De Telegraaf heeft op 11 december 2008 bekend gemaakt de Raad voor de Journalistiek niet langer te erkennen. In zijn brief aan de Raad voor de Journalistiek schrijft de hoofdredactie van De Telegraaf dat deze stap in de praktijk zal betekenen dat De Telegraaf geen verweer meer zal voeren in tegen haar ingediende klachten en ook geen uitspraken van de Raad voor de Journalistiek meer zal publiceren.

De hoofdredactie van De Telegraaf geeft vier redenen op voor zijn besluit de Raad voor de Journalistiek niet langer te erkennen:

  1. De Raad voor de Journalistiek oordeelt veelal strenger dan de Nederlandse rechter.
  2. De Raad voor de Journalistiek is verworden tot een voorportaal voor civielrechtelijke procedures tegen mediabedrijven.
  3. De Leidraad van de Raad voor de Journalistiek is voor de redactie van De Telegraaf onwerkbaar.
  4. De Raad voor de Journalistiek beperkt zich in de praktijk tot de behandeling van zaken tegen de traditionele media.

Over alle vier genoemde redenen valt het een en ander te zeggen. Daaraan voorafgaand één punt, dat ik meer dan eens over het voetlicht heb mogen brengen voor eerstejaarsstudenten van journalistieke opleidingen, maar dat kennelijk ook de hoofdredactie van De Telegraaf nog moet worden bijgebracht. Dat is dat de Raad voor de Journalistiek iets wezenlijks anders doet dan de Nederlandse rechter. De Raad geeft een oordeel over de journalistiek-ethische aspecten van een publicatie, de rechter geeft antwoord op de vraag, of een publicatie onrechtmatig is. Deze verschillende grondslagen kunnen samenlopen, maar doen dat lang niet altijd. Zo behoeft journalistiek onoorbaar gedrag niet altijd te leiden tot een onrechtmatige publicatie en is het niet per definitie zo dat aan een onrechtmatige publicatie journalistiek-ethisch onoorbaar gedrag ten grondslag ligt.

Strenger
In het licht van het bovenstaande moet de stelling van de hoofdredactie van De Telegraaf worden gewogen dat het oordeel van de Raad strenger zou zijn dan dat van de rechter. Het gaat dus om twee verschillende beoordelingsgronden, die in hun gestrengheid niet rechtstreeks tegen elkaar af te wegen zijn. Hoe komt de hoofdredactie van De Telegraaf dan toch tot deze vaststelling? Vermoedelijk heeft men de onderbuik geraadpleegd. Uit de cijfers blijkt namelijk niet dat de Raad voor de Journalistiek verhoudingsgewijs vaker een klacht gegrond verklaart dan dat de rechter een vordering op grond van onrechtmatigheid van een publicatie toewijst. Ik wijs in dit verband op hetgeen Gerard Schuijt en Hans Mentink hierover hebben geschreven op basis van uitgebreider onderzoek dan de hoofdredactie van De Telegraaf heeft uitgevoerd. De hoofdredactie van De Telegraaf vergist zich dan ook: zo het al mogelijk zou zijn uitspraken van Raad en rechter over één kam te scheren, dan nog kun je niet tot de conclusie komen dat de Raad strenger is dan de rechter.

Voorportaal
Inderdaad komt het voor dat iemand zich zowel tot de Raad voor de Journalistiek als tot de rechter wendt. Doorgaans gaat hij dan eerst naar de Raad en vervolgens naar de rechter. De uitspraak van de Raad vormt dan meestal onderdeel van de dagvaarding. Drie dingen:

  • Het is slechts een zeer kleine minderheid – ik schat nog geen 5% – van de klagers dat zich zowel tot de Raad als de rechter wendt.
  • Het is onmogelijk en onwenselijk om een klager de toegang tot de rechter te ontzeggen, omdat hij zich tot Raad heeft gewend.
  • Er is niks mis mee dat een rechter ook het ethisch handelen van een journalist bekijkt, wanneer hij antwoord zoekt op de vraag of het handelen van de journalist heeft geleid tot onrechtmatigheid van zijn publicatie.

De Raad voor de Journalistiek is geen voorportaal van de rechter, maar een parallelle ingang tot een andere procedure.

