Minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie wil er niet aan: een wettelijke regeling van het journalistiek verschoningsrecht. Op 13 april 2007 liet hij dat in een brief aan de Tweede Kamer weten. In zijn antwoorden op de door de vaste Kamerscommissie voor Justitie naar aanleiding van zijn brief gestelde vragen herbevestigde de minister in juli zijn standpunt: een wettelijke regeling voegt niets toe aan het in Nederland geldende rechtersrecht ten aanzien van het journalistiek verschoningsrecht. En de in België nu twee jaar geldende wettelijke regeling slaat de plank helemaal mis. Ze is enerzijds te ruim (definitie “journalist”) en anderzijds te eng (afbakening van een gerechtvaardigde inbreuk op het verschoningsrecht), aldus de minister.

De vraag kan gesteld worden, of de minister het gelijk aan zijn zijde heeft. Als tegenstander van een wettelijke regeling bevindt hij zich in het goede gezelschap van onder meer Harm Brouwer (voorzitter van het college van procureurs-generaal) en Gerard Schuijt (emeritus hoogleraar mediarecht).

Maar ook de voorstanders van een wettelijke regeling hebben hun argumenten op tafel gelegd. In dat kamp bevinden zich onder meer Geert Bourgeois (Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands beleid, Media en Toerisme), Thomas Bruning (voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten) en Rik Zagers (verbonden aan de Amsterdam Universty Press en schrijver van een in Mediaforum 2007 – 7/8 verschenen artikel over dit onderwerp).

Politieke agenda
De discussie over het al dan niet wettelijk vastleggen van het journalistiek verschoningsrecht is opgelaaid na de gijzeling van de Telegraaf-journalisten Bart Mos en Joost de Haas in 2006. Het was het thema van de Internationale Dag van de Persvrijheid 2007 in Nederland (Hilversum, 3 mei 2007). Ook de Raad voor de Rechtspraak wijdde er een debat aan (Den Haag, 21 juni 2007). En de kwestie kwam dus ook op de politieke agenda.

Let wel: de voor- en tegenstanders verschillen niet van mening over het principe van het journalistiek verschoningsrecht. Zo zei Harm Brouwer (tegenstander dus van een wettelijke regeling) op de Dag van de Persvrijheid: “Het recht op bronbescherming is een essentiële voorwaarde voor goede journalistiek”. Beide kampen antwoorden op de vraag naar het bestaan van een journalistiek verschoningsrecht: “Ja, tenzij…”. Het dispuut richt zich op het al dan niet wettelijk regelen.

Wat is er de achterliggende maanden aan voors en tegens van een wettelijke regeling van het journalistiek verschoningsrecht ter berde gebracht? De belangrijkste argumenten op een rijtje.

Tegen:
1. Verstarring: een wettelijke regeling ontneemt in een concreet geval de rechter zijn ruimte om flexibel te zijn. Bovendien wordt het journalistiek verschoningsrecht afgesloten van “de organische ontwikkelingen” van de uitspraken van het Europese Hof, wanneer het in een wet wordt vastgelegd.
2. Geen toegevoegde waarde: een wettelijke regeling voegt materieel niets toe aan de bestaande praktijk.
3. Onduidelijkheid: Het is lastig zo niet onmogelijk een bruikbare wettelijke definitie van “journalist” te geven, omdat de journalistiek geen gesloten beroepsgroep is. Als de wet op zo’n sleutelwoord niet helder gedefinieerd kan worden, wordt er alleen maar onduidelijkheid gecreëerd.
4. Geen zekerheid: Ook al leg je het journalistiek verschoningsrecht vast in een wet, dan nog zal er interpretatievrijheid moeten blijven bestaan voor de rechter in het concrete geval. Bijvoorbeeld om te beoordelen of in de betreffende casus een inbreuk op het journalistiek verschoningsrecht noodzakelijk kan worden geacht in een democratische samenleving en daarom toegestaan binnen het Europese recht.

Voor:
1. Rechtszekerheid: alle betrokkenen zullen beter weten, waar zij aan toe zijn, wanneer het journalistiek verschoningsrecht in een wet is geregeld.
2. Uitbreiding: het journalistiek verschoningsrecht zou in een wettelijke regeling uitgebreid kunnen worden ten opzichte van het recht dat nu op basis van jurisprudentie in Nederland geldt.
3. Duidelijkheid: een wettelijke definitie maakt duidelijk wie als “journalist” kan worden aangemerkt en wie zich dus op een journalistiek verschoningsrecht zou mogen beroepen.
4. Formele winst: journalisten zullen er bij een wettelijke regeling in formele zin op vooruitgaan. Nu kan een overheidsinstantie in de richting van journalisten dwangmiddelen toepassen totdat een rechter dat verhindert. In een wet kan de procedure worden omgekeerd: dwangmiddelen kunnen tegen journalisten niet worden gebruikt, tenzij de rechter een daartoe gedaan verzoek honoreert.

