Gisteren, donderdag 25 januari, verscheen het eerste Jaarboek van De Nieuwe Reporter (op deze site als pdf te downloaden). Bijgaand het tweede hoofdstuk. Over de media-ecologie.

Op 11 september 2001 was journalist en bladenmaker Jeff Jarvis – hij richtte ooit het Amerikaanse showbizztijdschrift Entertainment Weekly op – in het World Trade Center. Onmiddellijk begon hij als journalist verslag te doen van de gebeurtenissen. “Maar ik merkte dat ik lang niet al mijn ervaringen kwijt kon in de reguliere nieuwsbulletins.” En zo begon Jarvis een weblog.
Dat, zo zegt hij vijf jaar later in een interview met De Nieuwe Reporter, bracht hem een revolutionair nieuw inzicht in de manier waarop het internet werkt. “Ik schreef iets op mijn weblog en andere webloggers linkten naar mijn verhalen.” De weblogs van onbekenden leidden zo vele bezoekers naar zijn site. En andersom: debatten die hij op zijn weblog begon, werden overgenomen door andere loggers. “De discussie werd niet gevoerd op een centrale plek, zoals op de opiniepagina van de krant, maar op allerlei verschillende plekken op internet.”
Ziehier een voorbeeld van een van de belangrijkste ontwikkelingen in de digitale media: de overgang van een medialandschap naar een media-ecosysteem. De term werd op De Nieuwe Reporter geïntroduceerd door de Amerikaanse mediaonderzoeker Chris Willis.
Een medialandschap is relatief statisch en gesloten: een kleine groep ‘zenders’ produceert ‘boodschappen’, bundelt deze en verspreidt die naar de ‘ontvangers’. Het aantal zenders is daarbij beperkt en daarmee treden zij ook op als ‘poortwachter’. Het is het decennia oude model van de krant of de televisie.
Een media-ecosysteem daarentegen is een open landschap. Het publiek – of zoals mediawetenschapper Jay Rosen zegt: the people formerly known as the audience – produceert met behulp van goedkope technologie als digitale camera’s of weblogs ook zelf ‘boodschappen’, variërend van kiekjes van de hond en dagboekbeschrijvingen tot specialistische vakinformatie. Tegelijkertijd is er ook sprake van een democratisering van de distributie. Een pc of mobiele telefoon die verbonden is met het web kan bijvoorbeeld vrij makkelijk op grote schaal zelfgemaakte foto’s verspreiden. Al die amateur-content – in populaire buzzwords ook wel user generated content of consumer generated media – maakt deel uit van hetzelfde netwerk waarin ook de websites van kranten, televisiezenders en radiostations een plek hebben. Jarvis’ privé-dagboek over 11 september – en dat van honderden anderen – is slechts een klik verwijderd van zijn professionele verslagen. Vraag en aanbod, zo constateert David Nieborg, worden in dat ecosysteem vervolgens “aan elkaar gekoppeld door ‘filters’, zoals Google, blogs en de bestsellerlijsten van Amazon”.
Twee ontwikkelingen zijn hierbij van belang. Een: de artikelen of videobestanden van traditionele media en amateurs zijn geen eindproduct, maar eerder een halffabrikaat. Ze worden – net als Jarvis verslagen – becommentarieerd op weblogs, aangeraden via social software, gekopieerd via e-mail of aangevoerd als bewijs in uiteenlopende discussies, van politieke fora tot sites van samenzweringstheoretici.
Twee: die bewerkingen beïnvloeden vervolgens het uiterlijk van het ecosysteem. Wordt er bijvoorbeeld veel verwezen naar een weblog- of krantenartikel? Dan volgt een hogere ‘pagerank’ bij filters als Google of Technorati – en dus betere zichtbaarheid in het ecosysteem. Mede door al die verwijzingen van andere bloggers groeide Jarvis’ site Buzzmachine uit tot een van de bekendste Amerikaanse weblogs.

