matthijs1Vraaggesprek met tv-presentator Matthijs van Nieuwkerk, die met zijn energiek aangeprezen assortiment van journalistieke informatie, cultuur en amusement in De Wereld Draait Door dagelijks rond de 1,2 miljoen mensen trekt.

Was je vertrek negen jaar geleden bij Het Parool ook een afscheid van de schrijvende journalistiek?

Ik was vijf jaar hoofdredacteur geweest en wilde die krant graag op tabloid gaan maken. Daar lag de toekomst en we zouden de eerste in Nederland geweest zijn. De bestuursvoorzitter van PCM, Cees Smaling, zei me voor de zomer dat dat accoord was, maar trok die toezegging na de vakantie weer in. Ik heb het je inderdaad wel gezegd, zei hij, en het spijt me zeer dat je je redactie daarover al hebt ingelicht maar het ligt toch gevoeliger dan ik dacht. Toen knapte er iets in mij. Ik was niet meer de man om met alle energie die ik er altijd voor over had die krant te managen.

Maar was het een definitief afscheid?

Zeg nooit nooit, ik schrijf nu af en toe bij gelegenheid weer eens iets en met veel plezier. Uitnodigingen om boeken en boekjes te schrijven sla ik af. Ik heb mijn handen vol aan een goede uitzending van De Wereld Draait Door. Je moet ook veel lummelen namelijk om lenig en scherp te blijven. Een paar uurtjes niks doen per dag…

Wat beschouw jij als de grote kracht van schrijvende journalistiek?

Ik ben iemand van het woord, eerder dan van het beeld. Ik werk nu bij de televisie maar ik kijk eigenlijk bitter weinig tv – ik zit voortdurend met m’n neus in boeken en bladen. Voor De Wereld Draait Door moet ik veel programma’s even zien omdat ik een bij dat programma betrokkene te gast krijg, maar dat doe ik eigenlijk altijd via dvd’s. Die worden bij me thuis afgeleverd en dan bekijk ik er twee afleveringen van. Maar als ik ’s avonds of in het weekend thuis ben: eigenlijk gaat de tv niet aan, moet ik eerlijk zeggen.

Wat fascineert je zo in het geschreven woord?

Het spreekt letterlijk meer tot mijn verbeelding. Ik heb meer bewondering voor een goede schrijver dan een goede televisiejournalist, heb bij voorbeeld veel inspiratie geput uit The New Yorker. Iemand als David Halberstam heeft geweldige reportages en boeken over sport en grote maatschappelijke onderwerpen gemaakt. Profiles uit The New Yorker nam ik mee naar Het Parool en stuurde ik ter inspiratie rond. Martin Bril, Felix Rottenberg en ik zijn zulke goede vrienden geworden omdat we dezelfde dingen lázen, niet omdat we naar dezelfde dingen kéken.

Dan ben je ook een adept van David Remnick?

Ja, Remnick is natuurlijk mijn grote held. Hij is net zo oud als ik en is nu hoofdredacteur van The New Yorker. Zijn boek waarmee hij de Pulitzer Prijs won, over de perestrojka en de val van het Sovjet-rijk, is zó magistraal gedaan: vanuit een straatje in Rusland de hele wereldgeschiedenis beschrijven. Ik voel bewondering en jaloezie: op die plek zijn en het dan zo kunnen opschrijven… Als je ziet wat hij nu van The New Yorker gemaakt heeft, hoe hij die leidt en hoe mensen als Updike over hem schrijven dan denk ik: qua schrijvende journalistiek is hij de man van dit moment.

Gaat dat type schrijvende journalistiek overleven?

Er zullen altijd mensen zijn die dat soort journalistiek willen schrijven; de vraag zal worden waar ze het kunnen publiceren. Pieter Broertjes zei onlangs bij ons in De Wereld Draait Door dat het merk de Volkskrant populairder is dan ooit … Ja, dát geloof ik ook wel. Maar de Volkskrant is natuurlijk ook een onderneming die, als er op internet of een kleiner krantje wordt overgestapt, zoals hij in die uitzending aankondigde, steeds minder inkomsten zal hebben en geen dure produkties en grote talenten meer kan betalen. De enige vraag die dan overblijft is: wie betaalt de beste columnist ter wereld? Zal dat uiteindelijk die ene, goed verdienende internetsite zijn of die een of twee overlevende kranten?

Vaak wordt gezegd dat we van een tekst- naar een beeldcultuur gaan. Maar in jouw stijl van presenteren en interviewen is tekst van eminent belang. Bereid je je woordkeus en zinsbouw op een of andere wijze voor?

Nee, totaal niet. De aankondiging van de gesprekken staat op de autocue, de rest komt ter plekke in me op.

Was je als klein jongetje al zo’n makkelijke prater?

Nee, dat ben ik eigenlijk pas in mijn Parool-tijd geworden, toen ik veel móest praten. Ik wilde de krant veranderen en stond elke week wel ergens uit te leggen waar we stonden en waar ik heen wilde. Wat natuurlijk heftig debat opleverde en een nog groter beroep op mijn eloquentie deed.

Je interviews zijn confronterend maar qua toon en woordkeus tamelijk lichtvoetig. Geloof je niet in het strenge vechtgesprek?