In de discussie heb ik totnogtoe ook de voorstanders van een wettelijke regeling niet echt een lans horen breken voor een materiële uitbreiding van het journalistieke verschoningsrecht. Ik laat daarom dit punt (geen materiële toegevoegde waarde versus de mogelijkheid tot uitbreiding van het recht) buiten beschouwing. Ik richt mij op de overige voors en tegens.

Uitglijders
Schuijt heeft tijdens het debat bij de Raad voor de Rechtspraak betoogd dat er met de uitspraken van de Hoge Raad op het terrein van het journalistiek verschoningsrecht niets mis is. En als nu ook lagere rechters gewoon in de lijn van het Europese Hof en de Hoge Raad zouden beslissen, zou er helemaal niets aan de hand zijn. Brouwer noemde tijdens de Dag van de Persvrijheid de beslissing tot het gijzelen van Mos en de Haas Zagers een uitglijder van de betreffende rechter-commissaris. Zagers zegt in zijn artikel in Mediaforum: “Kennelijk is de jurisprudentie in de praktijk niet zo duidelijk als de rechtswetenschap keer op keer uitlegt.”

De vraag is in hoeverre een wet de ten aanzien van lagere rechters gesignaleerde problematiek zou oplossen. Ook een wet sluit het risico van uitglijders niet uit. En als het inderdaad gaat om een gebrek aan kennis van de desbetreffende jurisprudentie bij lagere rechters of het ontbreken van de wil bij hen om deze toe te passen, dan hebben we met een ander probleem te maken dan door wetgeving opgelost zou moeten worden.

Cavia
Een werkelijk lastig punt in geval van wetgeving is het definiëren van het begrip “journalist”. Ik denk dat we niet weg komen met louter formele aspecten van de functie, zoals je bijvoorbeeld aantreft in de Dikke van Dale of in de statuten van de Raad voor de Journalistiek. Het gaat om de functie die binnen het kader van de vrijheid van meningsuiting wordt vervuld. Ik denk dat dat lastig in abstracte termen te beschrijven valt.

Schuijt wijst er op, dat totnogtoe in concrete gevallen nooit getwijfeld is over de vraag of degene, die zich beroept op het journalistiek verschoningsrecht wel een journalist is. Brouwer liet blijken dat we – bij gebreke aan wetgeving – niet hoeven te vrezen dat het journalistiek verschoningsrecht zou worden toegekend aan een regelmatig over het welbevinden van haar cavia bloggende huisvrouw. Omgekeerd kun je vrezen dat een meer geabstraheerde definitie wel eens in de praktijk mensen uit de boot zou kunnen laten vallen, die zich terecht op het journalistiek verschoningsrecht proberen te beroepen.

In België is op dit punt op 7 juni 2006 het Arbitragehof tussenbeide gekomen. In de oorspronkelijke tekst van de “Wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen” was sprake van “als zelfstandige of loontrekkende werkzaam” zijn. Na de interventie van het Arbitragehof is in België nu een journalist in de zin der wet: “Eenieder die een rechtstreekse bijdrage levert tot het verzamelen, redigeren, produceren of verspreiden van informatie voor het publiek via een medium.” Zien wij hier nu de caviablogster in beeld komen?

Interpretatie
Het pluspunt van de “formele winst” is afkomstig van Zagers. Ik vermoed dat hij doelt op bijvoorbeeld inbeslagname van materiaal. In geval van het gijzelen van een journalist omdat hij weigert zijn bron te noemen, kan dit ook nu alleen maar op bevel van een rechter. In geval van Mos en De Haas ging het om een Haagse rechter-commissaris, die van mening was dat het journalistieke verschoningsrecht in dit geval moest wijken voor de waarheidsvinding. Een kwestie van interpretatie, die korte tijd later door de raadkamer van de rechtbank werd herzien.

Ook hiervoor geldt dat een wettelijke regeling niet zal vermogen om foutieve interpretaties van individuele rechters uit te sluiten. Schuijt heeft al meerdere malen gesuggereerd om een zo gewichtig besluit als het gijzelen van een journalist dan maar niet meer door een enkele rechter, maar door een meervoudig college te laten nemen.

Op grond van het bovenstaande meen ik dat de tegenstanders van een wettelijke regeling op dit moment meer gewicht in de schaal leggen dan de voorstanders. Kernpunt is dat wat door de voorstanders als de bezwaren van de bestaande situatie worden gezien, niet zullen worden opgelost door een wet. Een wet die bovendien nieuwe problemen zou oproepen, zoals die van het definiëren van degenen die er een beroep op kunnen doen.

Al 3 reacties — discussieer mee!