Dat werken in of bij de media iets anders is dan tien, twintig jaar geleden, hoef ik niemand te vertellen. Maar de grote vraag is natuurlijk wat er nu precies is veranderd en hoe dat de inhoud van dat werk beïnvloedt. Dat het snel gaat met fundamentele veranderingen staat buiten kijf. Tien jaar geleden deden journalisten nog schampertjes over de invloed van internet; nu weet elke journalist dat internet bij het werk hoort. Convergent werken (met grofweg dezelfde inhoud meerdere mediavormen vullen) is zo’n beetje gemeengoed geworden, of journalisten dat nu wilden of niet. De multimediale werkvloer is overal te zien of is in aanbouw. En werksoorten die vroeger strikt gescheiden bleven lijken nu te vervloeien tot één grote digitale mediabrij.

Dit proces van ‘liquification’ (vervloeiing lijkt de beste term in het Nederlands) is het onderwerp van het nieuwe boek van mediawetenschapper Mark Deuze. Maar zijn boek is ook een schoolvoorbeeld van het vloeibare werk dat hij beschrijft. Ook mediawetenschappers houden zich namelijk niet meer aan de grenzen, routines en conventies van een bepaald vakgebied, zoals sociologie of psychologie, maar ze schrijven vanuit een vraag die men wil beantwoorden. En dan gebruikt men allerlei materiaal om een overtuigend betoog te schrijven.

Deuze bijvoorbeeld heeft de totale wetenschappelijke literatuur over werken bij media bij elkaar geveegd, selecteert daaruit wat hij nodig heeft en voegt daar gegevens aan toe van een niet nader aangeduid aantal ‘diepteinterviews’ die hij, zijn studenten en enkele collega-wetenschappers over de hele wereld hebben gehouden met ‘mediawerkers’. Die interviews krijgen we niet te zien, zodat we niet weten waarop nu wat is gebaseerd, maar dat zijn methodologische vragen waar de moderne mediawetenschapper zich niet meer om bekommert; het gaat immers om zijn verhaal en dat moet kort, overtuigend, onontkoombaar en verontrustend zijn.

Goeroe-wetenschapper
Van Deuze’s boek gaat dan ook een enorme suggestieve kracht uit. Met een verwijzing naar uitsluitend digitale bronnen beschrijft hij trends in maar liefst vier mediawerelden: marketing en PR, journalistiek, film en televisie, game design. Zijn werkgebied is niets minder dan de hele wereld: het onderzoek zou zijn gebaseerd op de situatie in vijf landen op vier continenten: Nederland, Nieuw Zeeland, Amerika, Finland en Zuid Afrika. En dat allemaal in een boek van krap 240 pagina’s vol met sweeping statements die meer zeggen over de auteur dan over de wereld die hij tot zijn onderwerp heeft gekozen. Een mens gaat er bewonderend van fluiten tussen de tanden: de hele convergerende mediawereld in een notendop verklaard.

En dan ook nog eens geïnspireerd door een herontdekte goeroe-wetenschapper. Voor Deuze is dat de oude Poolse socioloog Zygmunt Bauman (1925), die de laatste jaren furore heeft gemaakt met boeken over wat hij ‘liquid life’ of ‘liquid modernisation’ noemt. In zijn om het gebrek aan concrete omlijning en empirie bekritiseerde boeken schetst Bauman een indringend beeld van de moderne mens in zijn permanente zoektocht naar individualiteit, die nergens permanent gevonden wordt omdat de wereld ‘vloeibaar’ is geworden. Normen zijn tijdelijk, onzekerheid heerst en de mens verliest daardoor meer en meer controle over zijn bestaan. Anyplace, anywhere doet hij zijn heftige kunstje om weer weg te wezen naar een volgende fase in zijn individualiteit. Angst en onzekerheid liggen op de loer en die paar wereldburgers die uit de vloeibaarheid geld weten te slaan of er technologische en creatieve hoogstandjes mee kunnen verrichten, grijpen de macht.

