Je hebt gewone clichés en buitensporige clichés. Het eerste type is hardnekkig, vaak al tijden in zwang, maar relatief ongevaarlijk en uitgewerkt. Het tweede type is agressiever, jonger, actueler, leidt tot ergerlijke misverstanden en dient derhalve, waar mogelijk, door de journalistiek bestreden te worden. Eén van die matig bestreden, buitensporige clichés – die zeker ook in ‘schwerpunkt’ Hilversum veel aanhangers kent – is het idee dat jongeren hun informatie graag snel gemonteerd, ofwel hapsnap, opgediend willen krijgen. De grote vraag is natuurlijk: is dat zo? Of is dat cliché een handig excuus voor de media om zich niet meer echt in kwesties vast te bijten en te vluchten in oneliners, grappige quotes, ironie en knotsgekke internetleut? Anders gezegd: is het cliché een slim trucje van journalisten om zelf dan maar de vaak felbegeerde rol van clown, cabaretier of animator te gaan vertolken? Zie de ginnegappende ‘journalist’ annex tv-presentator Matthijs van Nieuwkerk, die er in zijn programma DWDD een ware ‘kunst’ van heeft gemaakt onderwerpen binnen enkele minuten en op een zo luchtig mogelijke wijze erdoorheen te jagen. Hij wordt alom geprezen als ‘briljant’, ‘slim’ en ‘tv-geniek’: de man die het ‘journalistieke product’ anno 2007 naar een significante kijkersmassa, waaronder veel jongeren, weet te vertalen. Zelfs de EO laat tegenwoordig in elke uitgezonden tv-minuut blijken dat ze Matthijs als inspiratiebron aan het kruis hebben hangen in plaats van Jezus Christus.

Hilarische anekdotes
Omdat je als journalist, of beter gezegd als mens, nooit helemaal losstaat van de werkelijkheid en de modes en misverstanden die erin plegen te ontstaan, denk ik dat de stijl en de houding van Van Nieuwkerk, waarschijnlijk onbewust, ook invloed heeft op mijn eigen functioneren als radiopresentator, schrijvend reporter en docent journalistiek. Zo hak ik de leerstof zoveel mogelijk in kleine blokjes en lardeer ze waar mogeljk met hilarische anekdotes. Ik deins er gevoelsmatig voor terug langdradige verhalen te houden over taal- of genretheorie. En in het ergste geval denk ik populair te doen door een verwijzing te maken naar een weblog als GeenStijl. Of laat ik hippe woorden vallen als i-Pod, i-Phone, YouTube of Google.

Zelden is de reactie van mijn HBO-studenten zó onverschillig, op het geïrriteerde af, dan als ik dergelijke uitstapjes maak naar de wereld van de nieuwe media. Alsof ze mij met hun geschuif en gepuf willen herinneren aan het feit dat ik ingehuurd ben om hen in te wijden in een even mysterieus als benijdenswaardig ambacht – de Journalistiek met hoofdletter J – en alsjeblieft niet te vervelen met websites en apparaatjes waar al hun vrienden en vriendinnen al mee rondlopen en die je zonder noemenswaardige drempel kunt aanklikken of kopen. Ze willen leren schrijven met een hoofdletter S, over inhoud met een hoofdletter I, en met goede argumenten die een hoofdletter A verdienen. En ik moet onmiddellijk denken aan mijn gewaardeerde collega Nico Haasbroek, thans hoofdredacteur van Nieuw Rotterdam, die altijd beweert dat het ‘de grootst mogelijke leugen is dat jongeren niet meer in inhoud geïnteresseerd zouden zijn’. En inderdaad, mijn studenten willen het liefst morgen het probleem van discriminatie, huiselijk geweld, Tsjetsjenië, donortekorten, terrorisme en wat niet al helpen oplossen. En ze dromen van grote, invloedrijke verhalen in de Volkskrant, de NRC, National Geographic. Niet van een postje op GeenStijl. Aldus wakker geschud trek ik mezelf telkens weer schielijk terug uit het moeras van modewoorden als ‘crossmedia’, ‘multitasking’ en ‘camjo’s’ en leer ik ze uit alle macht Schrijven over Inhoud met overtuigende Argumenten.

Onze eeuwige jeugd
Dit combinerend – de ogenschijnlijke hang naar lichtheid bij veertigers, die naar inhoud bij twintigers – heeft me doen vermoeden dat de korte aandachtsspanne van de moderne jongeren bovenal zoete inbeelding is van ‘mijn’ eigen generatie midlife-zappers! Zijn wij immers niet de mensen die de onderzoeksbureaus bestieren, de enquetevragen verzinnen en de rapporten over kijk- en leesgedrag opstellen? Terwijl mijn studenten zich kapot zweten om Het Ambacht onder de knie te krijgen, een scherpe stelling te leren formuleren en een betoog netjes, logisch en met dwingende argumenten rond te breien, zitten wij, in onze drang om toch vooral jong te blijven, op internet te zoeken naar nieuwe apparaatjes, netwerken, internetrages en andere ongein, omdat elke nieuwe vondst een kinderachtige bevestiging is van onze eeuwige jeugd.

Hoe anders is het te verklaren dat één van de meest geëngageerde en ambitieuze journalisten van Nederland, Francisco van Jole (47), zomaar van een gewiekst denker in een verliefde puber verandert als hij Twitter ontdekt en midden op de dag ‘koffie, koffie’ twittert naar zijn internetvrienden? En op deze site een tamelijk potsierlijk verhaaltje houdt over de wereld vóór en na Twitter? Toen ik de naam ‘twitter’ liet vallen als zijnde de nieuwste rage op internet wist geen van mijn studenten waarover ik het had en verzochten ze mij vriendelijk hen niet meer met dat soort ‘onzin’ lastig te vallen. En nog zoiets: van het in de grachtengordel bekende techblad ‘Bright’ hadden ze geen van allen gehoord.

Conclusie? Voor veel jongeren is technologie irrelevant, want altijd beschikbaar en toegankelijk. Ze kijken ‘door de apparaten heen’ en zien een harde maatschappij waaraan velen van hen iets willen veranderen. De ‘ware’ internetgeneratie is veertig plus, gepreoccupeerd met kleine veranderingen, met ‘vroeger en nu’, met steeds weer nieuwe samenlevingsmodellen en -filosofieën die aan flinterdunne internethypes worden opgehangen.

Het is mij gaandeweg dit betoog zonneklaar geworden waarom het trio Balkenende, Rouvoet en Bos de touwtjes momenteel stevig in handen heeft. U ook?

Dit artikel werd geschreven door een drieënveertigjarige.

Al 23 reacties — discussieer mee!