Moeten de media kunnen vergeten? Nadat een Utrechtse ex-student een klacht indiende bij de Raad voor de Journalistiek omdat oude artikelen over hem op internet via Google blijven opduiken, schreef ik op verzoek van de Raad een advies. Vorige week besloot de Raad dat advies over te nemen. De volledige – lange – tekst volgt hier.

Bijna dagelijks klopt iemand aan bij The New York Times met het verzoek te worden “vergeten”. Het zijn gewone mensen die ooit figureerden in de kolommen van de krant, daardoor kortstondig “bekend” waren, maar sindsdien weer een anoniem bestaan willen leiden. Dat lukt niet. Ze worden achtervolgd door dat artikel van lang geleden. Door een verhaal dat inmiddels achterhaald is, of erger nog, door een verhaal dat destijds al onvolledig, onjuist of onnauwkeurig was.

Toen The Times dat artikel publiceerde, konden ze ermee leven. Of leek het niet de moeite waard ertegen te protesteren. Het zou wel overwaaien. Vroeger ging dat ook werkelijk zo. Berichten verdwenen vanzelf vrijwel onvindbaar in de vergeelde archieven van de krant. Tegenwoordig duiken ze op via internet. Werkgevers “googelen” routinematig de naam van een sollicitant. Niet alles wat daarbij naar boven komt, is even flatteus. De onbekookte opvattingen van een student, een faillissement of onverkwikkelijke scheiding, de genante foto van een drankovergoten feest.

Wat moet The Times met mensen die niet meer lastig willen worden gevallen met hun verleden?

De krant rectificeert berichten als die niet blijken te kloppen, maar kan onmogelijk alle kleine fouten herstellen die pas jaren later aan het licht komen. Hoe verifieer je immers de claim van een klager? En wat moet je doen als hij gelijk blijkt te hebben? Een naschrift komt niet per se even prominent naar voren op Google als het oorspronkelijke bericht. En een artikel verwijderen uit het eigen elektronische archief druist in tegen alles waar de krant voor staat. “It would be like airbrushing Trotsky out of the Kremlin picture”, aldus assistant managing editor Craig Whitney.

Maar The Times aarzelt ook. De krant ziet wel in dat individuele klagers geen boodschap hebben aan zo’n ethisch beginsel. Het is immers hún reputatie die bezoedeld raakt door een digitaal knipselarchief. Het is hun baan die op het spel staat.

Het U-Blad
De Raad voor de Journalistiek heeft sinds het voorjaar van 2007 een klacht in behandeling die sterk doet denken aan het dilemma van The New York Times. De zaak betreft een man die in 1999 en 2001, toen hij studeerde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, werd geïnterviewd door het U-blad. De artikelen, waarin de student met volledige naam werd genoemd, verschenen in het universiteitsblad en op de daaraan gelieerde website. Tegen de artikelen zelf had en heeft hij geen bezwaren. Die heeft hij wel tegen het feit dat ze tot op de huidige dag op de website van het U-blad zijn te raadplegen. Klanten herinneren hem aan zijn destijds als student geventileerde opvattingen. Hij is bang dat hem dat schade zal berokkenen.

De man heeft het U-blad gevraagd de artikelen van de website te halen, of tenminste te anonimiseren. Hij wil worden vergeten. De hoofdredacteur van het universiteitsblad weigert daaraan mee te werken.

Is die beslissing terecht?

Of moet de Raad tot de conclusie komen dat hier de grenzen van journalistieke ethiek worden overschreden, de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is?

Wij zijn allen bekende Nederlanders

Uiteraard gaat het hier om een afweging van belangen. Daarbij zijn niet twee partijen betrokken, maar drie. Tegenover het particuliere belang van de klager, die niet achtervolgd wil worden door zijn verleden, staat het publieke belang van een “collectief geheugen”: de samenleving is gebaat bij goed functionerende, zo volledig mogelijke, betrouwbare archieven waaruit niet naar willekeur onderdelen – Trotsky! – kunnen worden geretoucheerd. De derde betrokken partij zijn de media. Die vereenzelvigen zich weliswaar met het publieke belang, maar hebben ook een eigen, gerechtvaardigd commercieel belang: de exploitatie van de website en de daaraan gekoppelde digitale archieven. Anders dan een krant, is een krantensite zonder archief nauwelijks voorstelbaar.

Tegen welke achtergrond moeten die belangen worden gewogen?

