Maar liefst twee volle krantenpagina’s telde het artikel waarin de Volkskrant vorige week zaterdag openheid van zaken gaf over de ‘martelprimeur‘ die zo’n drie maanden geleden veel commotie veroorzaakte. Destijds publiceerde de krant kort voor de Tweede Kamerverkiezingen het verhaal over Nederlandse millitairen die zich in Irak schuldig zouden hebben gemaakt aan martelingen. Nadat de suggestie – onder meer na publicaties in de Elsevier – steeds sterker werd dat er sprake zou zijn van een onkies opzetje tussen de Volkskrant en de PvdA, voelde de hoofdredactie zich genoodzaakt een reconstructie te plaatsen over de totstandkoming van de primeur. Het is een ruimhartig gebaar naar de lezers, maar het is jammer dat het pas gebeurde toen de reputatie van de krant in het geding kwam. Aanvankelijk beriep hoofdredacteur Pieter Broertjes zich op bronnenbescherming, maar ook zonder de precieze bronnen te openbaren had de krant haar lezers natuurlijk een beeld kunnen verschaffen van de manier waarop de verslaggever tot zijn conclusies was gekomen.

Het komt gelukkig steeds vaker voor dat nieuwsmedia hun publiek inzicht geven in de wijze waarop berichtgeving tot stand komt. In de regel gebeurt dat echter alleen als gebleken is dat er een fout is gemaakt.

Zo stond eveneens vorige week zaterdag in het Dagblad van het Noorden een artikel waarin de hoofdredactie uitleg gaf over hoe een primeur in de krant was gekomen. In dit geval ging het om een evident foutieve primeur. De krant had melding gemaakt van een uitgelekt beleidsvoornemen uit het nieuwe regeerakkoord, maar de volgende dag bleek dit voornemen helemaal niet in het akkoord te staan. De krant was wat te goedgelovig geweest toen ze deze ‘primeur’ van een GPD-verslaggever had overgenomen, zo luidde het excuus van de hoofdredactie. Ook hier geldt: Een ruimhartig gebaar van de hoofdredactie naar de lezers, die er natuurlijk recht op hebben om te weten waarom ze in hun krant onwaarheden hebben gelezen. Door daar eerlijk over te zijn voorkomt de krant dat haar reputatie van serieus nieuwsmedium te grabbel wordt gegooid.

Smoorverliefd
Ondanks deze goede gebaren is het spijtig dat er niet meer transparantie bestaat in de journalistiek. Waarom wachten tot gebleken is dat er fouten zijn gemaakt? Of waarom wachten tot de betrouwbare reputatie van het medium in het geding komt? Waarom niet per definitie die openheid verschaffen over hoe artikelen tot stand komen?

Om een voorbeeld te noemen: In de Volkskrant van eveneens vorige week zaterdag stond een interessant artikel over een ‘smoorverliefd islamitisch stel’ dat voor de rechter moet verschijnen omdat ze samen een terroristische organisatie zouden vormen. Het stuk beschrijft hoe het stel in de loop der tijd is geradicaliseerd. Maar waar het artikel precies op is gebaseerd is lastig te bepalen. Weliswaar wordt her en der verwezen naar psychologische rapportages, familieleden, politieverhoren, websites en AIVD-rapporten, maar onduidelijk is of de journalisten deze bronnen daadwerkelijk allemaal minutieus hebben bestudeerd. Het zou namelijk ook best kunnen dat ze simpelweg zijn afgegaan op het verhaal van de advocaat van het tweetal. De lezer kan dat niet uit het artikel halen en is daardoor niet in de gelegenheid om de waarde van dit stuk te beoordelen.

De journalistiek is over het algemeen erg terughoudend om duidelijk te zijn over bronnen waarop berichten zijn gebaseerd. Dat is jammer, want het zou de journalistiek een stuk transparanter kunnen maken voor het publiek en dat zal uiteindelijk ten goede komen aan de betrouwbare reputatie van de journalistiek.

Natuurlijk, op de radio of televisie en in de krant is er meestal geen tijd en ruimte om de totstandkoming van berichten toe te lichten. Maar websites bieden een uitgelezen mogelijkheid om deze informatie aan te bieden. Lezers, kijkers of luisteraars die zich afvragen waar berichten op gebaseerd zijn, zouden daar de betreffende toelichting moeten kunnen vinden. Dit kan bovendien een dienstverlenende functie hebben als documenten en links naar online bronnen (zoals rapporten, statistieken of persberichten) worden geplaatst die de journalist voor het betreffende bericht heeft geraadpleegd. Iemand die het niet vertrouwt of gewoon oprechte belangstelling heeft voor de primaire bronnen, kan zo geholpen worden.

Mondig publiek
Helaas benutten de traditionele nieuwsmedia slechts zelden de toegevoegde waarde die een website op deze manier kan hebben. Een link naar een website of online rapport gebeurt natuurlijk wel (hoewel ook lang niet altijd), maar het publiceren van ruw bronnenmateriaal met uitleg over de manier waarop een verhaal tot stand is gekomen is een zeldzaamheid.

Enkele jaren geleden gaven de journalisten Joep Dohmen en Jos Verlaan het voorbeeld door alle documentie die ze hadden gebruikt voor hun boek ‘Kreukbaar Nederland’ (over gesjoemel in de bouwwereld) via de website van NRC Handelsblad te openbaren. Dit was niet het begin van een nieuwe traditie, want dat vergt een soort van cultuuromslag die er niet is gekomen.

Tot op de dag van vandaag zijn journalisten nog altijd vooral verhalenvertellers. Op basis van de vergaarde gegevens bakken ze een interessant verhaal voor hun publiek. En dat publiek moet er maar op vertrouwen dat het wel goed zit met de ingrediënten. Meer transparantie vergt een wat andere taakopvatting van journalisten. Namelijk een verschuiving van een louter verhalende journalistiek naar meer aandacht voor instrumentele journalistiek. Benut de mogelijkheden voor meer transparantie, een mondig publiek vraagt om mondige journalisten.

Alexander Pleijter

Hoofdredacteur

Alexander Pleijter is hoofdredacteur van De Nieuwe Reporter. Hij werkt als universitair docent Journalistiek en Nieuwe Media aan de …
Profiel-pagina
Al 10 reacties — discussieer mee!