Veel van de kritiek over de deplorabele situatie in krantenland richt zich op hoofdredacteuren en uitgevers. Terecht, zij hebben en hadden het immers voor het zeggen en hadden er dus wat aan kunnen doen. Soms gaan er ook harde woorden in de richting van de journalisten zelf, die minder veranderingsgezind zouden zijn dan gewenst voor het welbevinden van de branche. Ook daar is wat voor te zeggen. Daarnaast zijn er incidentele oprispingen naar de marketeers, advertentieverkopers en “de markt”. Allemaal begrijpelijk. Maar één partij is in dit debat tot op heden redelijk buiten schot gebleven: de beroepsorganisatie annex vakbond NVJ. En dat is niet terecht.

Want hoewel er binnen de NVJ voldoende krachten zijn die echt wel vooruit willen, is er naar buiten toe van een acceptatie van een nieuwe realiteit nog nauwelijks sprake. Integendeel, aspecten die de vakbonden in de vorige eeuw zo krachtig hebben gemaakt maar in de huidige context vaak contraproductief werken, worden nog volop gekoesterd. En hoezeer het interne debat mogelijk ook probeert een nieuwe beweging los te maken, bij het minste of geringste noodsignaal uit werkgeversland, gaan de klassieke vakbondsregisters vanzelf weer open. Kondigt een uitgever een reorganisatie aan, klinkt er direct een onacceptabel. Wordt freelancers een nieuwe overeenkomst voorgelegd, dan heet dat vanzelf een wurgcontract. Wie zo snel en makkelijk in dit soort populistische reflexen vervalt, schiet geen meter op.

Groot onrecht
En wanneer een reorganisatie dan toch onvermijdelijk blijkt (een conclusie die vaak snel getrokken moet worden), komt vanzelf de tweede verdedigingslinie in stelling: last in first out (lifo), ofwel de laatste binnenkomer vliegt er het eerst weer uit. Zelfs nu deze werkwijze met het afspiegelingsprincipe enigszins genuanceerd is, blijft ze vooral getuigen van de onwil om te kiezen. De oude leden worden ermee gespaard en het is een generieke en dus makkelijk uit te leggen lijn. Maar in alle gevallen doet ze groot onrecht aan het doel om een zo sterk mogelijke redactie over te houden.

Net zoals de in elk sociaal plan terugkerende eis om “zo groot mogelijke groepen uitwisselbare functies” te creëren onrecht doet aan de noodzaak om scherpe keuzes te maken. Als een hoofdredacteur als gevolg van een inkrimping van personeel besluit om op te houden met een bepaald specialisme (om daarmee andere, belangrijkere onderdelen te sparen), ondermijnt de NVJ het effect daarvan door te stellen dat de uitoefenaars van dat specialisme net zo goed een andere functie op de redactie kunnen krijgen. En dus moet het lifo-lot bepalen wie er vertrekt, terwijl eigenlijk de inzichten van de hoofdredacteur dat zouden moeten doen.

Iedere hoofdredacteur weet dat er wel degelijk verschillen zijn tussen pakweg een sportverslaggever, een redacteur financiën en een kunstredacteur. En dat het dus voor de toekomst van je medium verstandiger is om daar bij het invullen van een verplichte inkrimping rekening mee te houden. Met het schrappen van een groep functies moet je dus ook de bijbehorende functionarissen kunnen laten vertrekken, in plaats van met veel kunst en vliegwerk iemand zonder de benodigde affiniteit in te passen in een totaal ander deelgebied. Wat de NVJ ook roept, weinig beursspecialisten zijn morgen een bevlogen kunstredacteur. En doe je desondanks alsof dat wel zo is, dan neem je willens en wetens afstand van de best haalbare redactiebezetting. Terwijl dat juist bij een kleiner wordende redactieomvang zo enorm belangrijk is.

Het verwijt is niet nieuw, alle vakbonden hebben de laatste jaren te horen gekregen dat het tijd wordt voor een wat realistischere benadering. Zonder al te veel resultaat.