De klacht van de Utrechtse ex-student vertoont enige gelijkenis met al die gevallen waarin mensen klagen over het gebruik van knipselarchieven. Sinds jaar en dag hanteren dagbladen en audiovisuele media knipselmappen als bronmateriaal voor nieuwe artikelen en programma’s. Soms gaat dat mis. Bekende Nederlanders die regelmatig worden geïnterviewd, herkennen de knipsels aan de vragen. Hardnekkige mythes, zeggen BN’ers, blijken onuitroeibaar.

Toch gaat het bij de Utrechtse student om wezenlijk iets anders dan bij de journalistieke praktijk van “geknipselde” verhalen. De student is immers niet nu onderwerp van journalistiek handelen. Zijn verhaal staat niet vandáág in de krant.
Sinds internet een massaal gebruikt medium is geworden, vanaf 1995, zijn knipsels een eigen leven gaan leiden, buiten de traditionele media om. Ze hoeven niet door een journalist naar boven te worden gehaald, uit de eigen archieven of een bibliotheek, maar komen vrijwel automatisch aan de oppervlakte, alsof ze werkelijk een eigen dynamiek hebben.

Het enorme succes van de Google, sinds ongeveer de eeuwwisseling, heeft het zoeken en vinden van informatie gedemocratiseerd en gepopulariseerd: men hoeft geen informatiespecialist of speurneus meer te zijn, noch veel tijd en moeite te investeren, om over vrijwel iedereen indringende informatie te vinden. Daardoor is ook de roem, en de prijs van de roem, gedemocratiseerd. Wij zijn allen bekende Nederlanders geworden.

De omgang van nieuwe generaties mediagebruikers met die door internet veroorzaakte transparantie is curieus. Ze kunnen goed uit de voeten met dat leven in een glazen cel. Ze wekken ten minste die indruk wanneer ze ogenschijnlijk onbekommerd hun naw-gegevens (naam, adres, woonplaats) afstaan aan commerciële websites, hun vriendschappen onderhouden op openbare sociale community-sites als Hyves, op een digitaal dagboek intimiteiten met de wereld delen en de beelden daarvan integraal en ongegeneerd aan de fotosite flickr.com toevertrouwen.

Evenmin als roem is privacy nog wat het geweest is.

Het recht met rust gelaten te worden
Daarmee is de vraag nog niet beantwoord of de Utrechtse student mag verlangen dat het U-blad zijn verleden “vergeet”. De wereld om hem heen mag veranderd zijn, het is niet zijn keuze achtervolgd te worden door een interview van zes of acht jaar geleden. Destijds heeft hij meegewerkt aan publicaties in het blad, en geen bezwaar gemaakt tegen de inhoud, maar zeer waarschijnlijk heeft hij zich niet gerealiseerd hoe zijn eigen opvattingen jaren later nog zouden “rondzingen” op internet. In 1999 – en zelfs in 2001 – konden nog maar weinigen voorzien hoe indringend Google de vindbaarheid van informatie zou verbeteren. Bij een “archief” zal hij zich eerder een papieren knipselmap of een evenmin voor het brede publiek toegankelijke la met microfiches hebben voorgesteld, dan de volstrekte transparantie die ontstaan is sinds Google alle informatie uit een miljard webpagina’s binnen 0,3 seconden doorzoekt.

Hij heeft niet gevraagd om de roem, noch ermee ingestemd.

Een uitgangspunt van journalistieke ethiek is dat een journalist de privacy van personen niet verder aantast dan in het kader van een open berichtgeving noodzakelijk is. Die norm sluit aan bij het recht op privacy, ook wel bekend als the right to be left alone, zoals dat onder meer is vastgelegd in het Europees Verdrag Voor de Rechten van de Mens. Vanuit het perspectief van de Utrechtse student is het net alsof het U-blad het artikel van toen elke dag opnieuw publiceert, zonder daarbij telkens opnieuw de afweging te maken of zijn privacy en zijn recht op anonimiteit in het geding zijn.

Het is vergelijkbaar met de situatie waarin iemand een interview geeft aan een keurig opinieblad, om vervolgens te merken dat dat verhaal opduikt in een minder keurig blootblad. Alleen is bij de casus van de Utrechtse student niet alleen de context van het blad veranderd, van tijdschrift naar website, maar vooral ook de context van de geïnterviewde, van toen naar nu.