Dit artikel gaat over deze opkomende media-ecologie. Traditionele media spelen daarbij een centrale rol. Nog altijd zijn zij de belangrijkste leveranciers van journalistieke content. Maar zij weten zich omringd door tal van nieuwe partijen: webloggers, zoekmachines, newsportals, communitysites, social networks. Deze sites nemen een aantal functies over van de traditionele media. Ze zullen enerzijds een bron vormen voor lokaal nieuws of gespecialiseerd vaknieuws. Anderzijds vormen ze ook een extensie van de bestaande nieuwsmedia: discussies die in kranten beginnen, worden voortgezet op internet. Sommige blogs zullen ook uitgroeien tot een ‘waakhond voor de journalistiek’: bloggers zullen lezers wijzen op fouten en onjuistheden. En tot slot zullen weblogs, zoekmachines en social networks ook een rol spelen bij het verspreiden van nieuws. Surfers zullen elkaar op interessante stukken wijzen.
Hier willen we stilstaan bij een aantal ontwikkelingen die met de opkomst van zo’n media-ecosysteem te maken hebben. In de eerste plaats gaat het over het type content – de flora en fauna – van het ecosysteem. Daarna komt de rol van een aantal nieuwe spelers die het ecoysteem ordenen en filteren ter sprake – is er sprake van een evolutie van nieuwe soorten? Tot slot komt de vraag aan bod hoe mediaorganisaties – zowel traditionele als nieuwe – op deze ontwikkelingen in kunnen spelen.

Flora en Fauna: user generated content en professionele journalistiek.

Het mediaanbod neemt dus toe. Die groei zit hem vooral in online dagboeken, kiekjesalbums, chatsites en social sites als Hyves en MySpace. Maar ook in nichesites voor gespecialiseerde publieken. Ook beginnen partijen die als nieuwsbron in de media optreden zelf te publiceren: politici houden weblogs bij, bedrijven brengen hun eigen tijdschriften uit.
Wat cijfers: Volgens het TNO-rapport Reclame 2.0 telt MSN Spaces – een weblogservice – in Nederland inmiddels 1,5 miljoen actieve gebruikers. Muziekzender TMF telde 400.000 leden die chatten, filmbesprekingen schrijven of weblogs maken in de TMF-omgeving. Bijna de helft van de pageviews op de site wordt inmiddels gegenereerd door bezoek aan door bezoekers geproduceerde content. De Nederlandse Wikipedia, zo berichtte Theo van Stegeren, telt inmiddels vijfduizend vrijwilligers die regelmatig een bijdrage leveren aan de online encyclopedie. Zo’n zestig procent van de Nederlanders, becijferde Ruigrok / Netpanel in juli 2006, maakt deel uit van een social network, variërend van Schoolbank tot Hyves en MySpace.