Dilemma
Ook de NVJ lijkt te worstelen met het dilemma tussen oude verworvenheden en nieuwe uitdagingen. Ligt het aan de onmogelijke combinatie tussen individuele belangenbehartiging en zorg voor de sector als geheel, is het de angst voor weglopende leden, of is het simpelweg de interne onmacht om oude structuren te vervangen door nieuwe? Het is eigenlijk om het even, want het resultaat is zoals het is: de NVJ met al haar leden houdt zichzelf in een houdgreep waar ze vooralsnog niet uit komt. Daar heeft niet alleen deze club zelf last van, maar de hele sector. De NVJ als belangenbehartiger doet goed werk voor individuen maar wint het van de NVJ als beroepsorganisatie en heeft daarmee de sector schade toegebracht.

De jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw zijn daarin cruciaal geweest. Het ging uitstekend met de kranten, de abonneeaantallen en advertentie-inkomsten stegen jaar na jaar zonder er iets aan te hoeven doen. Tegen die achtergrond konden redacties enorm groeien en werden er cao’s en andere deals gesloten met steeds meer rechten (ook financieel) voor de individuele journalisten. Werkgevers hebben – waarschijnlijk uit angst voor gedoe en vanuit de wetenschap dat het nu eenmaal toch goed ging – onvoldoende beseft dat de weg terug lastig zou worden. En de NVJ koesterde haar succes zonder zich te (willen?) realiseren dat hiermee een gouden kooi werd gecreëerd. Voeg daaraan toe het door vriend en vijand gedeelde argument van de waarde van de journalistiek in het licht van de grondwet en je krijgt een sector die verstrikt raakt in het succes van zijn eigen gelijk.

Dogmatisme
We weten inmiddels dat rond de eeuwwisseling aan de groei een abrupt einde kwam. Vrij snel kwamen de krantenmakers er achter dat ze in de goede jaren weliswaar hier en daar wat vernieuwing hadden doorgevoerd, maar onvoldoende om de weerstand op te bouwen die zo hard nodig bleek. De redacties waren dan wel fors gegroeid, maar vooral met “ons soort mensen”. Er was dus grote behoefte aan vers bloed, maar waar haal je dat vandaan als de NVJ en haar achterban met evenveel volharding als voorheen blijven wijzen op de spelregels uit een compleet ander tijdperk?

En dus werden de klassieke brengers van nieuws en duiding (de kranten dus) her en der voorbijgestreefd door nieuwkomers van allerlei meer of minder journalistiek pluimage. Zowel aan redactiekant (nu.nl-achtigen, gespecialiseerde weblogs, twitterfeeds) als aan de advertentiekant (marktplaats, funda, monsterboard) werd de oude wereld in een paar jaar tijd beroofd van zijn traditionele speelveld. Om als aangeschoten wild achter te blijven.

Inmiddels zijn we weer een paar jaar verder en beginnen de ooit zo sterke krantenconcerns met grof geweld af te brokkelen. Maar zoals de schuld daarvan in veel schoenen geschoven kan worden, geldt dat gelukkig ook voor de oplossing van het probleem. Áls er nog tijd is voor een uitweg, is het dus zaak dat ook de NVJ snel beseft dat er andere wegen bewandeld moeten worden. Geen standpunten meer die indruisen tegen inhoudelijk onderbouwde journalistieke argumenten van de betreffende redactie. De rol van de beroepsvereniging moet sterker, die van de vakbond daarvan losgekoppeld. Het dogmatisme en de klassieke reflexen moeten er nog verder uit en daarvoor in de plaats moet het besef komen dat harde maatregelen én scherpe keuzes momenteel onvermijdelijk zijn om het tij te keren. Al is het alleen maar om straks niet tot de ontdekking te komen dat er niet alleen geen kranten meer zijn, maar ook geen NVJ-leden.

Ter informatie: de schrijver van deze bijdrage is sinds midden jaren ’80 lid van de NVJ.

Bart Brouwers

Journalist, blogger, writer, cyclist. Full professor in Journalism Groningen University.
Profiel-pagina
Al 11 reacties — discussieer mee!