De integriteit van archieven
Welk belang heeft het U-blad om desalniettemin geen gehoor te geven aan het verzoek van de ex-student? Er is, als gezegd, een publiek belang en een commercieel belang. Over dat publieke belang kunnen we kort zijn. Archieven moeten principieel beschermd worden tegen “correcties”. De samenleving moet op hun integriteit kunnen vertrouwen. De in 1996 aangenomen internationale Code of conduct van archivarissen begint met deze regel: “De archivaris dient de integriteit van het archiefmateriaal te beschermen en zo te garanderen dat het een betrouwbare getuigenis van het verleden blijft.”

Zoals de media een rol hebben als gatekeepers, zoals zij instaan voor de betrouwbaarheid van nieuw nieuws, zo waken zij tegenwoordig als hun eigen archivarissen ook over “oud nieuws”. Een ondeugdelijk bericht moet worden gerectificeerd, maar een onwelgevallig artikel wordt niet uit het archief verwijderd, evenmin als aan het archief met terugwerkende kracht artikelen kunnen worden toegevoegd omdat die een “beter” beeld geven van het verleden. De journalist dient de waarheid, ook met terugwerkende kracht.

Naast dat publieke belang hebben de media sinds enkele jaren een evident commercieel belang bij hun archieven. Voorheen werden knipsels vrijwel uitsluitend voor eigen gebruik bewaard; de kosten van exploitatie waren meestal hoger dan de omzet uit “nabestellingen”. Door de digitalisering van informatie, de vrijwel gratis distributie via het net en de doorzoekbaarheid met Google is echter een The Long Tail of Information ontstaan. Dat is, naar analogie met andere long-tail-markten (boeken, muziek) een informatiemarkt waarin niet alleen de hits exploitabel zijn (het breaking news van vandaag), maar ook die talloze artikelen waarvoor slechts een enkeling belangstelling heeft.

Van een kostenpost beginnen krantenarchieven geleidelijk te veranderen in verkoopbare producten, niet anders dan de krant van vandaag. Het is evident dat die archieven, ook weer net als de krant van vandaag, inboeten aan waarde als ze niet langer betrouwbaar zijn.

Wat is het effect van verwijdering?
Gegeven de tegengestelde principiële belangen is het de vraag wat het materieel zou betekenen indien het U-blad het artikel over de student zou verwijderen van de website. We kunnen ervan uitgaan dat de Utrechtse ex-student daadwerkelijk schade ondervindt van het feit dat hij door de internetpublicaties nog steeds wordt geassocieerd met zijn opvattingen van toen. Maar zou dat veranderen indien het U-blad hem ter wille zou zijn?

Als het universiteitsblad de gewraakte artikelen zou verwijderen, of zou anonimiseren, leidt dat er niet per se toe dat Google die artikelen niet meer na een zoekopdracht laat zien. De artikelen kunnen als kopie opgeslagen zijn in het zogeheten cache-geheugen van Google, de “kopie” die het Amerikaanse bedrijf maakt van informatie op internet. Maar zelfs als Google meewerkt met het “vergeten”, zelfs als de “Google cache” wordt gewist, kunnen de artikelen voortleven in andere digitale archieven, zoals archive.org, die juist zijn gemaakt om zoveel mogelijk delen van internet voor de geschiedenis te bewaren. Onderzoeksjournalist en zoekmachine-expert Henk van Ess wijst erop (in een mail aan mij) dat veel informatie, en zelfs complete archieven, door derden worden gekopieerd zonder dat de eigenaar van de informatie daar erg in heeft. Bovendien zijn er andere zoekmachines dan Google die ook verwijderde informatie veel langer vasthouden dan zes maanden, de norm die Google hanteert. Met andere woorden: de-publiceren of anonimiseren garandeert niet dat de ex-student nooit meer met zijn verleden wordt geconfronteerd.

We mogen echter aannemen dat hij dat ook niet verwacht. In de archiefkasten van de universiteit zijn waarschijnlijk nog oude exemplaren van het U-blad terug te vinden. Niemand die er naar zoekt. Waarschijnlijk is de klager tevreden als zijn naam niet meer bij de eerste tien resultaten van Google opduikt, maar pas veertig of vijftig pagina’s dieper. Het gaat hem zeer waarschijnlijk niet om absolute anonimiteit, maar om relatieve onzichtbaarheid.