In de VS, zo blijkt uit cijfers van onderzoeksinstituut Pew, is 35 procent van de online-Amerikanen in de weer geweest met eigen content. Onder tieners is dat 57 procent.
“De deelnamecijfers aan Schoolbank, MSN, Hyves, Flickr, TMF etc. laten zien dat we naar een massale share culture op weg zijn”, concludeert Van Stegeren, “Of het daarbij voor 95 procent om amusement zal blijven draaien of ook om een grootschalige uitwisseling van serieuze en journalistieke informatie hangt nog, om het zacht te zeggen.”
Vooralsnog kunnen we stellen dat het overgrote deel van dit aanbod volgens de traditionele definities niet journalistiek te noemen is. Waarom we hier dan toch zo nadrukkelijk bespreken? In de eerste plaats omdat deze media vooral wat tijdsbesteding betreft concurrentie voor traditionele media vormen. Reden voor de Amerikaanse superinvesteerder Warren Buffett om zich kritisch uit te laten over de financiële toekomst van mediabedrijven. “Mensen zullen altijd vermaakt en geïnformeerd willen worden”, zei hij, “maar ze bezitten slechts twee ogen en er zitten maar 24 uur in een dag. Vijftig of zestig jaar geleden bestonden de media voor de meeste mensen uit de plaatselijke bioscoop, radio en de lokale krant. Nu hebben mensen een veelvoud aan manieren om sneller (zij het niet noodzakelijkerwijs beter) geïnformeerd te worden en hebben ze ook meer entertainmentopties. Maar niemand heeft een manier bedacht om de tijd die mensen aan het volgen van entertainment besteden, verder te laten toenemen.”
De tweede reden is dat in dit ecosysteem nieuwe manieren van informatie-uitwisseling ontstaan, die wellicht niet voldoen aan klassieke definities van journalistiek, maar door het publiek wel degelijk worden gebruikt om zich te informeren en een mening te vormen. Denk aan politici die campagne voeren in Hyves en zich door Hyvers laten interviewen. Bridgebloggers die weblogs uit het Chinees naar het Engels vertalen, zodat ze een alternatief bieden voor de buitenlandberichtgeving in kranten. Filmpjes op YouTube, weblogverslagen van het dagelijkse leven, consumentenpanels, reviewsites, discussiefora, allemaal maken ze deel uit van het media-ecosysteem.
De derde – en hier belangrijkste – reden waarom deze nieuwe netwerken van onder meer bloggers en chatters van belang zijn, is wat we de ‘convergentie van informatie en communicatie’ zouden kunnen noemen. Veel user generated content bouwt voort op eerder geproduceerde artikelen van kranten of televisiestations. Webloggers becommentariëren en raden artikelen in kranten of tijdschriften aan. In Hyves leggen Hyvers links naar filmpjes bij Uitzendinggemist.nl of YouTube. The Economist telde in het voorjaar van 2006 zo’n 55.000 links van verschillende weblogs naar artikelen in The New York Times en nog eens 40.000 naar de Washington Post. In Nederland maakte Paul Molenaar tijdens de conferentie Blognomics de balans op. Bij de weblogs van Web-log.nl werd op dat moment ruim een half miljoen keer verwezen naar nieuwsberichten van Nu.nl. Er waren 116.000 links naar Fok.nl, een kleine 60.000 naar GeenStijl. De traditionele media deden het minder goed. Er waren slechts 839 links naar de Volkskrant en 512 naar Elsevier. Beter verging het De Telegraaf (144.000 links en het AD 19.400). Al deze netwerken zijn dus een alternatieve distributie gaan vormen voor de bestaande media.

Evolutie in het ecosysteem: de opkomst van filters.

Daarmee komen we bij het tweede belangrijke thema: het toenemende belang van de rol van filters in het media-ecosysteem. Het is natuurlijk leuk en aardig, die enorme toename van het aanbod in het media-ecosysteem, maar hoe vind je als lezer daar je weg? Filtersites, computeralgoritmes, zoekmachines en sociale netwerken kunnen daarbij helpen.
Lezers van de digitale krant beginnen lang niet altijd bij de voorpagina/homepage van de krant. Ze komen er via weblogs, social networks, zoekmachines of andere metasites die orde aanbrengen in dat almaar uitdijende medialandschap. Het afgelopen jaar is zelfs een groot aantal diensten gelanceerd met als expliciet doel om met behulp van sociale netwerken of algoritmes artikelen aan lezers aan te raden. Op sites als Newsvine, Del.icio.us, Netvibes, Digg of Ekudos kan de lezer artikelen die elders op internet staan beoordelen en aanraden aan andere lezers. Bij Google News maken computeralgoritmes een analyse van het nieuwsaanbod.
News 2.0 wordt deze trend wel genoemd. Gatekeeping – het proces waarin journalisten bepalen welk nieuws ‘fit to print is’, betoogt Matthijs van den Broek, wordt gatewatching – een proces waarin journalisten en lezers linkverzamelingen aanleggen rond een bepaald onderwerp. Populair werd het afgelopen jaar ook een onderdeel van Andersons long tail-theorie: computeralgoritmes zullen het lees- en kijkgedrag van consumenten analyseren en hen – ‘lezers van dit boek lazen ook’ of ‘jouw vrienden vonden deze muziek goed’ – op basis daarvan nieuwe boeken, films of cd’s aanraden, afgestemd op hun smaak.
Op de conferentie Les Blogs noemde Yann Motte van Yahoo Europa dit de overgang van een aristocratie naar een democratie. De aristocraten waren de webmasters en de journalisten die wel even bepaalden welke site of welk nieuws het belangrijkst zijn en een mooie plaats bovenaan verdienen. Social sites, News 2.0-diensten, zouden een democratiserende werking hebben: boeken, artikelen of films met een klein publiek zouden hun weg beter vinden naar dat publiek.

