw te maken, de ‘Dean Scream’ . Televisieshows liepen ermee weg en bleven de clip eindeloos herhalen. De ‘onbedwongen emoties’ van Dean zouden hem niet presidentwaardig maken. Binnen enkele dagen zakte Dean weg in de peilingen en was het aan John Kerry om verder te gaan. Maar ook bloggers en andere creatievelingen gingen ermee aan de slag. Er verschenen filmpjes, gephotoshopte afbeeldingen en parodieën van popnummers met de Dean Scream erin verwerkt.

Als bijna vanzelfsprekend roken de tegenstanders bloed. En zelfs een jaar later lopen de Republikeinen ermee weg, Dean is immers nog steeds politiek actief. Zo was er 30 juli 2005 een heuse “Deanaoke” waar ‘celebrity judges’ een oordeel zullen vellen over de beste Dean Scream. Geheel in de stijl van negative campaigning zullen de juryleden letten op: ‘lack of poise and appearance’, ‘loudness’ en ‘quality of insane angry ranting’.

Een belangrijke verzameling groepen die hun stempel op de Amerikaanse presidentverkiezingen hebben gedrukt zijn ‘onafhankelijke’ politieke organisaties, de zogenaamde 501’s en 527’s. Deze groepen kunnen door een gat in de Amerikaanse wet met een grote mate van autonomie opereren. En ook zij maken gebruik, naast het samenbrengen van mensen en het inzamelen van geld, van de grassroots activiteiten van gewone burgers. Zo waren er de Swift Boat Veterans for Truth die met televisiespotjes John Kerry aanvielen op zijn Vietnamverleden. Aan de linkerkant van het Amerikaanse politieke spectrum is er Moveon.org . Eind 2003 startte ze de “Bush in 30 seconds” campagne, een goed voorbeeld om burgers op een creatieve manier bij de politiek te betrekken. Aanhangers werden gevraagd om een dertig seconden durend zelfgemaakt filmpje in te sturen dat het falen van het Bush-beleid in beeld bracht.

De ingezonden filmpjes werden op de website geplaatst en werden ook hier door ‘celebrity judges’ zoals Michael Moore en Gus van Sant beoordeeld. Tussen de inzendingen zitten enkele parels en de mogelijkheid om vrienden en familie een email met de link naar het filmpje te sturen zorgde voor een enorme virale campagne waar marketingbureaus jaloers op kunnen zijn. Uiteindelijk won het ingetogen spotje Child’s Pay . Het doel was om tijdens hèt TV-moment van het jaar, de Amerikaanse Super Bowl , het spotje uit te zenden. Via de website werd hiervoor het benodigde geld ingezameld. Uiteindelijk ging het feest niet door, maar de aandacht die dat vervolgens weer kreeg zorgde ervoor dat miljoenen Amerikanen alsnog het filmpje zagen.

Op naar 22 november
De Amerikaanse campagne van 2004 laat zien hoe het web effectief ingezet kan worden. Om geld in te zamelen, om bijeenkomsten te plannen, maar ook om via bestaande communities campagne te voeren. De collectieve intelligentie kan goed van pas komen bij de campagnes. Het team achter de Bush in 30 seconds campagne koos bewust voor clips gemaakt door kiezers.
Hierboven hebben we slechts een klein tipje van de sluier gelicht. Wat te denken van de eerste echt politieke campagne game, de Dean for America game . Ook belicht deze analyse bewust de Amerikaanse politiek. Lees voor een informatieve analyse van de Franse kant van het verhaal dan ook vooral de bijdrages van Niek Pas.

Jenkins noemt het ‘de politiek van convergentie’: convergerende media alsook de participatory culture die een steeds lagere toegangsdrempel hebben door nieuwe mediatechnologieën, zorgen voor een politiek klimaat waarin tactieken en rituelen uit de populaire cultuur even belangrijke gereedschappen zijn als een heldere boodschap of een ‘lekker koppie’. Korte geinige videoclips, ‘gefotofuckte‘ afbeeldingen, humoristische websites en webcamsessies worden op steeds grotere schaal door zowel politici als burgers ingezet om het campagneproces te beïnvloeden. De Nederlandse verkiezingen staan nog maar aan het begin van een politiek tijdperk dat deze politieke convergentie ten volle benut.

Aan dit artikel werkte freelance-journaliste Jet Mok mee.

Al 2 reacties — discussieer mee!