In het beste geval kan het U-blad aan het verlangen van de student tegemoet komen, al zal dan een derde partij – Google – moeten meewerken. Voor de Raad voor de Journalistiek leidt dat tot een nieuw probleem. In zijn klacht vraagt de student alleen om verwijdering van het “artikel” van de site van het U-blad. Wanneer men de klacht sec bekijkt, zou de Raad die ongegrond moeten verklaren, omdat het verwijderen van het artikel sec materieel te weinig oplevert. In de afweging wegen in dit geval de belangen van “de samenleving” – de integriteit van archieven – en het U-blad – de exploitatie van de eigen database – zwaarder. Die afweging verandert allicht als de Raad een breder perspectief kiest, en meer rekening houdt met de eigenlijke bedoeling van de klager.

Stel dat de klacht op een andere manier zou zijn geformuleerd. Stel dat de student het U-blad zou hebben gevraagd er zoveel als mogelijk voor te zorgen dat zijn naam niet langer door zoekmachines op internet zou worden gelinkt aan de gewraakte artikelen. Hoe zou de afweging van belangen dan uitvallen?

Om te beginnen zou de student werkelijk iets te winnen hebben bij medewerking van het U-blad. Het blad zou kunnen bewerkstelligen dat Google mee zou werken om de oude artikelen zo niet te wissen dan toch minder prominent zichtbaar te maken. Dat is een reëel belang, waarmee we opnieuw een afweging kunnen maken. De vraag is dan opnieuw a. welke schadelijke gevolgen zo’n ingreep heeft voor de “integriteit van archieven”, en b. in welke mate de commerciële belangen de uitgever van het U-blad worden geschaad.

Eerst de principiële kant. Per definitie is elke inbreuk op een principe schadelijk voor dat principe. Tegelijkertijd beseffen we dat de praktijk wel degelijk rekbaar is. De integriteit van een archief, het geheugen van de samenleving, heeft te lijden onder het wissen van lemma’s en onder willekeurige manipulatie van historische teksten. Niettemin, zo wil de common sense, lijdt hoogstwaarschijnlijk niemand in het bijzonder onder de ingreep zoals de ex-student die verlangt.

Uiteindelijk blijft er, wat deze afweging betreft, een moreel dilemma over: men kan vinden dat de student niet hoeft te lijden onder het belang van het collectief, maar ook kan men stellen dat hij verantwoordelijk is voor zijn eigen verleden en dat hij het ongemak daarover niet mag afwentelen op de gemeenschap.

Dat principiële dilemma is een tweede manier om na te denken over de casus. Maar er is ook, als eerder gesteld, nog een derde, waarop ik nu dieper inga, zonder het principiële probleem op te lossen. Bij dat derde dilemma draait het om het commerciële belang van het U-blad, en bij uitbreiding om het commerciële belang van moderne media. Hoe groot is dat belang? En in welke mate zou het worden geschaad als de student in het gelijk werd gesteld?

Nieuws van gisteren
Sinds internet een massaal gebruikt platform is geworden – wereldwijd inmiddels een miljard gebruikers – hebben uitgevers wegen gevonden om, simpel gezegd, hun archieven te exploiteren. Waar het “nieuws van gisteren” vroeger vrijwel zonder waarde was, en het ontsluiten van archieven voor eigen gebruik vooral een kostenpost was, is het nu mogelijk diezelfde archieven rendabel te exploiteren. Doordat ze zijn gedigitaliseerd zijn ze vrijwel gratis te distribueren. Met zoekmachines zijn ze bovendien binnen tienden van seconden zinvol te raadplegen. Moderne media verrijken hun actuele “content” met links naar oudere artikelen over hetzelfde onderwerp. Nieuwsconsumenten zijn daaraan gewend geraakt; we kunnen ons nauwelijks meer voorstellen dat we online alleen nog maar het nieuws van vandaag vinden. We verwachten de diepte die de links naar het archief bieden. We rekenen erop dat Google context biedt.

De vraag is of de meeste nieuwsconsumenten erop vertrouwen, of zouden moeten kunnen vertrouwen, dat historische berichtgeving net zo accuraat en betrouwbaar is als actuele berichtgeving. Rekent de lezer erop dat een artikel uit het digitale archief van NRC Handelsblad even betrouwbaar is als een bericht dat vandaag in de krant staat? Als dat laatste het geval is, zou het imago van een medium grote schade oplopen indien bekend zou worden dat het op verzoek van een individuele belanghebbende het eigen archief had gemanipuleerd. Dat zou net zo schadelijk zijn voor de goede naam van laten we zeggen NRC als wanneer bekend zou worden dat die krant nieuws zou hebben achtergehouden, louter en alleen om een belanghebbende te behagen.