Artikel 1
Hoe lezers journalistieke filters worden. “Het selecteren van nieuws is niet meer louter voorbehouden aan journalisten. Op het web althans niet. Een nieuwe generatie websites ziet het levenslicht, sites waar de gebruikers annex lezers zelf suggereren wat mogelijk interessant is voor mede-lezers.”

De nieuwste trend zijn de digital lifestyle aggregators: sites waar gebruikers hun eigen startpagina kunnen maken. Daar kunnen ze de rss-feeds van hun favoriete bronnen opnemen, evenals weerberichten, hun elektronische agenda, e-mail en allerlei andere informatiebronnen. Het hele medialandschap wordt zo een grote database en deze sites hopen de voornaamste filter te worden. Het zijn niet de kleinste spelers die hierop gokken. Microsoft lanceerde haar Live.com dienst, en Google en Yahoo ontwikkelen soortgelijke diensten.
Toch is een woord van waarschuwing hier op zijn plaats. Veel van deze diensten zijn omgeven met veel hype. Ze worden gefinancierd door Amerikaanse risico-investeerders die ze met flinke winst hopen te verkopen aan grote spelers als Google, danwel een flinke klapper te maken op de aandelenbeurs. Of dergelijke sites ook echt succesvol zijn is nog onduidelijk. Volgens Ruigrok / Netpanel maakt 19 procent van de Nederlandse internetters gebruik van rss-feeds. Volgens Duits onderzoek is het gebruik van social sites als Del.icio.us en zelfs MySpace of YouTube nog onmeetbaar klein. Volgens sommigen zijn deze diensten vooral speeltjes voor nerds. Anderen zien daarin een voorbode voor wat ons te wachten staat. Als de technologie eenvoudiger wordt – doordat zij bijvoorbeeld op gebruiksvriendelijke manier wordt geïntegreerd in de nieuwe Windows-versie – zal het vanzelf een tweede natuur worden.

Artikel 2
Ontwikkelt Web 2.0/sociale software zich ook bij ons tot (serieus) massamedium? “Een tijd werd gezegd dat Web 2.0 een hype-achtig bedenksel is van durfkapitalisten en congresorganisatoren. Klopt dat nog steeds? En heeft Web 2.0 journalistieke potentie?”

