Internet bestaat amper, blogs en burgers doen niet mee in de “leidraad” van de Raad voor de Journalistiek. Is dat erg? Niet voor wie zich realiseert dat de Raad vooral achterom kijkt, en zelden vooruit: op basis van klachten stelt het college vast wat deugt in de journalistiek en wat niet. Voor een visie op nieuwe media, op de paradoxen, mores en controverses van de netwerksamenleving moeten we niet bij de Raad zijn.

Wie de “leidraad” van de Raad voor de Journalistiek leest, waant zich in 1995. Internet bestaat nog maar net, sommige kranten hebben warempel al een website opgetuigd, maar van weblogs is nog geen sprake, burgerjournalistiek bestaat nog niet, de notie van “pro/am” media, iets halverwege professionele en amateurjournalistiek, moet nog worden ontwikkeld. De wereld is nog overzichtelijk.

De leidraad, vandaag gepresenteerd in Utrecht, wil de journalistiek en het publiek inzicht geven in de algemene standpunten van de Raad voor de Journalistiek. Die standpunten zijn in de loop der jaren gevormd aan de hand van uitspraken die de Raad deed naar aanleiding van klachten over de media. De leidraad is daarmee een optelsom van honderden kwesties, een norm voor wat wel en niet “maatschappelijk aanvaardbaar” is.

Mag een journalist onder valse naam nieuws verzamelen (meestal niet), moet hij zijn bronnen bekendmaken (meestal wel), wat verstaan we onder wederhoor, hoe gaan we om met privacy van meer of minder bekende Nederlanders (met minder respectievelijk wat meer respect), wat is een embargo, wanneer geven we voor publicatie de tekst van een interview ter inzage en wat rectificeren we – daarover gaat de leidraad.

Codes
Al die “standpunten” van de Raad zijn weinig opzienbarend. Ze grijpen terug op de code van Bordeaux, in 1954 vastgesteld door de internationale organisatie van journalisten. En op de Gedragscode die in 1995 is opgesteld door het Genootschap van Hoofdredacteuren. Beide codes vertellen de journalist dat hij fair moet zijn, loyaal aan de waarheid, en onomkoopbaar.
Met die normen is niks mis. Ook in tijden van internet zijn ze nog heel bruikbaar, in elk geval voor journalisten bij omroep, tijdschrift en dagblad, voor verreweg de meesten van ons, dus. De idealen van de beroepsgroep zijn nog dezelfde als vijftig jaar geleden. Journalisten willen burgers informeren, opdat zij kunnen meedoen in een democratische samenleving. Die informatie moet kloppen, feiten en mening dienen gescheiden te blijven, en wat de plank misslaat wordt ruimhartig rechtgezet.

Tot zover weinig aan de hand. Maar er begint iets te knellen zodra we het speelveld vergroten. De Raad voor de Journalistiek doet alleen uitspraken over journalisten en “journalistieke gedragingen”. Dat staat in het statuut waarnaar de “leidraad” verwijst. Daarmee beperkt de Raad zich tot de wereld van de professionele journalistiek en de gevestigde mediabedrijven; als er niet voor betaald wordt, kan het geen journalistiek zijn.

Die notie is ingehaald door de werkelijkheid. Sinds het bestaan van internet als platform voor de massa, kunnen burgers hun eigen nieuws maken. Dat doen ze, als amateur, onbetaald en met een zeker begrip van de spelregels uit de “officiële journalistiek” – ze snappen ook wel dat je als bloggende burger serieuzer wordt genomen wanneer je de waarheid niet al te veel geweld aandoet. Tegelijkertijd ontwikkelen ze hun eigen normen: uiteraard lopen feiten en opinie op blogs door elkaar (“Het is toch zeker mijn blog”). En waar ze van “echte” journalisten verwachten dat die hun werk met open vizier doen, zien ze er zelf geen been in zich te verschuilen achter een pseudoniem en volstrekt anoniem in te hakken op wie zich maar boven het maaiveld verheft (zoals Volkskrant-columnist Bert Wagendorp ondervond).

Domeinen
Hun spelregels zijn de onze niet. Dat gaat goed zolang we de domeinen van professionele journalistiek en nieuwe media gescheiden houden. Punt is uiteraard dat dat niet langer gaat. Wil de journalistiek een rol van betekenis blijven spelen, dan zal ze zich iets moeten aantrekken van de meepratende burger die denkt – al dan niet terecht – dat hij het zelf wel kan, zonder klassieke journalistiek.

De domeinen van oude en nieuwe media zijn met elkaar verknoopt geraakt. De Volkskrant laat bloggers bloggen op Volkskrantblogs. Lezers van Dagblad van het Noorden mogen op de website anoniem reageren op het nieuws. The Guardian is met Comment is free een open forum begonnen. Twentse Courant/Tubantia laat burgers uit Haaksbergen hun eigen nieuws publiceren op een digitale dorpspomp.

Steeds vaker zoeken kranten en omroepen naar crossmediale toepassingen, naar een kruisbestuiving waarbij vroeg of laat de vraag moet worden gesteld wat deugt, en wat niet, of in termen van de Raad voor de Journalistiek: wat maatschappelijk aanvaarbaar is en wat niet. We verwijzen dat het een aard heeft, we linken vanuit de krant naar het net, en we plaatsen digitaal aangeleverde lezersfoto’s door in de krant.

Die ontwikkeling dwingt de media, dwingt de journalistiek, na te denken over haar grondbeginselen. Kun je volhouden dat “de redactie” verantwoordelijk is voor de inhoud van reacties op de website, precies zoals ze dat ook is voor ingezonden brieven in de krant (steeds minder). Welke normen zouden we moeten hanteren voor webloggende journalisten, professional en amateur? En hoe gaan we om met al die nieuwe genres en vormen van internet, met links naar controversiële content, met podcasts en metasites, vriendennetwerken en instant messaging?

Van de Raad voor de Journalistiek moet je het antwoord op die vragen voorlopig niet verwachten; de Raad is reactief. Maar de journalistiek zelf komt er zachtjesaan niet langer onderuit.

[deze post verschijnt ook op www.henkblanken.nl]

Lees ook: Journalistieke gedragscode: leiband of leidraad? (het onderzoek van Alexander Pleijter en Annemarie Frye naar de meningen van journalisten over codes).

Henk Blanken

Schrijver en journalist

Al 10 reacties — discussieer mee!