Leidraad
De eerder dit jaar gepubliceerde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek is een weerslag van de uitspraken van de Raad in de achterliggende decennia. De Leidraad is er gekomen omdat het voor velen de vraag was, welk toetsingkader de Raad nu eigenlijk bij de beoordeling van klachten hanteert. De Leidraad is dus geen “Wetboek voor de Journalistiek”, waar iedere redactie in dit land zich onverkort aan zou moeten houden. Uiteraard is iedere hoofdredacteur verantwoordelijk voor hetgeen in zijn media wordt gepubliceerd en voor het journalistiek handelen van zijn redactie. Maar mocht dat gedrag of die publicatie leiden tot een klacht bij de Raad voor de Journalistiek, dan weet men binnen welk kader deze zal worden beoordeeld. Vervolgens mag iedereen – niet in de laatste plaats de hoofdredactie tegen wie een klacht gegrond is verklaard – vinden wat men wil van die uitspraak. Zo ontrolt zich het debat over de journalistieke ethiek in dit land. Wie – zoals de hoofdredactie van De Telegraaf nu doet – gaat roepen dat “uw rechtsorde niet de mijne is” isoleert zichzelf. En dan is het merkwaardige dat de hoofdredactie van De Telegraaf zich onttrekt aan een in de Leidraad vervat toetsingskader, dat mede ontwikkeld is door alom gerespecteerde Telegraaf-medewerkers als wijlen Johan Olde Kalter en Heleen van Meurs.

Traditionele media
De stelling dat de Raad voor de Journalistiek zich zou beperken tot zaken tegen de traditionele media is onjuist. De Raad geeft zijn oordeel op klachten. Indien er meer klachten komen over traditionele media dan over “nieuwe media” dan komen er ook meer uitspraken over traditionele media dan over ”nieuwe”. Van een beperking tot traditionele media is echter geen sprake, noch in de statuten noch in de praktijk van de Raad. Raadpleeg de databank met de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek (www.rvdj.nl) om de onjuistheid van deze stelling van de hoofdredactie van De Telegraaf bevestigd te zien.

Volkert van der G.
Tijdens de door de Stichting Mediadebat op zaterdag 13 januari 2008 georganiseerde bijeenkomst “De pers over de pers” liet Sjuul Paradijs (lid van de hoofdredactie van De Telegraaf) weten dat de kwestie-Volkert van der G. voor De Telegraaf het begin geweest was van het denkproces, dat nu heeft geleid tot het zich distantiëren van de Raad voor de Journalistiek. Dat vind ik een uiterst interessante opmerking van de heer Paradijs.

Voor wie de kwestie niet kent: op 7 juli 2006 publiceerde De Telegraaf een verhaal over betrokkenheid van de moordenaar van Pim Fortuyn bij de moord op milieuambtenaar Chris van der Werken in Nunspeet in 1996. De verslaggever baseerde zich daarbij op een vertrouwelijk rapport van de Nationale Recherche.

Volkert van der G. betwistte de juistheid van de bevindingen van de verslaggever eerst bij de Raad voor de Journalistiek. Die beoordeelde zijn klacht deels gegrond (RvdJ 2007/7). Daarna ging Van der G. naar de rechter. Die vond de publicatie onrechtmatig (LJN BD3057).

Het journalistiek-ethische en het juridische oordeel komen in dit geval dus overeen. Geen wonder. Wie het vertrouwelijke rapport van de Nationale Recherche leest kan vaststellen dat de bevindingen van de verslaggever haaks staan op de inhoud van dat rapport. In ieder geval op grond van die bron kun je Van der G. niet betichten van betrokkenheid bij de moord op Van der Werken. Integendeel, het rapport meldt dat daarvoor geen bewijs gevonden kon worden. Als je dan toch op grond van het rapport bericht over betrokkenheid onder de koppen “Bewijs tegen Van der G. steeds concreter” (De Telegraaf) en “Bewijs tegen Van der G. stapelt zich op”(telegraaf.nl) ga je nat. Twee keer nat: journalistiek-ethisch en juridisch.

Het is goed dat de kwestie-Van der G. een denkproces op gang heeft gebracht bij de hoofdredactie van De Telegraaf. Het is betreurenswaardig dat de hoofdredactie van De Telegraaf al denkende tot verkeerde conclusies is gekomen en deze met onjuiste redenen onderbouwt. Men had de hand in eigen boezem moeten steken in plaats van weg te lopen bij de Raad voor de Journalistiek.

Marnix Kreyns is lid van het bestuur van de Raad voor de Journalistiek. Dit artikel heeft hij op persoonlijke titel geschreven.

Al 2 reacties — discussieer mee!