Ecologie: de wisselwerking tussen journalistieke organisaties, filtersites en het publiek.
In een ecosysteem, zo redeneerde de Amerikaanse mediaonderzoeker Chris Willis, heeft geen enkel onderdeel de controle over het geheel. “Dat is een belangrijk idee. Mediaorganisaties zijn gewend dat ze de volledige controle hebben over het medialandschap. Maar dat is niet meer zo.” Maar kunnen mediaorganisaties desondanks inspelen op deze ontwikkelingen? Zijn er wetmatigheden in deze ecologie? Hoe verloopt de interactie tussen spelers? Wat is een goede overlevingsstrategie? Wanneer is er sprake van symbiose en wanneer moeten we van parasieten spreken?
De meningen daarover lopen uiteen. Sommigen raden aan om het ecosysteem te omarmen. Zo ontstond er een discussie op De Nieuwe Reporter naar aanleiding van een artikel in The Economist met de titel ‘It’s the links, stupid!’, met de volgende conclusie: leuk, een eigen website, maar dan begint het pas. Zorg dat je verhalen, artikelen, interviews op zoveel mogelijk plaatsen te vinden zijn. Breek je databases open en laat gebruikers het woord voor je verspreiden. Publiceer je nieuws niet alleen op je eigen website maar maak het zo veel mogelijk weblogbaar, googlebaar, enzovoorts. In de woorden van Simon Waldman (de director van Guardian Unlimited), vorig jaar op een conferentie voor krantenuitgevers: “It’s not good enough to merely be on the Web; you need to be part of the Web”.
Een soortgelijk advies gaf ook Jeff Jarvis. Als voorbeeld verwees Jarvis in een DNR-podcast naar een interview dat het CNN-programma Crossfire hield met presentator en komiek Jon Stewart. Stewart draaide in die uitzending de rollen om: normaal leggen de interviewers van CNN het vuur aan de schenen van hun gasten, maar nu schreeuwde hij tegen hen. De volgende dag plaatsten kijkers dat fragment op netwerken als Ifilm en Bittorrent. “Op CNN, het grote CNN, hadden er 150 duizend mensen naar gekeken. Op Ifilm werd het clipje 3,5 miljoen keer gedownload.” Een gemiste kans voor CNN. “Als ze enig inzicht hadden gehad, dan zouden ze die opname zelf online hebben gezet met een commercial ervoor. […] Maar nee, ze zeiden: we hebben het al uitgezonden, het is voorbij. Als je onderdeel wilt worden van de conversatie, dan moet je zorgen dat je stuff out there is.” Je moet, concludeert Jarvis, de controle over je product deels opgeven. Het een plek geven in het ecosysteem en dan maar zien wat ermee gebeurt.
In Nederland is Erwin Blom, hoofd digitaal van de VPRO, dezelfde mening toegedaan. “Je moet zijn waar het publiek is.” Hij stelt een tweesporenbeleid voor. Aan de ene kant werk je aan je eigen merk. De VPRO doet dat met herkenbare sites als Cinema.nl en muziekstation 3voor12. “Maar als je publiek uithangt bij YouTube, of Google Video, dan moet je daar ook zijn.” De VPRO overweegt nu om een deel van haar content aan te bieden via deze videodiensten. De kunst is dan om te zorgen dat er ook wordt terugverwezen. “Dat als ze ons bij Google Video vinden, dat het terugverwijst, dat ze denken hey, dat is leuk dat ze dan bij ons weer terechtkomen.”
Reuters lijkt deze gedachte ook te omarmen. In 2006 opende het persbureau een filiaal in de populaire online wereld Second Life. Spelers van het spel kunnen daar terecht voor nieuws uit de echte wereld.
Maar hoever moet je daar precies in gaan? Moet 2 Vandaag haar reportages ook posten op YouTube? Het Journaal uitzendingen vertonen in Second Life? Moet iedere uitgever zijn hele archief zomaar openzetten voor Google? Die vraag dook het afgelopen jaar onder meer op in de discussie rond Google News. Die site indexeert berichten van kranten, tijdschriften, weblogs en andere nieuwsbronnen. Is dat gratis reclame voor een krant, een symbiotische relatie waar beide partijen van profiteren? Of is Google News een parasiet? En maakt het bedrijf mooie sier en hoge winsten met de producten die door anderen betaald zijn? Waalse kranten vonden het laatste en spanden een rechtszaak aan tegen Google News. Die werd gewonnen, waardoor verwijzingen naar Waalse (en ook Vlaamse) kranten ontbreken.
“Uiteindelijk”, zo analyseert Henk Blanken, “vindt Copiepresse, de belangenbehartiger van de Franstalige pers in België, het gewoon unfair dat Google zoveel miljoenen verdient met advertenties terwijl de oude media steeds meer inkomsten kwijtraken. En dat geldt wereldwijd ook voor uitgevers die nog niet naar de rechter zijn gestapt.”
Amerikaanse kranten hebben als reactie op Google News inmiddels de handen ineengeslagen. Zij verwijzen nu op hun websites ook door naar websites van concurrerende kranten die over hetzelfde onderwerp schrijven. “Zo worden wij zelf een zoekmachine”, zei Kelly Dyer Fry, werkzaam bij de uitgeverij die de krant The Oklahoman uitgeeft, tegen een Amerikaanse krant. “Het is alsof we dertigduizend journalisten in dienst hebben genomen. We kunnen de lezer nu een verslag aanbieden én een overzicht van wat de rest van de wereld hierover te zeggen heeft. Mensen willen niet maar één verslag lezen.”

