onderzoekLater deze maand start De Nieuwe Reporter met een onderzoeksdatabase. Hierin zal opvallend onderzoek, gerelateerd aan de onderwerpen waarover hier wordt gediscussieerd, worden verzameld. Ook scripties zullen er een plaats in krijgen. Alvast een voorproefje.

De bekende omgekeerde piramidestructuur is in de journalistiek zowel geliefd als gehaat. Toch wordt deze nog altijd aangeleerd op opleidingen en op grote schaal toegepast. Bij ingewikkelde onderwerpen zoals nieuws over wetenschap en technologie kunnen we dat beter niet meer doen, stelt Ronald A. Yaros. De communicatiewetenschapper van de universiteit van Utah komt met een andere manier om zulke artikelen te structuren: explanatory structure building.

Wetenschap en technologie scoren vaak hoog op lijstjes van onderwerpen die mensen interessant vinden om over te lezen. Tegelijkertijd wordt wetenschapsnieuws vaak als moeilijk ervaren en mede daarom toch slecht gelezen. Zo blijkt slechts een op de vijf Amerikanen in staat te zijn artikelen in de wetenschapsbijlage van de New York Times te begrijpen. Naar verschillende mogelijke oorzaken hiervan is al veel onderzoek gedaan, maar naar hoe de structuur van wetenschapsartikelen tekstbegrip beïnvloed niet. Dus besloot Ronald Yaros hier dieper in te duiken. Zijn bevindingen verschenen in het augustusnummer van het tijdschrift Communication Research (full text niet vrij beschikbaar; klik hier voor de abstract).

Psychologie
Yaros keek voor zijn onderzoek naar theorieën rondom tekstbegrip uit de cognitieve psychologie. Hij concludeert hieruit dat de reden waarom de gemiddelde lezer moeite heeft met wetenschapsartikelen het gevolg is van de klassieke omgekeerde piramidestructuur. Hierbij komen de ‘meest nieuwswaardige’ zaken – het feitelijke nieuws en recente details hieromheen – aan het begin van een artikel te staan en volgen zaken als verdere uitleg, context en historische achtergrond later.

Maar het tekstbegrip van lezers is vaak sterk afhankelijk van wat zij aan het begin van een artikel lezen. Informatie die verderop in een artikel staat wordt door de lezer teruggekoppeld naar wat hij of zij in het begin las. Wie het begin niet goed begrijpt, zal ook moeite hebben met de rest van het stuk. Volgens Yaros gaan artikelen die gestructureerd zijn volgens de omgekeerde piramide stomweg te snel te diep op de zaken in.

Hij bedacht daarom een andere manier om artikelen vorm te geven, explanatory structure building (ESB), die mede vooortbouwt op een al wat oudere theorie van Teun van Dijk. Bij ESB worden de recente nieuwsfeiten gemixed met historische feiten en met informatie die het geheel voor de lezer in een begrijpelijke context plaatst, zoals quotes en verwachtingen gerelateerd aan het nieuwsfeit.

ESB maakt de aanloop van een artikel langer; maar doordat de gegeven informatie van het begin af aan beter aansluit bij wat de lezer al weet en kan plaatsen, zou de lezer volgens Yaros ook het gehele artikel beter begrijpen dan een artikel dat is vormgegeven volgens de omgekeerde piramidestructuur.

Om zijn hypothese te testen legde Yaros 235 eerstejaars studenten zonder bèta-achtergrond een artikel uit de wetenschapsbijlage van de New York Times voor. Hij gebruikte twee artikelen waarvan een testpanel had aangegeven dat ze het onderwerp potentieel interessant vond, maar het artikel erg moeilijk en legde de studenten ofwel de originele omgekeerde piramide-versie, ofwel een volgens EBS geschreven versie voor. De EBS-versies scoorden significant beter dan de originele als werd gekeken naar hoe interessant de proefpersonen het artikel vonden. Ook bleken de testpersonen het artikel beter te hebben begrepen. Dit laatste werd getest via een inhoudelijke meerkeuzevragen.

Een duidelijk resultaat en toch waren de veranderingen die Yaros aanbracht aan de artikelen relatief simpel. Hij verdeelde samen met enkele medewerkers de artikelen in afzonderlijke blokken. Deze werden gecodeerd op basis van of ze betrekking hadden op recente, feitelijke informatie; op uitleg of historische achtergrondinformatie; of dat ze commentaar van de betrokken onderzoekers bevatten. Daarna herstructureerden zij het artikel waarbij sommige blokken die feitelijke informatie bevatten wat meer naar achteren werden geplaatst en blokken uit de andere twee categorieën naar voren. Ook vervingen ze jargontermen aan het begin van het artikel door eenvoudigere woorden of schrapten deze.

Dat laatste is naar mijn mening een beetje jammer. Dat gebruik van vakjargon tekstbegrip vermindert, is een bekend verschijnsel. Dus waar kwam het nou door dat de proefpersonen de EBS-artikelen beter begrepen dan de originele: door de veranderde structuur of door het verwijderde jargon? Toch lijkt de theorie achter Yaros’ ideeën behoorlijk gegrond. Misschien zou het dus goed zijn ook hier in Nederland eens een onderzoekje naar de invloed van de structuur van wetenschapsjournalistieke artikelen op het tekstbegrip te doen. Een blik in de wetenschapsbijlagen van NRC Handelsblad en de Volkskrant van de dag waarop ik dit schreef (10 maart) laat zien dat de wat kortere artikelen inderdaad via de omgekeerde piramide zijn opgebouwd (de langere beginnen veelal met een andekdote). Sommige andere Nederlandse bronnen van wetenschapsnieuws, vooral op internet, voldoen wel al in hoge mate aan de structuur die Yaros voorstelt. De website Noorderlicht van de VPRO is een goed voorbeeld: zie bijvoorbeeld dit of dit artikel.

Hieronder een voorbeeld van een ‘originele’ tekst en een – in het kader van het onderzoek – herschreven tekst. Eerst de originele tekst uit de New York Times:

For a tumor to grow, it needs a good supply of blood, which it gets by switching on the body’s process of blood-vessel making, known as angiogenesis. Researchers are trying to develop drugs to inhibit angiogenesis as a way of fighting tumors, but they need ways to make sure the inhibitors, which have so far had mixed results, are effective early in therapy, long before the vessels affect the tumor itself.

One computer-based imaging technology may have the potential to detect changes in the blood vessels in and around tumors, signaling the power of a particular inhibitor. The technique, an adaptation of conventional magnetic resonance imaging, or M.R.I., captures up to a thousand images taken serially of a tumor before, while and after dye is introduced. Software analyzes the images, characterizing what the dye (called a contrast agent) has revealed on its journey into and out of the tumor—leakiness, for example, a hallmark of vessels that are being formed.


De geherstructureerde versie:

For a tumor to grow in your body, it needs blood, which tumors obtain from your body’s ability to make blood vessels. Researchers are trying to stop tumors with drugs that stop the growth of blood vessels, and computer images may show if the drugs are working. The process might help in determining whether a surgical biopsy in needed, according to Dr. Peter L. Choyke of the National Institutes of Health.

Dr. Choyke cited a woman with a high risk for breast cancer whom he had examined recently. “We saw a little area in the breast,” he said. “It didn’t have a pattern suggesting malignancy.” In such a case, Dr. Choyke said, it would be possible to postpone a surgical biopsy.

Al één reactie — discussieer mee!