Ook dit argument lijkt ervoor te pleiten de klager in het ongelijk te stellen: het commerciële belang van de uitgever lijkt groter dan zijn particuliere belang. Bij nader inzien gaat het echter grotendeels mank. De meeste nieuwsconsumenten weten heel goed de waarde van archieven te relativeren. Ze begrijpen dat de betrouwbaarheid van historische artikelen betrekkelijk is, vergeleken met actuele verhalen. Zoals ze dankzij internet gewend zijn geraakt aan de permanente vindbaarheid van allerlei oude bronnen, zo hebben ze ook leren leven met hun onvolmaaktheid. Een medium hoort het archief niet te manipuleren, maar per saldo is dat niet te vergelijken met manipulatie van actueel nieuws. Wie zijn archief onderhoudt, fouten herstelt, heeft daar imago-technisch ook baat bij.

Hierboven stelde ik dat de student waarschijnlijk niet streeft naar absolute anonimiteit, maar al tevreden zal zijn met relatieve onzichtbaarheid.

Voor de waardering van betrouwbaarheid en accuratesse door de mediaconsumenten geldt iets soortgelijks.

Moet de klager dan in het gelijk worden gesteld? Ik denk het niet. Naast de principiële en morele afweging, speelt tenslotte ook een pragmatische. Als deze klager gelijk krijgt, zouden media in de toekomst telkens artikelen moeten verwijderen uit hun archief als een betrokkene daarom vraagt. Die logische consequentie leidt tot een wirwar van praktische onmogelijkheden. Want hoe beoordeelt een medium of het verzoek van de klager terecht is? Hoe “oud” mag het artikel zijn voordat het in aanmerking komt om te worden verwijderd? Vervolgens moeten de antecedenten van de klager worden nagetrokken: is hij wie hij claimt te zijn? Het bericht van toen moet opnieuw worden beoordeeld op nieuwswaarde. Onderzocht moet worden of het gewraakte bericht nog is verwerkt in andere, oudere of juist jongere berichtgeving. En welke belangen van andere betrokkenen in dat oude bericht worden eventueel geschaad als het bericht wordt weggehaald?

Al die journalistieke checks lijken in de casus van de Utrechtse student overbodig. We gingen er immers van uit dat met het artikel in het U-blad zelf niets mis was: de student heeft dat nooit als argument aangevoerd. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het bij nieuwe gevallen opnieuw zo zal gaan. Integendeel: te verwachten valt dat juist klagers zullen opstaan die zich nu niet, en destijds ook al niet, konden vinden in de berichtgeving. Zelfs als men zou vinden dat een medium oude artikelen moet “vergeten” als een belanghebbende daarom vraagt, strandt dat beginsel op de onuitvoerbaarheid ervan. Simpel gezegd: het telkens op journalistiek verantwoorde wijze moeten ingrijpen in elektronische archieven is zeer waarschijnlijk onbetaalbaar.

Samenvattend: in de onderhavige casus heeft de klager een reëel belang. Hij ondervindt schade door een publicatie waaraan hij tegen zijn zin meewerkt (de aanwezigheid op internet valt, vanuit zijn perspectief, te beschouwen als een telkens hernieuwde publicatie). Die schade kan worden beperkt indien het U-blad zich zou inspannen om ook publicatie elders op internet – Google – tegen te gaan.
Daar staat tegenover het publieksbelang van integere archieven en het principiële uitgangspunt dat journalisten de waarheid dienen, ook met terugwerkende kracht.

In laatste instantie moet echter de praktische uitvoerbaarheid de doorslag geven: media moeten in staan voor de betrouwbaarheid van actueel nieuws, maar zijn niet in staat, zonder daar zelf onevenredige economische schade van te ondervinden, ook het al maar uitdijende archief voortdurend en in alle gevallen te toetsen aan de laatste inzichten.

De journalistieke beginselen van fairheid (rectificatie indien nodig) en respect voor privacy hebben geen “historische hardheid”. Niet alle fouten uit het verleden hoeven te worden rechtgezet. Niet alles hoeft te worden vergeten.

[Deze tekst verscheen eerder op MediaBlog en in een verkorte versie in de Volkskrant van 21.11.2007]

Henk Blanken

Schrijver en journalist

Al 11 reacties — discussieer mee!