Deze maand werd politiek verslaggever Rutger van Santen door zijn werkgever, Radio Nederland Wereldomroep, geschorst. Hij had het gewaagd om, tijdens een interview dat hij voor Het Gesprek met het Kamerlid Tofik Dibi maakte, Geert Wilders tot “leugenaar” en “Pinocchio” te benoemen. Vorig jaar schreef Van Santen al in een column in het blad Nieuwspoortforum “altijd tegen Geert Wilders” te zijn; hij noemde diens partij een “boevenbende” die bestaat uit “racisten” wier gedachtengoed ‘daadwerkelijk bestreden moet worden”.

Al met al zou hij volgens waarnemend hoofdredacteur Wim Jansen “de lijn van journalistieke onafhankelijkheid en kwaliteit” hebben overschreden. Bij het lezen van die uitdrukking wreef ik me de ogen uit. Want wie was hier nu de onafhankelijke geest, Van Santen of Jansen?

Uitgekafferd op GeenStijl
Van Santens schorsing valt in de maand waarin Amerika’s beroemdste journalist, Ed Murrow, honderd jaar zou zijn geworden. Velen zullen hem kennen als hoofdpersoon in George Clooney’s film “Good Night Good Luck” (2005). Murrows faam piekte in de periode, halverwege de jaren vijftig, waarin alles wat journalist heette als de dood was voor communist versleten te worden. Murrow haatte die angst. “Advocacy journalism” was zijn uitvinding en handelsmerk: hij durfde de communistenjager Joseph McCarthy openlijk op radio en televisie aan te pakken. En met succes: tijdens zijn misschien wel beroemdste uitzending zette hij McCarthy voor het oog der natie als leugenaar en meedogenloze intrigant te kijk.

Zonder Van Santen meteen op één lijn met Murrow te willen plaatsen (of Wilders met McCarthy), een onafhankelijke geest kan hem niet ontzegd worden. Hij verwoordt wat talloze collega’s denken maar om mij onbekende redenen niet uitspreken. Misschien is het de angst een deel van de natie tegen zich in het harnas te jagen of op GeenStijl voor links uitgekafferd te worden. Of misschien denken ze terug aan hun opleidingstijd toen ze het objectiviteitsideaal ingeprent kregen. Maar dat is nog iets anders dan een gelofte van bangigheid of, misschien kwalijker, onverschilligheid aangaan (waarom lees ik over de schorsing zelfs in het vakblad De Journalist geen regel terug?).

Twee typen verslaggevers opleiden?
Ik heb hier eerder geschreven over de advocacy journalism van Greg Palast, die de feiten net zozeer respecteert als zijn objectiviteitslievende collega’s maar er af en toe een subjectief uitroepteken achter durft te plaatsen. Verfrissend. Zulke durfallen kunnen de hier en daar onzichtbaar rakende journalistiek juist weer dichter bij de mensen brengen.

In de International Herald Tribune riep Beth Knobel (Fordham University), stilstaand bij de betekenis van Murrow, vorige week zelfs op twee verschillende typen verslaggevers te gaan opleiden: de traditioneel-verslaggevende en de advocacy soort. Waarbij laatstgenoemden zouden moeten leren opboksen tegen het syndroom van politieke correctheid en commerciële druk. Op Knobels blog ontspint zich hierover inmiddels een aardig debatje.

Mijn bezwaar tegen zo’n indeling is dat hij te rigoureus is. Nederland kent genoeg journalisten die de ene dag een vlammend commentaar over onderwerp X schrijven om de volgende dag weer keurig feiten van meningen over datzelfde onderwerp te kunnen scheiden.

Wat de kwestie-Van Santen betreft, ik begrijp best dat Radio Nederland Wereldomroep een journalistiek onafhankelijke organisatie wil blijven. Maar dat wil niet zeggen dat het voltallige personeel ten overstaan van welke politieke context dan ook de kleur van een beige behangetje moet aannemen.

Als ik hoofdredacteur van RNW was zou ik zuinig zijn op deze recalcitrante linksbuiten.

Al 17 reacties — discussieer mee!