Artikel 3
Google News zorgt voor ophef. “Dat was toch een discussie die zes jaar geleden werd gevoerd: of dieplinken naar een artikel nu inbreuk maakt op het copyright of juist een zeer welkome manier is om meer bezoekers te genereren?”

Het onderzoeksbureau Jupiter raadt mediabedrijven dan ook aan om in de media-ecologie van het internet een ‘story-centric approach’ aan te nemen, zo berichtte The Economist. Uitgevers moeten ervan uit gaan dat lezers niet op de voorpagina beginnen, maar midden in de site terechtkomen. “Dat betekent een grote verschuiving. Uitgevers moeten niet hun hele site als hun belangrijkste product uitventen, maar de losse artikelen.”
Daar zijn niet alle spelers in de traditionele media het mee eens. In een artikel waarin zij hun visie op de toekomst van de krant uiteenzetten, hielden Hans Wansink en Warna Oosterbaan een pleidooi voor een gespecialiseerde krant die zich toelegt op politiek, economie en cultuur.
“Compacte kranten zouden in het gefragmentariseerde media-aanbod weer een baken kunnen worden. Ze zouden het publieke domein kunnen heroveren, het terrein dat nu uiteen dreigt te vallen in niches voor doelgroepen en subculturen.” De krant behoudt in deze optiek een centrale rol als informatiemakelaar. De lezer kan weblogs, zoekmachines, en social networks overslaan, in zijn krant vindt hij alles wat hij moet weten overzichtelijk bij elkaar. “Idealiter krijg je dan kranten die alles bevatten wat een burger moet weten en die zo compact zijn dat de kans dat ze gelezen worden ook toeneemt.”
Een tussenpositie wordt ingenomen door Henk Blanken. “Kranten moeten het in een wereld van onbeperkte keuze uit het nieuws steeds minder hebben van de verpakking, de verzameling, het pakhuis, en meer en meer van context.” Wat niet wil zeggen dat ze zich enkel op het verkopen van losse artikelen zouden moeten concentreren. Juist journalistieke organisaties zouden er volgens Blanken goed aan doen om bij nieuwsgebeurtenissen de context van zo’n gebeurtenis in beeld te brengen. “Journalisten moeten niet meer vinden wat al vindbaar is, niet meer oplepelen wat al overvloedig uitgestald wordt. Journalisten moeten relaties leggen, verbanden aanbrengen in gefragmenteerde informatiestromen, ze moeten telkens wisselende collecties van gegevens maken die betekenisvol zijn.”

Artikel 4
De koploze staart van het nieuws. “De waarde van de krant zit ‘m, net als bij naslagwerken, gidsen en catalogi, in de losse artikelen, in de staart en steeds minder in de hits, in het nieuws dat iedereen wil weten en nog niet weet.”

