Het voert te ver om te constateren dat de journalistiek in een identiteitscrisis zit, maar enige verwarring is er zeker. De reden: een totale vermenging van professionele, semi-professionele en ronduit amateuristische bijdragen in zo´n beetje alle bestaande media. De oorzaak daarvan ligt in de opkomst van nieuwe, voor iedereen toegankelijke technieken. En het gevolg is dat uitgevers en hoofdredacteuren van vooral de traditionele media de weg een beetje zijn kwijtgeraakt. Dat dat vervolgens weer het nodige betekent voor het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep, is evident. Vandaar dat zowel bij de Raad voor de Journalistiek als in het Genootschap van Hoofdredacteuren de roep om een nieuw houvast groeit.

De publicatie van de leidraad van de Raad voor de Journalistiek – een aanzet tot zo´n houvast – viel vorige week precies samen met de aankondiging van de eerste formele zaak tegen Geenstijl. Mooie samenloop van oud en nieuw en tevens de door de raad zo gewenste kans op jurisprudentie in de richting van de nieuwe media. De zaak dient op 24 mei, maar Geenstijl heeft al direct laten weten voor die eer te bedanken. Dat is geen verrassing, maar desalniettemin is het jammer.

Natuurlijk, het is niet voor het eerst dat een medium laat weten zich niets van de Raad aan te trekken. Gerespecteerde bladen als HP/De Tijd en Elsevier gingen Geenstijl voor. Bovendien laat GS-voorman Dominique Weesie geen kans onbenut om te roepen dat wat hij doet niets met journalistiek te maken heeft. Vandaar dat niemand opkeek van de ´open brief´ waarmee Geenstijl bekend maakte geen boodschap te hebben aan de “non-valeurs en windbuilen” van de Raad. Toch is dat jammer, want een degelijke behandeling van een zaak waarbij Geenstijl is betrokken, zou helderheid kunnen brengen in de werkwijze van weblogs die het vooral ook moeten hebben van bijdragen van bezoekers. Daar zit namelijk de komende tijd de kern van de discussie: in hoeverre kan een uitgever/hoofdredacteur verantwoordelijk worden gehouden voor bijdragen van de bezoekers van zijn medium? En moet daarbij bijvoorbeeld onderscheid worden aangebracht tussen reacties in een krant (de aloude lezersbrieven bijvoorbeeld) en op een site (van anonieme of op zijn best pseudonieme reaguurders)?

Boegbeeld van de oude wereld
De Raad voor de Journalistiek is bedoeld om te beoordelen wat binnen de journalistieke praktijk maatschappelijk aanvaardbaar is. Zonder sancties of andere machtsmiddelen, maar wel veel toegankelijker, specifieker en goedkoper dan een rechter. Er is een groot maatschappelijk belang mee gemoeid; een sterke, gezaghebbende Raad draagt bij aan de meningsvorming over journalistiek gedrag en geeft daarmee het publiek houvast over de geloofwaardigheid van journalistieke uitingen. Maar vooralsnog heeft de Raad nog maar weinig nieuwe-mediazaken kunnen behandelen en mede daardoor valt deze sector nog volledig buiten de vorige week gepubliceerde leidraad. Ook is de Raad er nog niet toe gekomen zelf met een uitspraak te komen over nieuwe praktijken in nieuwe media. Daar moet snel verandering in komen; de klacht tegen Geenstijl kan een eerste aanzet zijn.

Dat Geenstijl wordt aangesproken door de Raad voor de Journalistiek is trouwens op zich niet zo vreemd. De Raad beperkt zich immers niet tot “de wereld van de professionele journalistiek en de gevestigde mediabedrijven”, zoals Geenstijl zelf beweert. Artikel 4 van het statuut maakt duidelijk dat het de Raad gaat om medewerkers van media waarvan de inhoud bestaat uit “nieuws, reportages, beschouwing of rubrieken van informatieve aard”. Dat is bij Geenstijl allemaal het geval.

Daarom doet de argumentatie (voor zover die überhaupt serieus te nemen valt) die Geenstijl gebruikt om niet voor de Raad te verschijnen, niet ter zake. Het lijkt er meer op dat dit weblog vooral voor de eer bedankt omdat de Raad voor de Journalistiek een boegbeeld van de oude wereld is. Iets wat voor de Raad zelf wel degelijk een probleem vormt. Het gezag van de Raad zal de komende tijd namelijk vooral afhangen van de mate waarin hij in staat is om oud én nieuw op overtuigende wijze aan zich te binden.

