krantindeklasMediadebat houdt maandagavond 12 november een debat over jongeren en het lezen van dagbladen. Directeur Fifi Schwarz van de Stichting Krant in de Klas, gaat er in gesprek met diverse journalisten. Voor de bijeenkomst schreef ze de hieronder staande inleiding. Stichting Krant in de Klas is de educatieve organisatie van De Nederlandse Dagbladpers. De stichting, die een niet-commerciële doelstelling heeft, zet dagbladen in als lesmiddel ter bevordering van taalvaardigheid, media-educatie en burgerschap.

Kent u die uitdrukking? ‘De media heeft te veel invloed.’ Onlangs hoorde ik dat een buurvrouw zeggen. Iets langer geleden kwam een soortgelijke uitspraak zelfs uit de mond van iemand die een media-educatieprogramma ontwikkelt. Het is prima dat ervoor gepleit wordt om de invloed van de media kritisch te benaderen.

Maar het is wel kwalijk dat daarbij een zo eenzijdig beeld van ‘de media’ wordt geschetst, dat men vergeet dat het een meervoudsvorm betreft. Regelmatig wordt over ‘de media’ gesproken alsof zij een collectief geheel vormen dat met één mond spreekt. De realiteit is natuurlijk dat de media een bonte verzameling vormen van zeer diverse afzenders: kranten- en tijdschriftredacties, programmamakers brengen allemaal een eigen aanbod vanuit verschillende invalshoeken en belangen. Ook binnen die beroepsgroepen is de pluriformiteit groot: zo komen de redactionele commentaren van De Telegraaf en het Reformatorisch Dagblad bijvoorbeeld zelden overeen en wordt zelfs binnen één krant polemiek bedreven.

Generalisatie niet houdbaar
Juist die spraakverwarring draagt bij aan een generalisatie die niet houdbaar is: dat ‘de media’ er op uit zijn om ons negatief te beïnvloeden. Dit valt niet te rijmen met het gegeven dat wij via het medium televisie niet alleen een metamorfoseprogramma van een commerciële omroep kunnen bekijken, maar ook de VPRO-documentaire Beperkt Houdbaar van Sunny Bergman die daarbij juist vraagtekens plaatst.

Bovendien: wie stelt dat mediaproducenten te veel invloed zouden hebben op onze beeld- en meningvorming, impliceert dat mediaconsumenten passieve ontvangers zijn die zich van alles laten aanpraten. Het is natuurlijk zo dat de vraag naar informatie vaak juist wordt gecreëerd door het aanbod. Maar het is te gemakkelijk om te doen alsof de burger alleen maar slachtoffer is. Wie de verantwoordelijkheid alleen bij ‘de media’ legt , ontkent dat burgers zelf ook verantwoordelijk zijn voor de keuzes die zij in hun mediamenu maken. Denk bijvoorbeeld aan het programma De Gouden Kooi, waarop meermalen met veel verontwaardiging is gereageerd. Ondanks alle ophef – of juist daardoor – geven zeker 400.000 mensen legitimiteit aan het programma door er regelmatig naar te kijken. En: het zijn niet ‘de media’ zijn die op weblogs, fora, chats of profielsites in alle vrijheid hun hobby’s en meningen openbaar maken, maar burgers zelf.

Mediaraad
Diverse politici en instanties pleiten nu voor een media(educatie)beleid dat gericht is op die bescherming van burgers tegen media-invloeden. Zo zou een Mediaraad de geschiktheid van televisieprogramma’s moeten beoordelen. Maar door mensen af te schermen van ongewenste informatie (of dat nu teksten zijn of beelden), blijven zij in het ongewisse. Zij zijn dan niet in staat om verschillende soorten informatie tegen elkaar af te wegen en te toetsen aan hun eigen normen en waarden.

Wat helpt dan wel?

