arnold1De term ontwikkelingsjournalistiek wordt in Nederland doorgaans geassocieerd met journalistiek over ontwikkelingslanden, misschien ook met journalistiek in ontwikkelingslanden. Hier, in Cambodja, bedoel ik letterlijk de ontwikkeling van de journalistiek in een ontwikkelingsland. En vooral, dat we die journalistiek misschien eerst eens moeten gáán ontwikkelen, voordat we de beoefenaars ervan journalisten noemen. Praten we daarna wel weer verder over de mate van persvrijheid die ze al dan niet genieten.

Ethische grenzen
Ieder jaar publiceert het Franse Journalisten Zonder Grenzen (RSF) een lijst met bijna 170 landen gerangschikt op persvrijheid. Nederland staat al jaren op – een gedeelde – eerste plaats en al zouden we geen Nederlanders zijn als we daar niet zelf iets op af te dingen hadden, dat is toch mooi. Een belangrijke reden voor die toppositie is dat de overheid een groot vertrouwen heeft in de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek en het zelfregulerende vermogen van de beroepsgroep.

In het geval van Nederland uit die zelfregulering zich uiteraard niet zozeer in het uit de weg gaan van gevoelige kwesties die de overheid tot andere gedachten over persvrijheid zouden kunnen brengen, maar in een goed besef van ethische grenzen onder het gros van de journalisten. Een onderzoek door Mark Deuze enkele jaren geleden wees Nederlandse journalisten samen met hun Amerikaanse (VS) collega’s aan tot de hoogst opgeleiden (van het aantal onderzochte landen). Het spreekt voor zich dat de politieke situatie in een land grotendeels de persvrijheid bepaalt, maar – al tonen de VS met een 53ste en in hun ‘extraterritoriale gebieden’ beschamende 119de plaats op de persvrijheidlijst in 2006 aan dat het geen garanties geeft – evenzeer dat goed opgeleide, betrouwbare journalisten aanzienlijk meer kans maken op het verwerven van persvrijheid.

Anarchie
Cambodja stond in 2006 op diezelfde lijst op een 108ste plaats. Dat is laag, maar ook al was het voor het eerst in jaren dat er andere landen in Zuidoost Azië hoger gerangschikt stonden (Maleisië op 92, Indonesië op 103) omdat voor Cambodja in 2006 wat meer arrestaties en bedreigingen van journalisten werden geregistreerd dan in 2005, het land gaat er prat op dat het meer persvrijheid heeft dan vooral buurlanden Thailand, Laos en Vietnam. Zo kun je het ook bekijken, maar de praktijk in Cambodja valt nog het best te beschrijven als anarchie; alles lijkt mogelijk totdat het niet meer mogelijk blijkt en niemand weet waarom. Wetgeving – er is een mediawet – speelt hierbij geen rol; de Cambodjaanse rechtsspraak staat voor de Cambodjaan gelijk aan om problemen vragen. Zelfs de premier van het land ontkent niet dat corruptie, manipulatie, incompetentie en belangenverstrengeling de Cambodjaanse rechtsgang ernstig belemmeren en dat is eufemistisch gesteld.

Het is weinig verrassend dat Cambodjaanse media, voor een groot deel al dan niet direct verbonden aan een politieke partij, (familie van) politici of andere invloedrijke personen in de hiërarchie, ook een buitengewoon groot zelfregulerend vermogen hebben. Dat in schril contrast staat met vrijwel alle journalistieke principes en ethiek.

Het is gezien het enorme verschil in werksituatie te gemakkelijk om als westerling direct een oordeel uit te spreken over dit uit de weg gaan van problemen en risico’s. Sterker, wat is de zin van het volgens journalistieke maatstaven toetsen van een beroepsgroep die weliswaar werkzaam is in de media, maar voor het overgrote deel niet of nauwelijks notie heeft van journalistieke vaardigheden, principes en ethiek?

Vogelgriep
Ik woon en werk sinds september 2004 in Cambodja en heb verscheidene kort- en langer durende trainingen gegeven aan journalisten van zowel geschreven pers als radio en TV. Als uitvloeisel van een van deze trainingen heb ik tevens tien mediabijeenkomsten georganiseerd over heikele onderwerpen in Cambodja zoals mensenrechten, corruptie en het Khmer Rouge Tribunaal. Als onafhankelijk lid van een examencommissie heb ik eindscripties van studenten van het Cambodia Communication Institute beoordeeld. Het Cambodia Communication Institute is een 4-jarige universitaire mediaopleiding met Duitse steun en grotendeels westerse docenten die nog het dichtst in de buurt komt van een journalistieke opleiding hier, maar afgemeten aan het niveau van de eindexamenkandidaten nog een lange weg heeft te gaan.

Voorts heb ik gedurende zes maanden tien Cambodjaanse kranten gescreend op hun berichtgeving over corruptie en in zowel 2006 als 2007 een maand lang kranten en radio op hun berichtgeving over HIV/AIDS.