Ook Geert-Jan Bogaerts, chef internet van de Volkskrant ziet een belangrijke rol weggelegd voor de traditionele pers in het media-ecosysteem. De consument, zo schrijft hij in een reactie op een DNR-artikel op zijn eigen weblog, zit er ook helemaal niet op te wachten om voortdurend keuzes te maken. “Er wordt de laatste tijd veel gedacht en geschreven over de keuzemoeheid die de moderne consument teistert: hij wordt continu geacht een bewuste en rationele keuze te maken voor zijn energieleverancier, zijn ziektekostenverzekering en zijn telecom-provider. Hij heeft helemaal geen zin om altijd te moeten kiezen. Af en toe wil hij gewoon onderuit zakken en het nieuws uitgeserveerd krijgen door zijn favoriete journaal of krant.”

Artikel 5
News 2.0 nog grotere hype dan Web 2.0. “De grap is dat die systemen gevuld moeten worden. En waar worden ze mee gevuld? Juist, met de berichten die voor het overgrote deel van nieuwssites worden geplukt. En wie bepaalt de inhoud van die nieuwssites? Dat doen professionele journalisten.”

Op de achtergrond sluimert hier een dubbele richtingenstrijd. Enerzijds is er de vraag wie er het beste gekwalificeerd is om zo’n selectie te maken: de professionele journalist of het collectief van gewone burgers? De tweede discussie gaat niet zozeer over kwalificaties, maar over gebruiksgemak. Aan de ene kant is er het idee dat de mediaconsument ‘lui’ is en zich graag een selectie voor laat schotelen door professionele journalisten. Daartegenover staat het idee dat in de media-ecologie de consument de volledige controle naar zich toe wil trekken: hij wil actief selecteren wat hij wanneer wil consumeren.
Onderzoeken en ervaringen wijzen uit dat wat betreft die tweede discussie beide trends naast elkaar bestaan. Wouter Maagdenberg van LinkinMedia en StartYourStation vertelde op een discussieavond in Amsterdam hoe de online kanalen van zijn mediabedrijf worden gebruikt. “Soms zijn mensen actief op zoek naar informatie. Maar soms zijn ze ook lui en willen ze achteroverleunen op de bank. We merken het op de website van Raceworld.tv. Mensen kunnen daar kijken naar een stream van een programma. Maar ze kunnen ook on demand content uit het archief opvragen. Wat blijkt uit onze statistieken? De meeste mensen kijken gewoon wat er op dat moment wordt uitgezonden. Het is soms lekker niet te hoeven kiezen.”
Een onderzoeksrapport van IBM liet een soortgelijke tweedeling zien. In het rapport The end of TV as we know it schetsen de onderzoekers hoe er in 2012 twee soorten consumenten zullen zijn: De ‘massive passives’ en de ‘leading-edge users’. De eerste groep is de klassieke televisiekijker die de afgelopen halve eeuw ook al voor de buis zat, de tweede groep is de actieve, mobiele, ongebonden consument, die zijn mediamix personaliseert. IBM raadt marketingstrategen aan in te spelen op het ontstaan van deze twee typen gebruikers door te segmenteren, innoveren, experimenteren, mobiliseren, openheid te creëren en te reorganiseren.
Volgens DNR-auteur Jaap Stronks hoeven beide ontwikkelingen elkaar niet uit te sluiten: “Het is misleidend om een analytisch onderscheid te maken tussen kranten die het nieuws op een presenteerblaadje aanleveren en de social software waar de burger zelf alle keuzes zou moeten maken. Want het volgende is heel belangrijk: juist voor een handzaam overzicht van het laatste technologienieuws moet de passieve, luie gebruiker naar Digg.com! Waarom staat daar in een paar koppen het belangrijkste nieuws? Omdat er een actieve voorhoede het meeste werk doet, een kritische massa van betrokken bezoekers die gezamenlijk bepalen wat het belangrijkste nieuws is.”