De Raad voor Cultuur bracht in het rapport Mediawijsheid, de ontwikkeling van nieuw burgerschap (juli 2005) al een helder advies uit: burgers moeten mediawijs worden. De kerngedachte is dat mensen pas echt weerbaar zijn tegen media-invloeden als zij zelf leren bewust om te gaan met de informatie die op hen afkomt en met de informatie die zij zelf verspreiden.

De uitdaging is dan ook om (jonge) mensen te leren hoe zij op kritische wijze informatie kunnen vergaren, begrijpen, interpreteren, in een context kunnen plaatsen en ook zelf weer verspreiden. En om te bevorderen dat zij dat zelf ook willen kunnen, dat zij inzien dat zij daar zelf belang bij hebben.

Leerlingen uitdagen
De basis hiervoor ligt in het onderwijs. Want kritisch kunnen omgaan met informatie – met zowel het nieuws als de berichtgeving daarover, dat moet je leren. Leerlingen moeten dan ook uitgedaagd worden om zich te informeren over een onderwerp om vervolgens hun eigen mening tot uitdrukking te brengen. Daarbij moeten zij zich afvragen op welke wijze zij de media toelaten om hun beeldvorming te beïnvloeden én in welke mate zij zelf met hun eigen informatie-uitwisseling anderen beïnvloeden.

Docenten hebben hierbij wel hulp nodig. Het informatie-aanbod is overweldigend en niet alles is even makkelijk in de les in te passen. Bovendien moeten zij een beroep kunnen doen op de media om hierin ook de verantwoordelijkheid op zich te nemen.
De dagbladuitgevers doen dit al geruime tijd door gratis dagbladen aan het onderwijs beschikbaar te stellen. Daarvoor heeft zij in 1976 Stichting Krant in de Klas in het leven geroepen. Deze stichting zet de krant (zowel op papier als online) nog steeds met succes in als lesinstrument in het onderwijs: ze stelt gratis dagbladen beschikbaar en ontwikkelt lesmaterialen over de krantenberichtgeving bij actuele thema’s.

Natuurlijk hebben de dagbladen er zelf belang bij als op school kranten worden gelezen: wanneer leerlingen inhoudelijk kennismaken met de krant, gaan zij het medium (zowel de papieren krant als het online informatieaanbod) waarderen als bron van informatie die ook voor henzelf relevant is.
Maar ook voor docenten is de krant een belangrijk hulpmiddel: omdat kranten alle maatschappelijke ontwikkelingen belichten, zijn het waardevolle bronnen voor uiteenlopende schoolvakken. Veel docenten in het primair en voortgezet onderwijs gebruiken dan ook regelmatig dagbladen om de theorie op de praktijk toe te passen en daarmee de lesstof te verlevendigen. En passant bevorderen ze daarmee ook nog de taalvaardigheid van hun leerlingen, zo bleek afgelopen jaar uit gebruikersonderzoek.

Bredere context
Tenslotte zijn ook de leerlingen zelf daarbij gebaat. Niet alleen omdat eventuele jongerenpagina’s hen informeren over onderwerpen die aanhaken bij hun eigen leefwereld, maar ook (juist) omdat kranten het nieuws duiden door daar achtergronden en commentaren bij te geven. Dat stelt de jonge lezers in staat om ontwikkelingen in een bredere context te plaatsen en te verbinden aan hun eigen leefsituatie. In het onderwijs heet dit dat zij burgerschapscompetenties ontwikkelen. Voor henzelf betekent het dat zij hun positie ten opzichte van hun peers kunnen versterken: niet alleen weten zij wat er speelt, maar ze kunnen daarover meepraten.

Dat besef komt overigens niet vanzelf, zeker niet als de krant steeds minder vaak voorkomt in hun thuissituatie.
Daarom moeten jongeren voortdurend worden aangemoedigd om kranten te lezen. Dat lukt niet alleen met slimme marketingacties, de ontwikkeling van digitale diensten of de aanpassing van redactionele formules. De ambassadeursrol van enthousiaste docenten die hun leerlingen aanzetten tot het kritisch lezen van kranten is minstens zo belangrijk.

Al 4 reacties — discussieer mee!