Een week training aan ‘journalisten’ in Laos en zes weken in Myanmar vormden in de tussentijd welkom vergelijkingsmateriaal om de ervaringen in Cambodja enigszins in perspectief te plaatsen. Kort gezegd: in Laos was het niveau nog bedroevend veel lager. In Myanmar vonden de deelnemers het fantastisch om te horen hoe journalistiek over de grens wordt geïnterpreteerd maar waren ze tevens kien genoeg om te beseffen dat ze er zelf onder het huidige regime in Myanmar toch echt niets mee konden. Laatstgenoemde trainingen hadden overigens als primair doel de berichtgeving over de dodelijke H5N1-variant van de vogelgriep te verbeteren, die in dit deel van de wereld het heftigst om zich heen slaat.

Genocide
Terug naar Cambodja waar oneindig veel te zeggen valt over de staat van de journalistiek en het daarom het handigst is om de belangrijkste basisproblemen puntsgewijs te noemen:

1. Door de genocide die onder de Khmer Rouge van 1975 – 1979 in de eerste plaats een ieder met ook maar enige opleiding trof, is het onderwijsniveau vanaf de basisschool nog steeds bijzonder laag door een gebrek aan goede leerkrachten. Armoede en corruptie binnen het onderwijssysteem bepalen grotendeels de kansen op het daadwerkelijk genieten van onderwijs.
2. Dit heeft uiteraard talrijke consequenties, maar met betrekking tot dit onderwerp is een essentiële dat de meeste Cambodjanen kampen met een gebrek aan logisch, analytisch en kritisch denkvermogen. Dit uit zich in een onvermogen tot het inzien van oorzaken en gevolgen, leggen van verbanden, begrijpen van cijfers, getallen, statistieken, enzovoort.
3. Het staat tevens een algemene ontwikkeling in de weg en dat wordt nog verergerd doordat er welhaast een weerzin tegen lezen lijkt te heersen. In het algemeen wordt er al weinig gelezen, maar beperkt tot kranten wees een lezeronderzoek in 2001 uit dat slechts 4 procent iedere dag een krant leest en 62 procent nooit. Het alfabetisme in Cambodja is de laatste jaren tot 75 procent gestegen, dus dat is niet (langer) de hoofdoorzaak. . Het is mijn ervaring dat journalisten vaak hun eigen krant nauwelijks lezen en ik kwam tijdens trainingen regelmatig tot de ontdekking dat ze hun eigen stukken niet eens nalezen. Waarom zouden anderen dat dan wel doen, legde ik ze vaak voor.
Overigens is dit de meest voor de hand liggende reden waarom kranten zich meer vrijheden kunnen veroorloven dan radio en TV; meer dan twintig regelmatig verschijnende krantentitels hebben een gezamenlijke oplage van maximaal 200.000 en hun invloed op de publieke opinie is dus minimaal. (Cambodja telt ruim 14 miljoen inwoners).
4. Media die geen buitenlandse steun genieten, kunnen hun medewerkers slechts karige salarissen betalen, 20 tot 40 dollar per maand of, voor freelancers, 3 dollar per verhaal. Dit werkt een grote bereidwilligheid in de hand onder journalisten om geld aan te nemen. Zelfs voor het komen naar een persconferentie krijgen ze vaak betaald door de belanghebbende.
Ook het afpersen door journalisten – onder dreiging van een negatieve publicatie of door het aanbieden van een gunstig artikel – komt voor. Omdat ze vaak ook nog zelf moeten opdraaien voor telefoon-, reis- en verblijfskosten wordt dat voorbereidend deel van het werk zoveel mogelijk overgeslagen.
5. Ten overvloede: journalistieke basisvaardigheden als inlezen, herkennen, begrijpen en checken van feiten versus fictie, onderscheiden van relevantie, formuleren van goede vragen laat staan vervolgvragen, hoor- en wederhoor, bronvermelding, enzovoort, worden niet beheerst en kunnen in het licht van bovengeschetste situatie ook niet van de doorsnee Cambodjaanse ‘journalist’ worden verwacht.

Ter illustratie van de vele gevolgen die dit heeft voor de kwaliteit van berichtgeving, een greep uit de resultaten van mijn eerder genoemde onderzoek naar berichtgeving over corruptie, een gevoelig onderwerp, maar tevens een hoofdoorzaak voor veel van de gigantische problemen waar dit land mee kampt:
– De hoofdbron van 47 procent van de 262 onderzochte artikelen was anoniem.
– Van de overige vermelde bronnen was 61 procent niet verifieerbaar. 82 procent van de geuite verklaringen, meestal beschuldigingen en meningen, werden niet voor een weerwoord aan de veroordeelde partij voorgelegd. De enkele keer dat dit wel gebeurde was het weerwoord in lengte gemeten minimaal.
– Slechts 10 procent van de artikelen kon worden bestempeld als neutraal/objectief, 31 procent bevatte beschuldigingen op naam van de journalist zelf of op basis van een anonieme bron zonder bevestiging en zonder weerwoord van de beschuldigde partij.
– Het merendeel van alle overige artikelen was niet ‘zomaar’ subjectief, 31 procent bevatte beschuldigingen op naam van de journalist zelf en in ruim 12 procent sprak de journalist ook maar vast zelf zijn oordeel over de kwestie uit.
– Dit, terwijl slechts 3 procent als een opiniestuk kon worden herkend en nog eens 3 procent als een hoofdcommentaar.