Onstuitbare wals
Deuze beziet in dit nogal pessimistische licht de huidige mediawereld met zijn technologische convergentie, zijn economische samenclusteringen en zijn onduidelijkheden over traditionele normen zoals ‘journalistiek’, ‘reclame’ en ‘marketing’. Ook hier vloeien die zaken door elkaar tot een veelkleurig mengsel waarin niemand meer koers weet te houden. De onstuitbare wals van technologie en commercie verkruimelt deze bestaande beroepspraktijken en laat duizend nieuwe bloemen bloeien op de geïndividualiseerde digitale samenleving waarin ieder zijn eigen medium maakt.

Deuze hoopt met het beschrijven van dat inzicht te bereiken dat studenten meer in staat zullen zijn om zich in al dat vloeibare geweld staande te houden. Ik betwijfel of hij in die opzet slaagt. Veel om de hakken heeft zijn boek in praktische zin niet. Wil je weten hoe convergentieprocessen precies inwerken op een specifieke journalistieke, televisie- of computerpraktijk dan zijn er toch wel andere, meer concrete studies voorhanden dan Deuze’s hoofdstuk van dertig pagina’s over ‘journalistiek’ of ‘game design’ in vijf landen op vier continenten. Door de enorme pretentie van zoiets vervalt Deuze vanzelfsprekend in algemeenheden, die op zichzelf een knap en erudiet staaltje literatuurexercitie opleveren.

Maar de lezer blijft aan het eind toch achter met een zwoegend verlangen naar een concreet antwoord op de vraag wat multimediaal werken in een digitaal-convergerende werkcultuur nu precies betekent voor ‘een goede televisiereportage over de oorlog in Irak’ of een ’sterk stuk over criminaliteit in Amsterdam-West’. Dat het werk steeds complexer wordt en dat grenzen tussen specialismen vervloeien of misschien zelfs verdwijnen is zo langzamerhand een dooddoener aan het worden net zoals al die onbewijsbare voorspellingen dat de mediawereld één groot en hol vat aan het worden is vol vluchtige en commerciële inhoud.

Met de mond vol tanden
Fraaie vergezichten wellicht, maar wat heeft een verslaggever eraan die in Groningen het interactieve publiek in Appingedam probeert te voorzien van een betrouwbaar bericht over de staking van het openbaar vervoer? Die zit meer voor de praktische vraag hoe hij met zijn schaarse tijd zowel de krant, de website, het video-verslag en de podcast in elkaar zet. En die krabt zich het hoofd over wat hij moet met de woedende buspassagiers en buschauffeurs die de krant bestoken met honderden mails, sms’jes en telefoontjes.

Deuze staat op dit soort punten met de mond vol tanden. Door de oudere en sceptische redacteur zal hij dan ook worden gezien als de zoveelste onheilsprofeet die nooit met de poten in het bluswater heeft gestaan en buiten de realiteit van alledag staat. De jonge aanstormende talenten zullen hem veel meer omarmen als een hippe vertolker van hun levensgevoel, maar in de praktijk zullen ook zij algauw tot eigen oplossingen komen voor blijvende vragen. Zoals hoe je geloofwaardig en authentiek blijft in een wereld waarin sommigen ervoor pleiten dat nieuws in een game-vorm net zo goed journalistiek oplevert als een zorgvuldig geschreven bericht waaraan hoor en wederhoor ten grondslag ligt.

Mark Deuze schetst het brede kader waarin zo’n vraag misschien begrepen kan worden, maar een antwoord blijft hij ons schuldig. Hij geeft als het ware houvast in de vragen, maar is vloeibaar in de antwoorden.

Mark Deuze, Media Work, Digital Media and Society Series (Polity Press: Cambridge 2007), ISBN 978-0-7456-3925-3

Al 8 reacties — discussieer mee!