De meeste onderwerpen in De Wereld Draait Door missen de inzet die bij dat soort gesprekken hoort: de harde politieke aktualiteit zit eerder in Nova of Pauw en Witteman dan bij ons. Ik zou het vaker moeten meemaken om te kijken of ik me er verder in zou willen bekwamen. Maarn ik weet wel dat het bij je moet passen. Ik heb Jeremy Paxman een keer bij Newsnight ontmoet, en dat is een hele strenge, bedachtzame, gereserveerde, achterdochtige man, ook buiten de camera’s om. Ik ben eigenlijk een vrolijke flierefluiter.

Maar is die lichtvoetigheid ook een bewuste strategie om mensen ontdooid te krijgen en te houden, zodat ze niet dichtklappen?

Ik heb minder bewondering voor het type gesprek waarin de interviewer alleen maar afgemeten bijt, blaft en gromt. Gun iemand ook even lucht of licht… Het krijgt het in mijn ogen dan ook bijna iets ouderwets, inquisitoirs. Maar het is een kwestie van smaak. Een gesprek kan licht op de voeten staan en toch scherp zijn. Maar aan dat eerste ontbreekt het vaak, het is ook moeilijker te creëren. Als ik merk dat iemand het antwoord op mijn vraag blijft ontlopen, duik ik liever een zijsteegje in en probeer ik op een later moment op de hoofdweg terug te komen.

matthijs2We moeten niet uitsluiten dat het medium televisie toch langzaam ook jou in zijn greep krijgt. Als je met een programma elke avond boven de miljoen kijkers trekt, leer je intuïtief de massa behagen.…

Zeker, als je in de redactie gaat bespreken dat je met een bepaalde line-up geen miljoen maar 800.000 kijkers trekt, ben je op het verkeerde pad.

Moet je jezelf of je redactie op dat punt weleens toespreken?

Ik zou liegen als ik zei dat we niet ook met een schuin oog naar de kijk- en waarderingcijfers kijken – het is tenslotte ook een blijk van waardering en je wil een hoop mensen informeren. Maar we zijn niet aan het millimeteren á la: o jongens, we moeten nu weer een grote naam hebben want… En als we toch een keer voor de makkelijkste weg kiezen, kom ik in opstand, al was het maar omdat ik het zelf in zo’n uitzending meestal minder naar mijn zin heb.

Ik zie veel tv-presentatoren op een gegeven moment in geroutineerde
effect-jagers veranderen: Ivo Niehe, Rik Felderhof, Peter de Vries… Kun je die sluipende transformatie wel voorkomen?

Ten eerste probeer ik fit te blijven. Een glas wijn is heerlijk maar na de uitzending ga ik toch altijd bijna meteen weg. Ik wil vroeg slapen en sport elke dag. Op die manier kan ik de uitzending de energie blijven geven die inmiddels bij DWDD is gaan horen. Een tijdje geleden probeerde RTL4 me op verschillende manieren te interesseren voor een overstap – een late-night talkshow was het idee. Maar ik houd DWDD liever nog een paar jaar vers zodat het straks misschien echt een monument is geworden. Ik wil proberen het frisse te behouden dat je gaat missen bij mensen die heel lang op tv zijn.

Toch zag ik je met het “Tv-moment van het jaar” een soort programma maken dat minder bij die frisheid hoort.

Dat Tv-moment is een spinoff van DWDD, ik vind niet dat ik het slecht deed. Maar het is wel zo dat ik het bij DWDD meer naar mijn zin heb. Bij de vrijheid die ik daar ondanks het strakke format voel, ben ik als een vis in het water. Ik kan dit doen, dat doen, improviseren… dat heb ik niet in zo’n show.

Wat die tekstcultuur betreft, neemt de verbale rijkdom bij jongeren af doordat ze bijvoorbeeld minder kranten lezen?

Dat weet ik niet. Zelf ben ik een romanticus die geniet van het rustig bladeren in een krant en dan linksboven aan de pagina begint. Mijn eigen kinderen, die 20 en 21 zijn, hebben geen abonnement op een krant, zoveel is zeker. Maar mijn zoon hangt wel uren met z’n neus boven The Daily Beast en GeenStijl, waar weliswaar geen Bibeb interviews van drie pagina’s op staan maar waar wél goed geschreven wordt. Ik controleer het af en toe: staat daar nou een soort boswachtersproza op of zijn er ook stilisten aan de slag? Nou, GeenStijl is natuurlijk katttenkwaad en soms ook echt geen stijl, maar hun stukjes zijn over het algemeen puntig en geestig. Als ik lees hoe ze schrijven en hoe hun opmerkingsgave is, denk ik: dat doet helemaal niet onder voor de schrijvers die ik toen ik twintig was met rooie oortjes in Propria Cures las.

Intussen vertaal jij The New Yorker naar televisie, of is dat een onbereikbaar ideaal?

Nou vergis je niet… Harold Ross, de oprichter van de New Yorker, had in 1925 de droom om humor, literatuur en journalistiek in een blad te verenigen. Dus staan er tot op de dag van vandaag dwars tussen de ernstige essays en profiles doodleuk de allerleukste cartoons. Dat zou niemand nu durven verzinnen. Die registers naast elkaar durven bespelen herken ik wel in de opzet van DWDD, maar verder gaat iedere vergelijking tussen de kathedraal New Yorker en de vrolijke snackbar DWDD mank.

Al 4 reacties — discussieer mee!