“Twitterpaniek”, constateert Paul Vereijken op De Nieuwe Reporter na het neerstorten van een vliegtuig vlakbij Schiphol. “Berichten – tweets – met verschillende cijfers van gewonden en doden worden via Twitter het web op geslingerd.” Vervolgens beschrijft hij de tegenstrijdige informatie die over het web stuitert. “Tussen de 100 en 250 mensen zouden aan boord zijn, schrijft Bright op basis van nieuwsberichten en tweets. Of zijn het er toch maar 80? Ligt het vliegtuig in twee of drie stukken? Of is het van de baan geschoven en is er dus veel minder aan de hand dan gedacht wordt? De ene tweet struikelt over de andere.”

En of het al niet erg genoeg is, doen de gevestigde media lustig mee, want ook die “buitelen tegelijkertijd over elkaar heen met allerlei (onbevestigde) cijfers”. Vereijken werpt dan ook de vraag op “of door steeds snellere media en de drang van nieuwsorganisaties om als eerste het breaking news naar buiten te brengen, de waarheid in het gedrang komt.”

De suggestie is al snel gewekt dat we te maken met een volkomen nieuw fenomeen. Steeds snellere media, steeds grotere concurrentie en journalisten die snelheid voorrang geven boven betrouwbaarheid. Met als gevolg: legio elkaar tegensprekende feiten, media die elkaar napraten en allerlei geruchten.

Een nieuw fenomeen is het in elk geval zeer zeker niet. In het verleden is – met name in de Verenigde Staten – vaak onderzoek gedaan naar mediaberichtgeving over vliegtuigongelukken en andere rampen. Daarin komt een steeds terugkerend patroon naar voren.

Chaos en onzekerheid
Kenmerkend is dat er in eerste instantie een periode is van chaos en onzekerheid: wat is er precies gebeurd, gaat het om een grote ramp, moeten we live de lucht in? Zo gauw de beslissing is genomen om de reguliere programmering op radio en televisie te onderbreken voor live verslaggeving, beginnen reporters met het verzamelen van informatie. Officiële bronnen geven geen sjoege en dus gaan verslaggevers op zoek naar onbevestigde ‘feiten’. Die verzamelen ze op basis van eigen waarnemingen en ooggetuigen. Er is weinig tijd en verslaggevers zijn niet direct in de gelegenheid om conflicterende informatie te checken. Met het oog op concurrerende media wordt alle beschikbare doorgegeven aan het publiek.

Pas later krijgen journalisten toegang tot gevestigde bronnen. Overheidsinstanties komen met persverklaringen en beleggen persconferenties. Dat levert voornamelijk voorlopige ‘feiten’ op van overheidswege en onbeantwoorde vragen van journalisten over oorzaken en schuldigen.

Redacties laten zich in deze beginfase vaak leiden door concurrentieoverwegingen. Dat wordt treffend beschreven door Dan Berkowitz die onderzoek deed op de nieuwsredactie van een lokaal televisiestation in Indianapolis toen in 1987 een straaljager neerstortte op een hotel waarbij tien doden vielen.

Het eerste signaal dat er ‘iets’ is gebeurd verneemt de redactie via de radioscanner – een voorloper van Twitter – in het redactielokaal. Aanvankelijk ontstaat er geen beroering, want het bericht luidt dat er een grote brand is. En dat is geen groot nieuws voor de redactie, want er zijn regelmatig branden.

Even later meldt de scanner dat er een vliegtuig bij de brand zou zijn betrokken. Dat wekt beroering, maar die ebt al snel weg als duidelijk wordt dat het geen passagiersvliegtuig is, maar een militair toestel waarvan de piloot zichzelf in veiligheid heeft gebracht met de schietstoel. Pas als het concurrerende televisiestation de reguliere programmering onderbreekt besluit de redactie dat dit groot nieuws is dat live gebracht moet worden.

Beter live dan helemaal geen berichtgeving
Onmiddellijk rukt een cameraploeg uit naar de plaats des onheils, vanwege de gedachte dat het van groot belang is om een verslaggever live ter plekke te hebben. Doordat de politie het gebied inmiddels heeft afgezet, kan de ploeg geen plek vinden met uitzicht op de ramp. Ze komen achter het hotel terecht waar niets te zien is van het vliegtuig en de brand. Desondanks besluiten ze in de lucht te gaan om niet nog meer achterstand op te lopen op de concurrentie. Tenslotte zijn ze nu live ter plekke, en dat is beter dan helemaal geen berichtgeving.

Omdat ze geen enkele informatie hebben en officiële bronnen niet beschikbaar zijn, geven ze alle informatie die ze kunnen krijgen. Die komt hoofdzakelijk van ooggetuigen die met tegenstrijdige verklaringen komen.

Ondertussen houdt de eindredacteur de concurrerende televisiezenders nauwgezet in de gaten. Als een ander station een infographic laat zien, vraagt hij zijn redactie direct om ook een infographic. Als de concurrentie beelden vanuit een helikopter laat zien geeft hij onmiddellijk de opdracht om ook een helikopter te huren.

In 1987 was er nog geen Twitter en dus ook geen Twitterpaniek. Maar de commotie was toen niet anders. Ook toen buitelden de onbevestigde feiten en cijfers over elkaar heen in de media. Het hoort blijkbaar bij het patroon van rampenverslaggeving. Kennelijk even onontkoombaar als rampen zelf.

Dit artikel verscheen eveneens op de weblog van de auteur.

Alexander Pleijter

Hoofdredacteur

Alexander Pleijter is hoofdredacteur van De Nieuwe Reporter. Hij werkt als universitair docent Journalistiek en Nieuwe Media aan de …
Profiel-pagina
Al 9 reacties — discussieer mee!