Reacties monitoren
Dat bij weblogs als Geenstijl (maar inmiddels ook op de sites van veel traditionele media) in de meeste gevallen de reacties op het nieuws, de beschouwingen en de reportages, meer dan 95% van de ruimte in beslag nemen, is slechts een logisch gevolg van de techniek. Ook andere vormen van ´user generated content´ nemen daardoor een almaar groeiende plek in. Een webpagina geeft immers, anders dan een krantenpagina, onbeperkte mogelijkheden voor aanvullingen van wie dan ook. Hetgeen op zich al een uitnodiging is om daar onbeperkt gebruik van te maken. Media kunnen de deur ervoor natuurlijk sluiten, of ze kunnen – vooraf dan wel achteraf – de reacties monitoren. Maar dat zal slechts betekenen dat deze reacties hun weg naar een ander deel van het wereldwijde web vinden. Wie een mening heeft, raakt die hoe dan ook wel kwijt, zo blijkt. Is het niet bij het betreffende medium zelf, dan wel (met een slimme link of via een zoekmachine-koppeling) indirect daaraan verbonden. Dat maakt de discussie over de verantwoordelijkheid van de redactie voor dit soort bijdragen tot een al lang gepasseerd station.

Of dat goed is, moreel verantwoord of juist niet, doet er helemaal niet toe. Het is simpelweg een vaststelling, een sign of the times. Ook oude media doen er om die reden goed aan – tenminste, als ze de band met hun publiek hecht willen houden – de sluizen van de lezersparticipatie op hun digitale kanalen zo ver mogelijk open te zetten. Extreme reacties mogen, afhankelijk van het medium en desnoods achteraf, verwijderd worden, maar al te grote terughoudendheid dient daarbij geen doel. Wel zal een uitgever het publiek duidelijk moeten maken dat de inhoud van die reacties niet per se de mening van de redactie verwoordt. Dat er, met andere woorden, onderscheid is tussen het oorspronkelijke item en dat wat de bezoekers daar vervolgens van vinden. Voor de nieuwe mediagebruikers zelf is dat trouwens al lang gesneden koek. Die weten echt wel waar de verschillen zitten, of ze nu bij Geenstijl, De Telegraaf, Sargasso of de Volkskrant rondstruinen.

Verantwoordelijkheid
Enkele voorzichtige conclusies dringen zich op:
– Nieuwe technieken ondergraven de oude journalistieke status quo en maken een aantal traditionele redactionele mores tot iets vloeibaars.
– De Raad voor de Journalistiek moet vanuit die gedachte actief op zoek naar meningsvorming over nieuwe media en meer in het bijzonder naar de mengvormen tussen professionele en niet-professionele journalistiek.
– Het Genootschap van Hoofdredacteuren moet eveneens werken aan een maatschappelijke rol die aansluit bij deze nieuwe realiteit.
– Een reactie op een site (of het nu van een krant of een weblog is) valt buiten de journalistieke verantwoordelijkheid van de betreffende redactie. Voor een persoonlijk weblog van een aan zo´n medium verbonden redacteur geldt hetzelfde.

Tot slot: een andere optie, namelijk het hele oude circus van zelfregulering maar als kattenbakvulling terzijde schuiven, is onwenselijk. Een goed functionerende Raad en een Genootschap dat van deze tijd is, kunnen een belangrijke rol spelen in het maatschappelijke debat. Ze maken het publiek duidelijk wat wel en niet oké is en geven datzelfde publiek een middel in handen om een en ander te laten toetsen. Dat versterkt de rol van de journalistiek in onze democratie. Een journalist die roept dat een klager maar naar de rechter moet stappen, gaat voorbij aan de drempels (al is het alleen maar financieel) die zo´n stap lastig en soms zelfs onmogelijk maken. Bovendien plaatst hij zichzelf weer in die “wie-doet-mij-wat”-positie waar we zo graag van af wilden én die gezien de vele publicatiemogelijkheden voor amateurs inmiddels ook ronduit in zijn nadeel werkt.

Bart Brouwers

Journalist, blogger, writer, cyclist. Full professor in Journalism Groningen University.
Profiel-pagina
Al 20 reacties — discussieer mee!