Daar sluit ook Henk Blanken zich bij aan: “De niet onbelangrijke les van de muziekindustrie en Amazon is dat we die verbanden niet allemaal zelf hoeven te leggen. Onze lezers kunnen daarbij helpen door middel van tagging en andere aanbevelings- en reputatiesystemen. Dat er grenzen zitten aan die wisdom of crowds wordt langzaamaan ook duidelijk (Digg.com, Google News en Wikipedia zijn niet volmaakt als ultieme informatiebron, ze zijn eerder een goed begin).”
Ben Hammersley, adviseur van The Guardian, en een veelgevraagd spreker op technologieconferenties, wijst er nog op dat de inbedding van een krant in een media-ecosysteem grote gevolgen kan hebben voor de hiërarchie binnen journalistieke organisaties. Bezoekcijfers geven precies aan welke berichten worden gelezen, welke er worden opgepikt door weblogs en zo een plaats krijgen in het ecosysteem. “Op internet komen interessante artikelen bovendrijven, omdat lezers elkaar daar op wijzen.” Hammersley schreef ooit een boekrecensie die als klein artikel achterin het economiekatern werd geplaatst. In de krant viel het niet op. Maar op internet werd het zo vaak gelezen en gelinkt, dat het boek in Engeland binnen enkele dagen uitverkocht was. “Op internet is er niet zoiets als pagina 1 of pagina 57. Kleine artikelen kunnen plotseling worden opgepikt” en andersom: de politieke commentator die zichzelf zo belangrijk vindt, blijkt door bijna niemand te worden gelezen. “Ik mag niets zeggen over de bezoekcijfers van The Guardian, behalve dat de uitkomsten voor sommige [gerenommeerde namen] zeer pijnlijk zullen zijn.”
De meeste auteurs onderschrijven impliciet de opkomst van wat Bowman en Willis het media-ecosysteem noemden. Het internet is een grote database waarin allerlei uitingen – van persoonlijke dagboeken tot en met lange wetenschappenlijke essays, van roddeljournalistiek tot onderzoeksjournalistiek, van hobbyblogs tot specialistensites – dwars door elkaar staan, naar elkaar linken en elkaars content bewerken.
De gebruiker heeft de keus: gaat hij rechtstreeks naar die sites die hij door de tijd heen heeft leren vertrouwen? Of liever naar een aggregator die verschillende diensten bij elkaar brengt. Waar begint hij zijn zoektocht naar het wereldnieuws? Bij de site van de traditionele krant, omdat hij daar het werk van professionele journalisten vindt die hem door het informatie-aanbod leiden? Bij een weblogger die hem voortdurend bevestigt in zijn politieke voorkeur? Wordt het Google News omdat hij daar al het nieuwsaanbod bij elkaar gebracht ziet? Of gaat hij naar een social site als Del.icio.us of Newsvine, waar hij kijkt welke artikelen hem door vrienden of onbekenden worden aangeraden?
Bij welke bronnen zullen de lezers terugkeren? Dat zullen de bronnen zijn die ze door de tijd heen leren vertrouwen en waar ze zich prettig voelen, waar ze op een overzichtelijke en gemakkelijke manier vinden wat ze zoeken. Waar dat zal zijn, zal weer afhankelijk zijn van de specifieke informatiebehoefte op dat moment. De ene lezer heeft op het ene moment behoefte aan een heldere uitleg, de ander wil graag een persoonlijke band opbouwen met zijn informatieleverancier, een derde zal zich graag in de discussie willen mengen.
Een verstandige strategie, zo lijkt op dit moment de belangrijkste conclusie, speelt daarop in. Mediabedrijven doen er goed aan sterke, herkenbare, betrouwbare merken te creëren die de consument bedienen met een kant- en klaarpakket. Maar tegelijkertijd is het slim om de structuur van die content zo open mogelijk te houden, zodat de content ook buiten de eigen site op zoveel mogelijk plekken in het ecosysteem toegankelijk is.

Al 3 reacties — discussieer mee!