Absoluut onaanvaardbaar
Mijn conclusie op basis van alle resultaten was dat de kranten simpelweg opschrijven wat hun lezersgroep graag wil horen en toch al denkt en daardoor in wezen contraproductief zijn voor elke serieuze poging om corruptie aan de kaak te stellen. Er wordt geen enkele poging ondernomen om te achterhalen wat waar en niet waar is en zo wordt de heersende opinie dat alles en iedereen corrupt is en vooral dat daar niets aan te doen valt wel heel gemakkelijk in stand gehouden. Informeel heb ik er nadien eens aan toegevoegd dat de uitkomsten de overheid een goed uitgangspunt verschaften om de onderzochte krantentitels fors aan te pakken en in sommige gevallen zelfs uit de roulatie te nemen.

Zou de Cambodjaanse overheid dit doen dan zou het internationale journalistieke huis te klein zijn: “Ernstige schending van persvrijheid in Cambodja!”. Terwijl de realiteit is dat dit soort journalistiek zelfs in het fier op de eerste plaats staande Nederland absoluut onaanvaardbaar zou zijn. Zonder het belang van (aandacht voor) persvrijheid te willen bagatelliseren valt naar mijn mening meer winst te halen wanneer het internationale journalistieke huis prioriteit zou geven aan het realiseren van een situatie waarin hun potentiële collega’s in landen als Cambodja eerst eens serieus worden opgeleid in zowel journalistieke als algemene vaardigheden alvorens we ze erkennen als collega’s. Alvorens ze aanspraak kunnen maken op persvrijheid en hun klachten over schendingen daarvan de boventoon voeren in persberichten en rapporten van beroepsgroeporganisaties zoals RSF.

Intimidaties en als zodanig bedoelde arrestaties vallen uiteraard niet goed te praten, maar het veroordelen daarvan kan al eenvoudig op basis van de universele mensenrechten. Waarom rechten van journalisten van toepassing verklaren op mensen die dat niet zijn en goedbeschouwd het imago van de beroepsgroep schade berokkenen? Journalistiek mag een vrij beroep zijn, er zijn toch grenzen. De ontwikkeling van de beroepsgroep en de persvrijheid in Cambodja is er mogelijk zelfs bij gebaat wanneer de overheid de bestaande mediawet eens echt zou gebruiken om media te toetsen, ook al zouden vele die toets niet doorstaan. Het zou natuurlijk wel prettig zijn wanneer dit door een onafhankelijk orgaan wordt uitgevoerd en er tegen die tijd een realistische, eerlijke mogelijkheid tot beroep aantekenen voorhanden is.

Cynisme
Met ‘serieus worden opgeleid’ doel ik niet op trainingen van een week tot enkele maanden zoals ik ze zelf geef. Neem je eigen opleidingsniveau en de kwaliteit daarvan als uitgangspunt en de geschetste situatie maakt wel duidelijk dat het ontwikkelingscircus van trainingen, seminars en workshops zelden gekwalificeerde, verantwoorde journalisten aflevert. Ik heb werkende journalisten in mijn trainingen gehad die soms al zes keer eerder een door gerespecteerde ontwikkelingsorganisaties gegeven training nieuwsberichten schrijven hadden gevolgd en er nog steeds geen konden maken. En na die van mij nog niet, want de Top 4 problemen zoals hierboven worden echt niet opgelost met een weekje training in het vijfde probleem.

Ik richt me ook nadrukkelijk tot journalistieke koepelorganisaties. De trainingen die ik heb gegeven werden gefinancierd door organisaties als Unicef, UNDP en USAID. Met uitzondering van een 8 maanden lange training (een dag per week) in opdracht van het Amerikaanse National Democratic Institute (NDI, met USAID als donor), was geen van die trainingen primair gericht op het opleiden van journalisten in algemene zin. Dergelijke organisaties hebben andere primaire doelen zoals de noodzaak tot betere informatie onder het publiek over vogelgriep of HIV. En hoe gerechtvaardigd en soms zelfs nuttig ook, met enig cynisme kun je stellen dat zij de lokale media simpelweg gebruiken als verlengstuk van hun eigen afdeling communicatie.

RSF, IFJ, Press Freedom Now!, Freevoice, Internews, Interpress Service, ze zullen ongetwijfeld voorbeelden noemen van ontwikkelingslanden waar zij gedegen journalistieke opleidingstrajecten financieren of initialiseren, maar ik maak me sterk dat ik met Cambodja, Laos en Myanmar toevallig zeldzame uitzonderingen in journalistiek heb getroffen die de naam niet mag dragen op de jaarlijkse persvrijheidlijst van RSF. En zelfs al zou dat zo zijn, ze staan er wel op en tasten, voor mij, de waarde van de lijst aan.
arnold
Arnold Marseille bij het begeleiden van een tv-reportage over het ruimen van landmijnen.

Al 5 reacties — discussieer mee!